thumb|300px|Kunstenaarsportretten. : de Tachtigers Willem Witsen, Willem Kloos, Hein Boeken en Maurits van der Valk. Foto Joseph Jessurun de Mesquita, 1888. thumb|300px|Tachtigers. Van links naar rechts Willem Versluys, Hein Boeken, Annette Versluys-Poelman, Charles van Deventer, Mieb Pijnappel en Willem Kloos. Foto Willem Witsen. De Tachtigers vormden een vernieuwende beweging binnen de Nederlandse kunst en met name binnen de Nederlandse literatuur die van ca. 1880 tot 1894 bestond. In het werk van de auteurs die tot deze beweging worden gerekend kwamen het impressionisme en naturalisme sterk naar voren. De Tachtigers zijn vooral van belang vanwege de vernieuwing die zij aanbrachten in de poëzie en de sterke onderlinge band die de meesten van hen aanvankelijk met elkaar hadden: zij kenden elkaar van hun studies of van sociëteiten, correspondeerden intensief met elkaarKunstenaarslevens: de briefwisseling van Albert Verwey met Alphons Diepenbrock, Herman Gorter, R.N. Roland Holst, Henriette van der Schalk en J.Th. Toorop, 1959, leenden elkaar geld en investeerden in "hun" in 1885 vol elan opgericht nieuw literair tijdschrift De Nieuwe Gids, dat vooral in de begintijd over het algemeen met de beweging werd vereenzelvigd en zich sterk afzette tegen de reeds bestaande, meer behoudende De Gids, dat verscheen sinds 1837.

Naast De Nieuwe Gids werd ook het sinds 1877 verschijnende weekblad De Amsterdammer een belangrijk medium van de beweging. Hoewel het vooral een literaire beweging betrof, waren er ook kunstschilders en componisten die zich met de beweging associeerden, zoals Alphons Diepenbrock.

Geschiedenis

Voorafgaande periode

Het Nederland van halverwege de negentiende eeuw behoorde tot de culturele achterhoede van Europa. De Nederlandse literatuur tussen 1860 en 1880 kan gekenschetst worden als realistisch, met een sterk moralistische inslag. Het naturalisme dat in Frankrijk opgang maakte, werd categorisch afgewezen. Stendhal werd als cynisch en zedeloos bestempeldCf. Comljon, blz. 114. en Gustave Flauberts meesterwerk Madame Bovary (1857) werd door criticus-schrijver Jan ten Brink in De Nederlandsche Spectator met de grond gelijk gemaakt. "De eindindruk van Flauberts eerste roman", zo schreef hij, "is daarenboven, ondanks zijn buitengewone talent van waarneming en analyse, teleurstellend en beledigend voor het zedelijk gevoel".Colmjon, blz. 113-114.

De literaire kritiek uit die dagen, met De Nederlandsche Spectator en De Gids als belangrijkste spreekbuizen, was sterk conservatief en onderwierp elke vernieuwing die uit het buitenland kwam aan een moralistische toets. Veel werken uit die tijd waren zielloos en weinig inspirerend en doorstonden de tand des tijds dan ook niet.

Afkeer van de oude wereld

In het laatste kwart van de eeuw begonnen de nieuwe golven van het impressionisme, wagnerisme en naturalisme ook de Nederlandse kust te overspoelen en was er een duidelijk literair ontwaken op til, hetgeen uiteindelijk zou culmineren in de "beweging van tachtig".

Een groep jonge studenten en kunstenaars, geboren tussen 1855 en 1865, voornamelijk afkomstig uit Amsterdam en omgeving, vonden elkaar in de afkeer van de victoriaanse wereld die Alphons Diepenbrock later zou beschrijven als "de afschuwelijke vulgariteit van de bureaucratenwereld der 'letterkundigen' in wier midden De Gids als een wonder verscheen". Diversen van hen, waaronder Kloos, Perk, Timmerman, Van der Goes, Gorter en iets later Verwey, stonden onder invloed van de classicus en humanist Willem Doorenbos, die hun leraar was geweest aan de HBS.Zie over hem: C.G.L. Apeldoorn: Dr. Willem Doorenbos, Amsterdam 1948; over zijn invloed op de Tachtigers o.a.: Corrado Hoorweg: Florilegium - Een humanistische stroming in de Nederlandse dichtkunst sinds 1880 (Baarn, 2014), pp 17 evv De meesten van hen studeerden klassieke letteren. Ze verfoeiden de dorre wetenschapsbeoefening zoals zij die doorgaans aan de universiteit gedemonstreerd kregen: Belehrung ohne Belebung, bergen van feitelijkheden zonder dat duidelijk werd waar die kennis toe diende.

Evenzeer verachtten ze het zelfgenoegzame deftig-doen van de generatie voor hen: in de dagelijkse omgang maar ook in het intellectuele verkeer, op papier. Zij walgden van het veelgelezen zwak-romantische gerijmel van burgerlijke domineedichters als Nicolaas Beets, Bernard te Haar, J.J.L. ten Kate en Eliza Laurillard, waarin godsdienst en huiselijkheid als idealen werden bezongen. Onnatuurlijke volzinnen met een beleefde aanvoegende wijs ("moge ook menigeen een ogenblik denken...") en een fatsoenlijke zucht tot een betweterig gelijk hebben ("toch zal eenieder met mij ervan overtuigd zijn dat...") vervulden hen met wrok.

De christelijke grondhouding werd volledig losgelaten. Er was een afkeur van pedante diepzinnigheid en een pleidooi voor gezond verstand. Christelijke godsdienstigheid, waarvan de literaire wereld tot aan die tijd diep doortrokken was, werd doorgaans afgewezen. Gezocht werd naar een nieuwe levensstijl, te creëren "uit het niets".Endt, blz. 16-17.

Opbloei Het nieuwe tijdschrift De Nieuwe Gids werd algemeen beschouwd als het belangrijkste medium en forum van de beweging. Dit tijdschrift kende een 8-jarige, opvallend snelle bloeiperiode tot 1893. Daarna leidde het nog een halve eeuw een meer zieltogend, meer marginaal bestaan, echter zonder ter ziele te gaan, mede dankzij de bezieling en het doorzettingsvermogen van medeoprichter Willem Kloos. Deze zich niet liet ontmoedigen door het afhaken van diverse redacteuren en mede-investeerders en hield zijn geesteskind zo lang mogelijk in leven.

Na een aantal jaren bleek de beweging zich niet te kunnen onttrekken aan de actuele maatschappelijke ontwikkelingen en ontstond er een scheiding der geesten over kwesties van artistieke, politieke en ethische aard.

De oorspronkelijk nadruk van de beweging lag op bellettrie, in de meest pure zin van het woord: het schrijven van proza en poëzie omwille van de esthetiek, als uiting en beleving van schoonheid. Eind 19e eeuw kwamen er echter ook kunstenaars op die hierover van oordeel veranderden en stelden dat zij zich niet elitair mochten afsluiten van de maatschappelijke ontwikkelingen en daarin ook zelf daadwerkelijk een rol konden vervullen. Sommigen van de Tachtigers waagden zich aan idealistische sociale experimenten, zoals Frederik van Eeden met zijn kolonie Walden, terwijl enkelen in radicaal vaarwater geraakten. zoals Herman Gorter, die drastisch afstand zou nemen van het oorspronkelijk credo van de beweging en uiteindelijk ten tijde van de Eerste Wereldoorlog en de Russische Revolutie zelfs pamfletten en brochures zou publiceren getiteld Het imperialisme, de wereldoorlog en de sociaaldemocratie en De Wereldrevolutie.

De informele voorman van de beweging Kloos wenste echter consequent vast te houden aan het oorspronkelijk adagium l'art pour l'art van de Tachtigers.

Anderen streefden met name na de eerste acht jaren van de snelle opbloei van de beweging bij nader inzien echter meer naar engagement, zoals de door de opkomst van het marxisme en de arbeidersbeweging gecharmeerde auteurs, die van opvatting veranderden en meenden dat de kunst ook een maatschappelijke functie diende te hebben en de kunstenaar partij moest kiezen in wat destijds de sociale kwestie begon te heten, zoals Henriëtte Roland Holst, die in 1900 de Nederlandse vertaling van de Internationale dichtte, en vooral Herman Gorter: Gorters vroegere werk kon nog beschouwd worden als bij uitstek exemplarisch voor wat de idealistische Tachtigers in hun begintijd voor ogen hadden. Geïnspireerd door de Franse symbolisten schreef Gorter aanvankelijk slechts omwille van de kunst.

De l'art pour l'art-beweging pleitte voor kunst als een persoonlijke uitingsvorm, met slechts de esthetiek als leidraad, los van alle mogelijke niet-artistieke doelen. Diverse Tachtigers gingen zich echter politiek engageren. Van der Goes en Gorter werden overtuigd aanhanger van het socialisme en laatstgenoemde zelf van het communisme, wat doorklonk in zijn werk. Ofschoon oorspronkelijk de voornaamste dichter van de beweging, verwijderde hij zich steeds verder van de oorspronkelijke idealen van de Tachtigers.

Na zijn Nederlandse vertaling van Spinoza's oorspronkelijk in het Latijn geschreven filosofisch werk de Ethica in 1895 sloot Gorter zich in 1897 aan bij de in 1881 opgerichte Sociaal-Democratische Arbeiderspartij en zijn poëzie bezong nu de triomf van de revolutie en een optimistische, glorievolle toekomst die kon worden bereikt middels de klassenstrijd. In 1909 scheidde hij zich af van SDAP en werd hij lid van de Sociaal-Democratische Partij die later de Communistische Partij Holland en vervolgens de Communistische Partij van Nederland zou worden. Zijn voornaamste werk in deze periode is "Pan" (1912), waarin hij een utopische visie geeft op een postrevolutionaire wereld. Sommigen verweten Gorter dat hij de literatuur had verruild voor propaganda voor het dialectisch materialisme.

De beweging van de Tachtiger kan worden beschouwd als een late voortzetting van en tevens een sterke kritiek op het werk uit de Romantiek, de periode die er direct aan vooraf was gegaan. Een overgangsfiguur in de Nederlandse literatuur was overigens de eigenzinnige individualist Multatuli (1820-1887), die tot geen enkele beweging kon worden gerekend en aan de beweging van de Tachtigers voorafging, maar om zijn eerdere vernieuwingsdrang in de literatuur door diverse Tachtigers werd bewonderd en als baanbrekende inspirator werd beschouwd. Reeds in een van zijn eerste publicaties prees Willem Kloos en later zou hij hem als een "reuzenfiguur" betitelen.{aut|Bart Slijper|Hemelbestormers - de Revolutie van de Tachtigers, pag. 46, 47, 50, 51, 57, 64, 65, 146-151, 190 en 216{aut|Willem Kloos|Veertien jaar literatuur-geschiedenis. 1880-1893, 2de druk 1989, del 1, pag. 53 en 123

De bekendste Tachtigers zijn: Willem Kloos, die min of meer optrad als de voorman van de beweging, Hélène Swarth, Albert Verwey, de componist Alphons Diepenbrock, Frederik van Eeden, Lodewijk van Deyssel, Frans Erens en Herman Gorter. De jong overleden Jacques Perk, wiens sonnetten door Kloos werden uitgegeven, was voor hen het grote voorbeeld.

Nieuwe geluiden thumb|180px|Jacques Perk Rond 1880 werden de eerste geluiden van vernieuwing manifest. Opvallend genoeg kwamen die eerste geluiden niet alleen van de nieuwe generatie, maar ook van de "oude garde". Busken Huet hield in 1879 een serie positieve lezingen over John Keats, van Potgieter werden postuum Studies en schetsen gepubliceerd met hoge lof voor Percy Shelley en de eerder zo conservatieve Ten Brink schreef een biografie van de binnen de kringen van De Gids nog altijd sterk verguisde Émile Zola.

Markerend en controversieel waren de eerste werken van de nieuwe lichting literatoren, die zich later de "Beweging van Tachtig" zouden noemen. Deze nieuwe generatie kunstenaars, dichters vooral, werd vooral verbonden door een gezamenlijke droom van schoonheid. L'art pour l'art werd het credo, de liefde een centraal thema. De Tachtigers vulden het begrip schoonheid op hun eigen manier in: alle kunst die emoties opriep, was voor hen per definitie esthetisch. Ook onaangename, verdrietige en zelfs "lelijke" zaken konden op deze manier toch op de kwalificatie "schoon" aanspraak maken. Persoonlijke beleving en zintuiglijke indrukken waren voor hen dus zeer belangrijk, maar tegelijk wilden ze deze belevingen het individuele niveau laten overstijgen en in een breder, metafysisch verband plaatsen. De Tachtigers wilden zich nadrukkelijk losmaken van het retorische en moralistische dat de kunst van hun tijd kenmerkte.Van Boven en Kemperink, p. 99 Hun geluiden waren sterk sprookjesachtig en esthetisch van toon, en sloten nauw aan bij de Engelse romantiek.