thumb|350px|Zeekaart van aanloop New York.

Een zeekaart is een kaart waarop zo veel mogelijk informatie staat die van belang is voor een veilige navigatie op zee en andere wateren. In de binnenvaart worden vergelijkbare kaarten gebruikt voor het binnenwater. Aangevuld met zeemansgidsen, lichtenlijsten en andere publicaties helpen ze de navigator bij een veilige reisvoorbereiding. Afhankelijk van de schaal bevat de kaart informatie over waterdieptes, grondsoorten, de kustlijn, droogvallingen, de hoogten van kenbare punten, kabels en pijpleidingen, betonning en vuurtorens, gevaren voor de navigatie zoals wrakken en ondieptes, zeestromen, getijde en getijstromingen, magnetische richtingen en de infrastructuur van havens. De taak van hydrografische diensten is om deze informatie te verzamelen en te delen. Hiertoe is in 1921 de Internationale Hydrografische Organisatie opgericht.

Het feitelijk gebruik van de papieren kaarten loopt terug, omdat in de zeevaart elektronische versies van zeekaarten meer gebruiksgemak bieden. Voor de veiligheid zijn de papieren versies nog wel aan boord. In de binnenvaart worden elektronische navigatiekaarten gebruikt. Ondanks het vele werk dat door de hydrografische diensten wordt verricht, heeft de zeekaart zijn beperkingen en is een blindelings vertrouwen in een zeekaart niet gerechtvaardigd.

Over het algemeen verdient het de voorkeur te navigeren op een kaart met de grootst mogelijke schaal, hetgeen in de elektronische versies instelbaar is. Er kan op worden ingezoomd.

Geschiedenis thumb|300px|Kaart van de Adriatische Zee uit de atlas van Pietro Vesconte uit 1318

In de dertiende eeuw ontstonden in het gebied van de Middellandse Zee de portulaankaarten. Ze waren doorgaans voorzien van een netwerk van stervormige kompaslijnen, overdreven getande kustlijnen en een symbolische weergave van beroemde plaatsen. Plaatsnamen stonden haaks op de kustlijn in rode letters, als het een goede haven betrof, en anders in zwarte letters. Verder waren ze voorzien van een of meer kompasrozen, afstandsschalen en symbolen voor ondieptes en andere gevaren. De cartografie ontwikkelde zich en in het Nederlandse taalgebied werden deze kaarten medio zestiende eeuw paskaarten genoemd. Hoewel het onderscheid met de portolaan niet heel duidelijk is, is er een aantal verschillen aan te wijzen.

Titel thumb|300px|Rechtsboven de titel van een NOAA-kaart.

De titel van een zeekaart bevat informatie die nodig is om de kaart op de juiste manier te interpreteren: de geografische aanduiding, het gebied dat de kaart beslaat, de schaal en bij mercatorkaarten de breedtegraad waarop deze van toepassing is, de eenheden waarin waterdiepte en hoogte aangegeven zijn, de herleidingsvlakken voor de waterdiepte en hoogte, de geodetische datum van de kaart, indien van toepassing de regio van het IALA Maritiem Betonningsstelsel, de gebruikte projectie en de gebruikte bronnen of opnamen.

De gebruikte eenheden voor de waterdieptes is niet alleen in de titel te zien, maar ook aan de randen in het geval van metrieke Admiraltykaarten. Verder is bij de kleur van land bij metrieke Admiraltykaarten geel en bij vademkaarten grijs. Bij kaarten van andere hydrografische diensten zijn de gebruikte kleuren verschillend. Bij de titel staan ook waarschuwingen en opmerkingen die betrekking kunnen hebben op de veilige vaart.

Schaal Internationaal is overeengekomen dat zeekaarten met een schaal kleiner dan 1:50.000 in de mercatorprojectie worden uitgevoerd. Voor speciale kaarten als voor grootcirkel- of poolnavigatie en voor kaarten op grotere schaal zijn andere projecties toegestaan. Bij mercatorkaarten wordt de breedte gegeven waarvoor de schaal geldt, aangezien deze groter wordt met toenemende breedte. Dat effect heet de vergrotende breedte. De schaal op de evenaar verhoudt zich tot de schaal op breedte b sb volgens de schaalformule:

Vanwege deze veranderende schaal moeten verheden op een mercatorkaart worden afgepast op de middelbreedte, de gemiddelde breedte van een traject, met staande randminuten, de meridiaanminuten die de zijrand van de kaart vormen.

Voor de planning en navigatie zijn er kaarten op verschillende schalen: overzichtskaarten en overzeilers zijn kaarten met de kleinste schaal, kleiner dan ca. 1:1.000.000. Overzichtskaarten zijn onder andere variatiekaarten — waarop de isogonen worden afgebeeld — en stroomkaarten die zeestromen te vermelden. Overzeilers worden gebruikt voor het uitzetten van de reis en het oversteken van uitgestrekte en diepe zeeën; koers- of trekkaarten hebben een kleine schaal van tussen de ca. 1:1.000.000 en de ca. 1:300.000. Ze worden gebruikt voor de navigatie ruim van de kust; kustkaarten hebben een middelgrote schaal van ca. 1:300.000 tot ca. 1:100.000 en worden gebruikt voor navigatie in de buurt van de kust; detailkaarten hebben een grote schaal van ca. 1:100.000 tot ca. 1:25.000 en worden gebruikt om havens aan te lopen en bij moeilijke of drukke vaarwaters; plankaarten hebben een zeer grote schaal van groter dan ca. 1:25.000 en worden gebruikt voor havens en rivieren.

Herleidingsvlakken Het herleidings- of reductievlak (chart datum, CD) wordt gebruikt om waterdieptes tot te herleiden. Dit zijn de kaartdieptes die verschillen van de werkelijke waterdiepte met de waterhoogte. Hoogtes worden weergegeven ten opzichte van het hoogteherleidingsvlak, dat hoger ligt dan het reductievlak.

Vanwege de veilige vaart is de werkelijke waterdiepte over het algemeen groter dan het gekozen reductievlak. Het kan echter voorkomen dat de waterstand lager is, bijvoorbeeld bij aflandige wind. Niet alle kaarten gebruiken hetzelfde reductievlak. Dit hangt af van het karakter van de getijbeweging. Nederlandse kaarten van Nederlandse wateren gebruikten tot 2006 het gemiddeld laag-laagwaterspring (gem. LLWS) — het maandelijkse laagste gemiddelde van laagwaterspring — maar hier wordt nu overgegaan op het laagste astronomische getij (Lowest Astronomical Tide, LAT), wat internationaal is aanbevolen. In Duitse wateren gebruikte men gemiddeld laagwaterspring (gem. LWS), maar is men ook overgegaan op LAT. In Admiraltykaarten gebruikt men over het algemeen het LAT. Andere hierin gebruikte reductievlakken zijn LWS en het middenstandsvlak, de gemiddelde waterstand (Mean Sea Level, MSL).

Als hoogteherleidingsvlak wordt in Nederlandse kaarten het middenstandsvlak gebruikt. Veel Admiraltykaarten gebruiken het gemiddeld hoogwaterspring (Mean High Water Spring, MWHS), of het middenstandsvlak als de getijdebeweging minimaal is. Doordat dit vlak hoger ligt, is er een marge bij bruggen en andere constructies. Ook is bij positiebepalingen aan de hand van hoogtemetingen van kenbare punten als vuurtorens of bergen de positie hierdoor dichter bij de kust weergeven dan in werkelijkheid, waardoor een veiligheidsmarge ontstaat.

Geodetische datum Behalve de verticale datum — het reductievlak — moet ook de horizontale datum worden vastgesteld. Dit is de geodetische datum. Hiermee wordt de niet wiskundig uit te drukken vorm van de aarde — de geoïde — benaderd door een wel wiskundig uit te drukken ellipsoïde, specifiek een referentie-ellipsoïde. Het hoogteverschil tussen de geoïde en de ellipsoïde is de geoïdehoogte die positief is als de geoïde buiten de ellipsoïde valt. Er zijn verschillende ellipsoïden in gebruik, afhankelijk van hoe deze aansluiten bij de vorm van de aarde op de plaatse van het gebied dat moet worden geprojecteerd. Een aantal is ook een geodetische datum, waarmee de geografische coördinaten gedefinieerd worden. Er zijn honderden geodetische data die vaak niet geocentrisch zijn om lokaal goed aan te sluiten bij de geoïde en daarmee niet wereldwijd bruikbaar, zoals het nog veel in Europa gebruikte ED50. Met de komst van Transit, het eerste systeem voor satellietnavigatie dat bovendien overal op de wereld kon worden gebruikt, ontstond de behoefte aan een geocentrische datum. Dit werd het World Geodetic System, waarvan de laatste versie WGS 84 is. GLONASS gebruikt PZ 90. Behalve de horizontale coördinaten, definieert de geodetische datum ook een hoogte die niet noodzakelijk overeenkomt met het reductievlak dat wordt gebruikt door de zeekaart.

Onderling kunnen deze datums behoorlijk van elkaar verschillen. Posities die worden verkregen via elektronische navigatie als GPS kunnen dan ook niet zonder meer in de kaart worden gezet. Als de datum van de navigatie-apparatuur niet gelijk is aan die van de kaart, dan zal er eerst een correctie moeten worden toegepast. Veel GPS-ontvangers kunnen met een transformatieformule een datumconversie uitvoeren, waarbij het Bursa-Wolf-model veel wordt gebruikt. Ook kan niet zonder meer een positie van de ene kaart worden overgenomen in een andere kaart. Bij oude kaarten zonder geodetische datum moeten posities overgezet worden aan de hand van een peiling en afstand tot een kenbaar punt. GPS-posities kunnen hier een verschil hebben van enkele mijlen. Ook bij andere kaarten kan de navigatie-apparatuur nauwkeuriger zijn dan de kaart.

De Admiraltykaarten worden allemaal omgezet naar WGS 84. Dit loopt al vele jaren en zal ook nog jaren duren, vooral bij kaarten waarvoor het verband tussen de bestaande opnemingen en WGS 84 moet worden vastgesteld.

Projectie De volgende omzetting is die van de ellipsoïde naar het platte vlak van de zeekaart, met vaak de bol als tussenstap. Om dit te bereiken zijn er verschillende kaartconstructies, niet helemaal correct kaartprojecties genoemd. De projecties zijn onder te verdelen in drie groepen, met elk voor zeekaarten relevante projecties: de azimutale projectie: de gnomonische projectie de afstandsgetrouwe azimutale projectie de hoekgetrouwe azimutale projectie de kegelprojectie: de hoekgetrouwe kegelprojectie de cilinderprojectie de mercatorprojectie of normale conforme projectie de universele transversale mercatorprojectie de middelbreedtekaart.

Alle omzettingen leiden tot vervormingen. Dit kunnen hoek-, lengte- en oppervlaktevervormingen zijn. Bij afylactische projecties treden deze allen tegelijk op. Er zijn echter projecties waarbij een van deze niet vervormt. Bij hoekgetrouwe projecties spreekt men van conformiteit, bij oppervlaktegetrouwe projecties van equivalentie en bij afstandsgetrouwe projecties van equidistantie. Afhankelijk van de locatie en aan welke eigenschap de voorkeur wordt gegeven, kiest men een projectie.

Voor de navigatie bestaan deze eisen uit: conformiteit, de loxodroom moet een rechte lijn zijn, de grootcirkel moet een rechte lijn zijn en een geringe schaalverandering.

De mercatorprojectie voldoet aan de eerste twee eisen en op niet te hoge breedte ook aan de laatste. De Lambertprojectie voldoet aan de eerste en de laatste eis en afhankelijk van de breedte ook redelijk aan de tweede eis. Aan de tweede en derde eis kan nooit tegelijkertijd voldaan worden. De meeste navigatiekaarten zijn mercatorkaarten.

Internationale zeekaart De hydrografische diensten wereldwijd maken zeekaarten van de nationale wateren. Maar enkele landen hebben een wereldwijd dekkende kaartenserie. De meest gebruikte zijn de Britse Admiraltykaarten, andere zijn de Russische GUNiO-kaarten, de Franse SHOM-kaartenService hydrographique et océanographique de la marine en de Amerikaanse NGA/NOAA-kaarten.NGA voor National Geospatial-Intelligence Agency Duitsland en Japan hebben ook grote kaartseries, hoewel niet werelddekkend. In de achttiende eeuw had de Republiek nog een complete wereldserie, deels van de VOC en deels van Gerard van Keulen.