thumb|Een Romeins soldaat leidt krijgsgevangenen weg in kettingen (reliëf uit Smyrna.) Slavernij (Latijn: servitus of servitium, van servus, "slaaf"; naast serva voor "slavin" werd ook wel de term ancilla gebruikt) was in het oude Rome een vrij laat fenomeen. Servi was de algemene naam van de Romeinse slaven. Als bedienden heetten zij familiares of als groep familiaUlpianus, Digesta 50 tit. 16 § 40. in de huislijke kring pueri, als een zakelijke eigendom mancipium.
Juridische status
Slaaf worden Men kon op twee manieren slaaf worden:
1) door geboren te worden als een slavin/slaaf,Gaius, Gaii Institutiones II 82.
2) door verlies van de vroegere vrijheid, a) door krijgsgevangenschap, immers de gevangenen werden van staatswege sub hasta of sub corona (met een krans om het hoofdAulus Gellius, Noctes Atticae VI 4; Livius, V 22; Caesar, De Bello Gallico III 16.) verkocht; b) door verkoop van de incensus (persoon die zijn census niet had betaaldCicero, Divinatio in Caecilium 34.) of van hem die zich aan de krijgsdienst onttrok;Cicero, Pro Caecina 34. c) door verkoop van de addictus door de schuldeiser (zie: manus injectio);Livius, III 44-48. d) door veroordeling ter dood, daar iedere vrije voor de voltrekking van de doodstraf, slaaf werd.
Als slaaf vrijgelaten worden Slavernij hield op door postliminium,Cicero, Topica VIII 36; Ulpianus, Digesta XLIX 15.19, 21, 30; Codex Iustinianus VIII 51.12 door manumissio, door vrijverklaring van de overheden, bijvoorbeeld ter beloning voor het aangeven van een misdaad,Codex Theodosianus tit. 21 § 2. enzovoorts. Een vrijgelaten slaaf werd libertus genoemd.
De slaaf als eigendom
De heer, aan wie de slaaf door geboorte toebehoorde, of die hem door koop had verkregen (van slavenhandelaars, mangones), bezat over hem het eigendomsrecht, zoals over een voorwerp (vandaar mancipium), en kon de slaaf naar willekeur verkopen, pijnigen, doden, totdat de lex Petronia de servisUlpianus, Digesta XLVIII 8 tit. 11 § 2. en meer wetten van Antoninus Pius,Gaius, Gaii Institutiones I 52, &c. alsook enige Senatus Consulta de willekeur van de heer zo beperkten, dat hij wegens het doden van een slaaf kon worden gestraft.Suetonius, Claudius 25.
Oorspronkelijk was de meester ook zelf rechter over de slaaf. De straffen waren verwijzing naar het land in het ergastulum,Livius, VII 4, Cicero, ad familiares XI 10.13, Iuvenalis, VIII 180, Columella, XI 1.22. arbeid in het pistrinum,Plinius maior, Historia Naturalis XVIII 2, Terentius, Andriae prologus I 2.28, Plautus, Asinaria I 1.16. geselslagen met roeden of riemen, brandmerken,Martialis, VIII 75.9. kruisiging, ...
Later was in grotere misdaden de overheid rechter.
De toestand van de slaven was alzo zeer hard, de zeden brachten hierin allengs verzachting aan, en een slechte behandeling van slaven werd door de censor bestraft.
Wat de slaaf verkreeg, behoorde aan zijn heer,Gaius, Gaii Institutiones I 52. met uitzondering van het peculium.
Slavennamen en afkomst van slaven De namen van de slaven waren dikwijls ontleend aan het land van hun afkomst (bv. Phryx, Cappadox) of aan oude helden (bv. Achilles, Priamus, Pollux, ...), of aan planten en stenen (bv. Amiantus, Sardonyx).
Oudtijds noemde men verscheidene slaven naar hun heer (bv. Caipor (d.i. Gaii puer), LuciporQuintilianus, De Institutione oratoria I 4.7; Plinius maior, Naturalis Historia XXXIII 26.).
De meeste waren afkomstig uit Gallië, Hispania, Griekenland en Azië. De Aethiopes waren veel gezocht.
Dagelijks leven In de oudste tijden aten zij gemeenschappelijk met hun heer.Plutarchus, Coriolanus 24, vgl. Plinius maior, Naturalis Historia XXXIII 26. Later ontvingen zij maandelijks (menstruumPlautus, Stichus I 2.3.) of dagelijks (diariumHoratius, Epistolae I 14.41; Martialis, XI 108.) een hoeveelheid graan,Aelius Donatus, in Terentium Phormio I 1.9; Seneca, Epistulae 80; Horatius, Satirae I 5.69. vijgen, olijven, wijnCato maior, De agri cultura 57. en azijn (demensum).
De kleding verschilde niet van die van de armere burgers en bestond uit een grove, bonte tunica.Cicero, in Pisonem 38.
Slavenopstanden De vroegere trouw en gehechtheid van de slaaf aan zijn meester, werd in de tijden van het toenemend zedenbederf steeds minder, de slaven werden verbitterd tegen hun heren en kwamen daarom dikwijls in opstand. De bekendste is waarschijnlijk deze onder leiding van de voormalige gladiator Spartacus, die van 73 v.Chr. tot 71 v.Chr. voor een golf van paniek onder de Romeinse bevolking zorgde.
Soorten slaven In de vroegste tijden waren de slavenfamilies maar klein. Later hield men in voorname huizen gehele scharen (greges ancillarum (d.i. groepen van slavinnen), legiones mancipiorum (d.i. troepen van slavenPlinius maior, Naturalis Historia XXXIII 26.)), zodat zij in decuriae (d.i. een groep van tien personenPetronius, Satyricon 47.) werden ingedeeld en nomenclatores (d.i. namenroeper, een slaaf die voor zijn meester de namen van de andere slaven onthield) onmisbaar werden.
Met betrekking tot hun verblijf in de stad of op de villae en in de latifundia, was de slavenfamilie verdeeld in urbana en rustica.Ulpianus, Digesta 50 tit. 16 § 166.
Volgens rang en bezigheid waren er vier klassen:Ulpianus, Digesta 47 tit. 10 § 15.
Ordinarii De ordinarii zijn de honestiores, met het vertrouwen van hun meesters vereerd en met het opzicht over het huishouden, de kas, enzovoorts belast. Deze hielden ook vicarii bij zich, dit zijn slaven die hen bijstonden in hun taak.
Onder de ordinarii staat bovenaan de procurator (die het vermogen,geld en de goederen beheerde), vervolgens de actor (te vergelijken met een villicus, een opzichter en bestuurder van de villa), dispensator (kashouder, die verantwoording moest afleggen aan zijn meesterSuetonius, Galba 12, Vespasianus 22.), atriensis (d.i. "opzichter van het atrium").
Hieronder behoort ook nog de cellarius of provisiemeester, de negotiatores, die voor hun meester handel dreven in de provinciae, de insularii, die de huur invorderden in de grote verhuurde wooneilanden (zie: insula (woning)), en ten slotte de in wetenschap en kunst bedreven slaven, met name die voor het bouwen, timmeren en verfraaien van het huis zorg droegen (fabri, tectores, pictores, caelatores, statuarii, pavimentarii, topiarii, viridarii, aquarii, sculptores, ...), die over de bibliotheek en kunstverzamelingen waren aangesteld en de briefwisseling van hun heer voerden (a bibliotheca, a statuis, literati, anagnostae, notarii, librarii, ab epistolis), de opvoeders van de kinderen (paedagogus) en de huisartsen (medici).
Lager stonden de slaven die slechts tot vermaak dienden, zoals de symphoniaci, de gladiatoren, mimespelers, toneelspelers, koorddansers (petauristae, funambuli, schoenobatae) en de misvormde moriones (narren) en nani (dwergen).
Vulgares thumb|275px|Twee slavinnen (ancillae) assisteren hun meesters bij haar toilet (mozaïek). De vulgares verrichtten gemene diensten, binnen- en buitenshuis, zoals de ianitor of ostiarius, de cubicularii (die de gasten aanmeldden), de stoet van slaven die de heer, als hij uitging, volgden (pedisequi; bijvoorbeeld anteambulones, lecticarii of draagstoeldragers, cursores (boodschappers), voorrijders).
In huis dienden de voor de tafel zorg dragende postores, coqui, fartores, obsonatores, structores, scissores, pocillatores en zij die voor de kleding, garderobe en het toilet van de meester moesten zorgen, de textores, vestiarii, vestifici, lanificae, a veste, custodes auri, ornatrices, tonsores, ciniflones en cinerarii, unctores, unguentarii, balneatores.
Mediastini De mediastini schijnen de laagste vulgares te zijn geweest, die het meest gemene werk moesten verrichten, zoals boenen, vegen, enzovoorts. Ook de pollinctores van de libitinarii (lijkwassers) en de balneatores (badmeesters) in de thermae zullen tot dezelfde categorie hebben behoord.
Quales-Quales De quales-quales worden enkele vermeld in de Digesta en schijnen de laagste klasse van slaven te zijn geweest, al is het niet duidelijk hoe ze precies verschilden van de mediastini.
Romeinse visie op slavernij
De meeste Romeinen hadden geen morele bezwaren tegen slavernij. Voor velen was slavernij dan ook een alledaags gegeven, waar men niet bij stil stond of ter discussie stelde. In de periode van de Late Republiek begonnen enkele filosofen - in het bijzonder stoïcijnen - bij de behandeling van slaven vraagtekens te zetten.
Externe link , Die Sklaven, ewetel.net (1999).
Noten
Categorie:Romeinse oudheid Romeinse Rijk