thumb|Ds. G.H. Kersten was de stuwende kracht achter het ontstaan van de Gereformeerde Gemeenten in 1907thumb|Gereformeerde Gemeente Amsterdam thumb|Gereformeerde Gemeente te Barendrecht thumb|Gereformeerde Gemeente te Tholen thumb|Elimkerk te 's-Gravenpolder thumb|Kerkzaal Jachin en Boazkerk te Genemuiden De Gereformeerde Gemeenten (GG) vormen sinds 1907 een kerkgenootschap binnen het protestantisme in Nederland. Het ontstaan van het kerkverband is te verklaren uit de Afscheiding van 1834, toen door het hele land heen verschillende groepen de Nederlandse Hervormde Kerk verlieten. Een reden hiervoor lag in de preektrant en liturgie van vele hervormde voorgangers die sinds 1816 niet meer strikt gebonden waren aan de gereformeerde belijdenis: de Drie Formulieren van Enigheid. In 1869 verenigden twee afgescheiden groeperingen zich tot één kerkverband: de Christelijke Gereformeerde Kerk. (In 1892 ging dit kerkverband door opnieuw een vereniging grotendeels op in de Gereformeerde Kerken in Nederland). In 1869 hadden enkele gemeenten (Enkhuizen, Lisse en Tricht) besloten om niet met de vereniging mee te gaan. Rondom de predikanten E. Fransen en Cornelis van den Oever (1802-1877) vormde zich een kring van gemeenten, maar onderling was er weinig samenhang.

In 1907 ontstond onder leiding van de predikant G.H. Kersten het kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten door een vereniging van de Gereformeerde Gemeenten onder het kruis (14 gemeenten) met de ledeboeriaanse gemeenten (22 gemeenten). Het kerkverband telde op 31 december 2025 106.325 leden, verdeeld over 151 plaatselijke gemeenten en bediend door 68 predikanten.

Geschiedenis Elias Fransen en de Gereformeerde Gemeenten onder het kruis In 1890 ontstond er rondom E. Fransen, predikant in Kampen, een kring van gemeenten die zich de Vereenigde Gereformeerde Gemeenten noemden. Fransen publiceerde verschillende prekenbundels en verhandelingen. In zijn brieven aan geestelijke vrienden klaagde hij over een ''hedendaags christendom dat zich met een beredeneerd geloof kan troosten." Hij was tegenstander van een theologische opleiding voor predikanten en voelde zich niet aan bepaalde kerkordelijke regelingen gebonden. In 1906 nam men de naam aan van Gereformeerde Gemeenten onder het kruis. In 1894 trad de Gereformeerde Kerk in Opheusden (ontstaan uit de Doleantie) toe met haar oefenaar C. Pieneman (1863-1912). Toen Fransen in juni 1898 overleed telde het kerkverband tien gemeenten gediend door drie predikanten. Behalve Pieneman waren dit de predikanten A. Janse (1858-1920) en H. Roelofsen (1852-1930). In 1899 sloot de vrije Gereformeerde Kerk onder het Kruis van Rotterdam-Charlois zich aan met J.R. van Oordt (1859-1942) als predikant.

In 1905 bestond het kerkverband uit de volgende gemeenten: Barneveld, Kampen, Lisse, Meliskerke, Rotterdam, Beekbergen, Charlois, Opheusden, Rijssen-Esch, Tricht, Twello en Westzaan.

De ledeboeriaanse gemeenten De ledeboeriaanse gemeenten concentreerden zich in Zuid-Holland en Zeeland. Op 26 januari 1841 was L. G. C. Ledeboer in Benthuizen afgezet als predikant van de Nederlandse Hervormde Kerk. Ledeboer zocht contact met de afgescheidenen maar keerde zich later van hen af. De synode van de Christelijke Afgescheiden Kerk van 1846 constateerde "dat Ledeboer zich afzijdig hield en dat er overal gemeenten gesticht werden die zich naar hem noemden." Ledeboer verklaarde "dat hij ter oorzaak van het verzoek om vrijheid van godsdienst zich niet met de afgescheidenen kon verenigen."

Kenmerkend voor de ledeboeriaanse gemeenten was de handhaving van de psalmberijming van Datheen en het traditionele ambtsgewaad: de kuitbroek en de bef. Na het overlijden van Ledeboer ontstond er tussen de ledeboeriaanse predikanten P. van Dijke in St. Philipsland en D. Bakker (1821- 1885) in 's-Gravenpolder een conflict. Als gevolg hiervan leefde men in een tweetal groepen verder: de bakkerianen en de dijkianen.

Kersten predikant van de kruisgemeente in Meliskerke, wist met medewerking van zijn ledeboeriaanse collega N. H. Beversluis, een vereniging te bewerkstelligen tussen de kruisgemeenten (rondom Fransen) en de ledeboeriaanse gemeenten (tak ds. P. van Dijke). Beide groeperingen leefden bij de geestelijke nalatenschap van de oude schrijvers uit de 17de en 18de eeuw, maar vooral praktische obstakels hield hen gescheiden. In 1905 waren de besprekingen tussen beide kerkelijke groeperingen ten einde gekomen. Op 4 en 5 juni 1907 was een delegatie namens de kruisgemeenten aanwezig op de Algemene Vergadering van de ledeboeriaanse gemeenten in Middelburg, om de laatste bezwaren weg nemen. De kruisgemeenten deden het voorstel om de psalmen van Datheen in alle classisvergaderingen en synodale bijeenkomsten te gebruiken, "opdat geen der broeders uit uwen kring in hun gemoed bezwaard worden." "Bovendien zullen onze leeraars in uwe kerken volgaarne gebruik maken van de oude psalmberijming, terwijl uwe leeraars dienstdoende in onze gemeenten volkomenlijk de vrijheid verleend wordt de oude berijming op den kansel te gebruiken." Op 9 en 10 oktober 1907 werd op een Algemene Vergadering in Rotterdam het ontstaan van de Gereformeerde Gemeenten bekrachtigd. De naam van het officieel orgaan van de Gereformeerde Gemeenten, het weekblad De Saambinder, dat in november 1919 voor het eerst verschijnt, refereert aan deze gebeurtenis.

Periode 1907-1931 Opbouw van de organisatie Kersten die nadien de gemeenten van Rotterdam (1906-1912), Yerseke (1912-1926) en nogmaals Rotterdam (1926-1948) diende, vervulde tot na de Tweede Wereldoorlog een gezichtsbepalende rol in het kerkverband. Onder zijn leiding werden hervormingen ter hand genomen. Veel gemeenten waren het naleven van een kerkorde niet meer gewend. In 1908 publiceerde Kersten de brochure De Tucht in de Kerke Christi. Kersten gaf ook een toelichting op de Gereformeerde Dogmatiek uit, waarin hij citeerde uit werken van gereformeerde dogmatici zoals Kuyper, Bavinck en Honig, maar ook aansluiting zocht bij theologen uit de tijd van de Reformatie en Nadere Reformatie. Zijn verklaring van de Heidelbergse Catechismus kreeg een belijnd dogmatisch karakter.

Kersten wees op misvattingen in eigen kring. In een artikelenserie in De Saambinder (verschenen tussen 28 april 1927 en 13 juni 1929) en later verschenen in boekvorm onder de titel Meer dan overwinnaars, waarschuwde hij voor het bouwen op gevoelens. "Maar als dan ook onze ziel geen behoefte aan Christus heeft, werpt dan al uw bevindingen weg; zij zijn slechts misleidingen, voortgekomen uit een benauwde consciëntie; zij missen het stempel van Gods werk te zijn." "Tekort zullen zijn uw tranen, uw gemoedsbewegingen, uw toestandjes; tekort in een woord zal alles zijn wat buiten Christus is om u voor God te bedekken." Kersten voelde zich verwant aan de hervormd-gereformeerde predikant I. Kievit die zich in 1936 uitsprak als voorstander van een voorwerpelijk-onderwerpelijke prediking. Ook voor de christelijk-gereformeerde docenten P.J.M. de Bruin en A. van der Heijden had hij waardering. Kersten spande zich in om het lezen van de oude schrijvers te bevorderen. Een bijzondere voorliefde koesterde hij voor de theoloog Comrie. Zijn wens was een volledige uitgave van diens werken, maar de realisatie daarvan moest voorlopig op zich laten wachten. In het spoor van Kersten hebben ook latere docenten aan de Theologische School, waaronder A. Vergunst en A. Moerkerken de band met de Nadere Reformatie en de theologie van Comrie willen benadrukken.

Kersten wees een allegoriserende tekstverklaring zoals hij die aantrof in preken van sommige kruisdominees af. Aan de andere kant had hij bezwaren tegen de mening van 'Kuyperiaanse predikanten' die zeggen "geen bevinding op de preekstoel." De periode 1907-1930 moet gezien worden tegen de achtergrond van het klimaat destijds binnen de Gereformeerde Kerken in Nederland. In deze kerken was sprake van een zeker 'triomfantelijk calvinisme' waarbij de theorie van de veronderstelde wedergeboorte een rol speelde. Kersten benadrukte in zijn preken onvermoeibaar de noodzaak van "hartsvernieuwende genade".

"Beproef uzelf of u in waarheid uzelf door de ontdekking van de Heilige Geest hebt leren mishagen vanwege de zonde en of u door het geloof in Christus verzoening heeft mogen vinden, daarvan getuigenis geven in een heilige wandel. Ik moet u met de sleutel van het Woord des Heeren uitsluiten van de tafel des Verbonds, al is uw leven en belijdenis onberispelijk, zodat de sleutel van de ban op u niet van toepassing is. Er zijn twee sleutels van het Koninkrijk des Hemelen en met de verkondiging van het Woord moet elke getrouwe dienaar van Christus hen uitsluiten, die geen kennis hebben aan de wederbarende genade van God."

De periode 1930-1950 moet gezien worden in het kader van de opkomst van nieuwe gereformeerde stromingen, waaronder J. G. Woelderink en K. Schilder (de geestelijke vader van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt). Deze theologen verwierpen evenals Kersten de theorie van de veronderstelde wedergeboorte, maar hadden een sterke objectieve inslag (de eis om te geloven) en weinig oog voor het z.g. onderwerpelijke (noodzaak werk van de Heilige Geest). In deze periode werd ook de strijd over de z.g. 'twee- of drie-verbondenleer' gevoerd, die in 1928 begon.

Theologische School Ook de gedachte dat predikanten het zonder studie kunnen stellen wees Kersten stellig af. Het verschijnsel om tekst en preek af te wachten tot voor de trap van de preekstoel, sprak tot de verbeelding binnen de kruisgemeenten rondom Fransen en de ledeboeriaanse gemeenten. Ledeboer maakte studie van zijn preken en wilde ook een zekere orde in het kerkelijk leven handhaven, maar onder zijn navolgers vervielen er in de liefde voor het buitengewone. Ook na 1907 konden niet allen zich vinden in de noodzaak van een theologische opleiding, waaronder J. Fraanje. Dit was een predikant die destijds veel achting genoot. Een theologische school werd in de volksmond aangeduid als een "domineesfabriek." De oprichting van een eigen Theologische School was voor Kersten echter een principieel punt.

In 1913 kwam W. den Hengst vanuit de Gereformeerde Kerken als predikant in Veenendaal over naar het kerkverband. Een geestelijke verandering was hier aan vooraf gegaan. Vanwege de veranderde inhoud van zijn preken werd hij door zijn collega's beschuldigd van "het bedrijven van mystiek." Den Hengst verdedigde zich en verwees naar J. van Lodenstein, J. Koelman, Th. Goodwin, W. à Brakel, Th. Boston, Th. van der Groe. "Mannen die in het leven der genade beproefd en geoefend waren." Op last van de synode was Den Hengst in de periode 1916-1926 begonnen, vanuit zijn woning in Leiden, theologisch onderwijs te geven aan een eerste generatie predikanten, waaronder G. van Reenen (1864-1935), A. de Blois (1887-1971), J. Overduin (1881-1961), R. Kok, W. C. Lamain (1904-1984) en M. Heikoop (1890-1944). Den Hengst moest wegens zijn gezondheid in 1926 als docent bedanken en overleed op 7 juni 1927.

In juni 1923 had Den Hengst de noodzaak van een officiële theologische opleiding aan de orde gesteld en Kersten zette zich in voor de daadwerkelijke realisatie. In 1925 kon hij schrijven: "Ik beken eerlijk, de opleiding zoals wij die zullen krijgen naar ik hoop van de synode is slechts lapwerk. De volle bekwaammaking zo onze vaderen die kenden, zal ons zeer verre ontbreken. Dat bekennen is mij droevig. Maar toch het weinige dat ik mij voorgesteld heb te bereiken, is iets ten goede." Op 13 januari 1927 werd door ds. H. Kieviet de opening van de Theologische School in Rotterdam verricht. Kersten was in 1928 ingenomen met de overkomst van J.D. Barth (1871-1942), een predikant die de rol van docent zou kunnen vervullen. Maar wegens gezondheidsredenen was deze predikant daar niet toe in staat. Hierna kwam Kersten in contact met C. Steenblok, in 1941 tot doctor in de theologie gepromoveerd op een onderzoek naar de opvattingen over de zondagsheiliging van G. Voetius.

Zending