De caracal (Caracal caracal) is een slanke, middelgrote, niet gevlekte kat van 6–22 kg met een korte staart en lange oorpluimen. Het dier leeft afhankelijk van het leefgebied van verschillende prooisoorten, voornamelijk knaagdieren en vogels. De caracal komt voor in heel Afrika, het Arabisch Schiereiland, het Midden-Oosten, Centraal- en Zuidwest-Azië tot op het Indiase subcontinent. Hij leeft in droge bossen, savannes, struikgewas, heuvelachtige steppen en dorre bergachtige streken. De soort staat wereldwijd op de lijst van de IUCN als niet-bedreigde soort, ondanks dat er weinig bekend is over de populatieontwikkeling in het grootste deel van zijn verspreidingsgebied. Onder CITES staan de Aziatische populaties in bijlage I en Afrikaanse populaties in bijlage II.
Beschrijving De kop-romplengte van een volwassen caracal is 61–106 cm, waarbij de grootste individuen uit Zuid-Afrika komen en de kleinste uit Israël en de Sahara. De heup staat is iets hoger dan de schoft van ongeveer 46 cm. De caracal heeft een staart van 18–34 cm, die recht naar beneden bungelt en relatief kort en robuust is in vergelijking met die van de meeste andere katachtigen. De meeste exemplaren hebben harige voeten, en dieren uit de Karakum-woestijn in Turkmenistan hebben stijve, borstelige haren onder de voeten. Alle voeten hebben vier teenkussens en zijn doorgaans 5–6 cm lang en 4–5 cm breed. Het gewichten van de volwassen dieren variëren tussen 5,8 en 22 kg afhankelijk van de regio en het geslacht. Volwassen mannetjes wegen gemiddeld 12,7 kg en de vrouwtjes 10,1 kg. De vacht van de caracal is egaal goudkleurig of roodbruin op de rug en dat verklaart de Afrikaanse naam rooikat. De buik heeft een crème vacht met oranje of bruine vlekken, en de binnenkant van de benen is bleek. De variatie in kleur binnen de soort is klein, maar vrouwtjes zijn over het algemeen iets lichter van kleur, net zoals dieren uit drogere streken. Melanistische individuen zijn waargenomen in Kenia en Oeganda. De dekharen zijn 15–30 mm lang. De vacht kan dikker worden in het koude seizoen. De kop is nogal hoekig en opvallend getekend. De ogen zijn gewoonlijk schitterend groen of geel, en soms blauw van kleur. De ogen zijn omlijnd door een kenmerkende donkere veeg, die van boven het oog naar beneden langs de traanlijn en de neus loopt. De caracal heeft een verlaagd bovenooglid. Dit zijn waarschijnlijk aanpassingen tegen verblinding door fel zonlicht. Op de kin, keel, bovenlip en rond de ogen is de vacht wittig. De ogen en lippen zijn vaak bekleed met zwart. De grote, spitse oren zijn tot 8 cm lang inclusief de pluimen. Er is gesuggereerd dat de opvallende oren een rol spelen bij de communicatie tussen soortgenoten.
Anatomie De schedel van de caracal is 10–15 cm lang, hoog en afgerond, met een lange gehoorgang, een goed ontwikkelde kam over het midden van de kop en een sterke onderkaak. Het dier heeft maximaal 30, relatief grote, goed geëmailleerde tanden. Hij heeft grote, tot ongeveer 2 cm lange, conische hoektanden en de ruimte tussen de hoektanden en de voorste valse kiezen zorgt ervoor dat de hoektanden er langs kunnen schuiven en de bek volledig gesloten kan worden. Veruit de meeste volwassen caracals missen in de bovenkaak de tweede valse kiezen terwijl de ware kiezen zeer klein zijn. De tandformule van C. caracal is , dat wil zeggen zes snijtanden, twee hoektanden, vier of soms zes valse kiezen en twee ware kiezen in de bovenkaak en zes snijtanden, twee hoektanden, vier valse kiezen en twee ware kiezen in de onderkaak.
Aanpassingen aan de leefwijze De spiervezels van de caracal zijn drie keer krachtiger dan die van mensen. Dankzij de krachtige achterhand, kan de caracal verticaal meer dan 3 m in de lucht springen om vogels te vangen. Relatief grote poten met stijve haren aan de onderkant maken het eenvoudiger om op een zachte ondergrond, zoals zand, te bewegen en bieden bescherming tegen hete oppervlakken. De voorpoot heeft een vijfde teen, een zogenoemde hubertusklauw die nuttig is bij de jacht.
Verschillen met andere soorten De vacht is kort en roodachtig tot crèmekleurig, zonder vlekken. De caracal is een slanke, middelgrote kat met een korte staart en lange oorpluimen. Geen enkele andere Afrikaanse katachtige heeft duidelijke oorpluimen. De kleur van de vacht is uniform roodbruin in zuidelijk Afrika, maar kan in Azië en op het Arabische schiereiland chocolade zijn. De caracal komt in zuidelijk Afrika in hetzelfde gebied voor als de leeuw (Panthera leo), luipaard (Panthera pardus), cheeta (Acinonyx jubatus), serval (Leptailurus serval), Afrikaanse wilde kat (Felis lybica) en zwartvoetkat (Felis nigripes). Met het verspreidingsgebied van zijn nauwste verwant, de Afrikaanse goudkat is ook wel wat overlap, maar die soort komt alleen voor in vochtige regenwouden die de caracal mijdt. De caracal heeft driehoekige oren met zwarte rug en lange zwarte pluimen op de punt, de goudkat heeft kortere oren die zowel aan de voor- als aan de achterkant zwart zijn. De staart van de caracal is overal zandkleurig tot goudrood, hangt recht naar beneden en bereikt de hielen niet. De langere staart van de Afrikaanse goudkat heeft een zwarte punt waarvan de punt wegbuigt van het lichaam, waarbij het onderste deel van de staart de hielen wel bereikt.
Taxonomie thumb|Tekening van Jean-Charles Werner, eerste helft 19e eeuw
In 1761 beschreef Georges-Louis Leclerc de Buffon het dier in zijn Histoire Naturelle, généralle et particuliere, avec la Description du Cabinet du Roi. Tome IX onder de naam caracal, een verwijzing naar Karrah-kulak of Kara-coulac, de Turkse naam voor het dier, wat letterlijk "zwartoor" betekent. Andere volksnamen voor de caracal zijn African lynx, caracal lynx, desert lynx, karakal, red cat en red lynx in het Engels, en rooikat in het Afrikaans. De caracal kreeg in het jaar 1776 voor het eerst een wetenschappelijke naam, van de Duitse medicus en natuurvorser Johann Christian von Schreber, op basis van een exemplaar afkomstig van het Vorgebirge der guten Hofnung, waarmee hij waarschijnlijk de Tafelberg bij Kaapstad in Zuid-Afrika bedoelde. Hij noemde de soort Felis caracal. In datzelfde jaar beschreef de eveneens Duitse zoöloog Philipp Ludwig Statius Müller de caracal ook onder de naam Felis caracal, maar hij baseerde zich op een exemplaar afkomstig uit “Arabia”, waarschijnlijk de omgeving van Constantine in het huidige Algerije. In 1829 beschreef Johann Baptist Fischer drie ondersoorten, namelijk F. caracal algiricus, F. caracal nubica en F. caracal bengalensis. Deze laatste naam was overigens niet beschikbaar omdat de Bengaalse tijgerkat al in 1792 de naam Felis bengalensis had gekregen van Robert Kerr. Ook Johann Andreas Wagner onderscheidde een vorm uit de Magreb die hij F. caracal var. algira noemde. In 1843 stelde de Britse zoöloog John Edward Gray voor om de soort te plaatsen in een nieuw geslacht Caracal. Hij stelde voor om Schrebers naam te vervangen door Caracal melanotis, een ongeldig voorstel omdat de soortnaam caracal al was gegeven aan het dier en in de zoölogie het is toegestaan dat de geslachtsnaam en soortnaam identiek zijn. In 1885 beschreef Alphonse Trémeau de Rochebrune een exemplaar uit het noorden van Angola en gaf de naam Lynx lucani. In 1892 stelde Paul Matschie zowel voor het eerst de huidige combinatie Caracal caracal voor, als dat hij de vorm uit de Magreb als eigen soort onderscheidde en deze Caracal berberorum noemde. In 1912 kwam Matschie kennelijk terug op het idee dat de caracal niet in het geslacht Felis thuis zou horen en onderscheidde hij verschillende vormen in het ondergeslacht Felis (Caracal), namelijk F. (Caracal) berberorum spatzi en F. (Caracal) berberorum medjerdae, beide uit Tunesië, F. (Caracal) nubicus corylinus uit Marokko, F. (Caracal) caracal schmitzi uit Israel, en F. (Caracal) caracal aharonii uit Irak. In 1921 beschreven Oldfield Thomas en Martin Hinton C. caracal poecilotis op basis van een exemplaar uit Niger. In 1926 voegde diezelfde Thomas daar nog C. caracal coloniæ uit Zuid-Africa aan toe. Austin Roberts meende in 1926 dat de caracal thuishoorde in het zelfde geslacht als de lynx en hij onderscheidde drie vormen, namelijk Lynx caracal roothi uit de Drakensbergen, L. caracal limpopoensis nabij de Limpopo rivier, en L. caracal damarensis uit Namibië. De Russische zoöloog Vladimir Georgievich Geptner beschreef in 1945 een vorm uit Turkmenistan onder de naam Felis (Caracal) caracal michaëlis.
Verwantschap en fossielen Onderzoek aan de overeenkomsten van het DNA heeft de verwantschap tussen de verschillende katachtigen verduidelijkt. De caracal is het meest verwant aan de Afrikaanse goudkat, en iets minder aan de serval. De onderstaande figuur is een weergave van de huidige inzichten in die verwantschap.
De gemeenschappelijke voorouder van alle levende katten (familie Felidae) is ontstaan tegen het einde van het Eoceen. De moderne katachtigen ontstonden omstreeks 11 miljoen jaar geleden in Azië. De stamouder van de groep waartoe ook de caracal wordt gerekend arriveerde tussen de achtenhalf en vijfenhalf miljoen jaar geleden in Afrika. De oudste fossielen die aan deze groep worden toegeschreven zijn ongeveer 4 miljoen jaar oud en zijn gevonden in oostelijk en zuidelijk Afrika. Biometrisch onderzoek suggereert dat de fossielen van "Felis" issiodorensis, waarvan eerder werd aangenomen dat ze tot het geslacht Lynx zouden behoren, misschien beter op z'n plaats zijn in de groep van de caracal, Afrikaanse goudkat en serval.
Gedrag Jacht