Triceratops (meervoud: triceratopsen, triceratopia in het Neolatijn) is een geslacht van uitgestorven plantenetende ornithischische dinosauriërs uit de groep van de Ceratopia, dat tijdens het Laat-Krijt, in het Maastrichtien, leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika.
De eerste resten van Triceratops werden rond 1867 gevonden in de Verenigde Staten van Amerika, in de plaats Golden. In 1889 kreeg het geslacht van de beroemde professor Othniel Charles Marsh zijn naam, die 'driehoorngezicht' betekent. De eerstbenoemde soort is Triceratops horridus. Later werden er veel meer fossielen van opgegraven die allemaal een beetje in vorm verschilden. Marsh en andere geleerden zouden daarvoor nog eens zestien soorten benoemen. Tegenwoordig denken de wetenschappers dat het bij de meeste hiervan niet om aparte soorten gaat. Misschien is alleen T. horridus echt. Het kan zijn dat er nog een tweede soort was: T. prorsus.
Door de vele vondsten is de bouw van het dier goed bekend. Triceratops was erg groot. Hij kon negen meter lang, drie meter hoog en dertien ton zwaar worden. Hij had een enorme kop, een korte stevige nek, een gedrongen smalle romp en een korte staart die een beetje afhing maar niet over de grond sleepte. De huid was bedekt met schubben waarvan de kleur onbekend is. Het lichaam rustte op vier poten die zeer zwaar gespierd waren. De stand van de achterpoten was recht. De voorpoten stonden meer gespreid met de ellebogen iets naar buiten gericht. De binnenste vingers en tenen droegen kleine hoefvormige nagels. De kop was langwerpig. Op de achterkant van de schedel groeide een breed beenschild dat tot over de nek en schouders liep. Boven de ogen stonden twee lange hoorns. Een derde, kortere, hoorn was op de neus geplaatst. De smalle snuit droeg een scherpe hoornsnavel. Daarmee rukte Triceratops struiken uit de grond die door scherpe rijen kleine tanden in stukken geknipt werden. Die werden meteen doorgeslikt en in de grote buikholte verder verteerd.
De geleerden zijn het er niet over eens waartoe het nekschild en de hoorns dienden. Ze kunnen gebruikt zijn om zich te verdedigen tegen de gigantische Tyrannosaurus rex, het belangrijkste roofdier dat in het leefgebied van Triceratops voorkwam. Die mogelijkheid heeft Triceratops tot een van de bekendste dinosauriërs bij het grote publiek gemaakt. Maar sommige wetenschappers denken dat er alleen onderling mee gevochten werd, om te bepalen wie het sterkst was. Anderen geloven dat ze slechts bedoeld waren om mee te pronken of om de verschillende soorten uit elkaar te houden.
In het gebied in Noord-Amerika waar hij leefde, behoorde Triceratops tot de talrijkste gewervelde planteneters. Hij werd vermoedelijk 66 miljoen jaar geleden aan het eind van het Krijt uitgeroeid door de inslag van een grote meteoriet. Daarmee was Triceratops een van de laatste grote dinosauriërs.
Vondsten en naamgeving Triceratops horridus wordt ontdekt thumb|Marsh benoemde negen triceratopssoorten De eerste vondst van Triceratops werd vermoedelijk in 1867 of 1868 gedaan door ingenieur kapitein Edward Louis Berthoud bij Denver; het bestond uit een stuk hoorn dat indertijd niet als zodanig werd onderkend. Twintig jaar later, in het voorjaar van 1887, vond leraar en amateurpaleontoloog George Lyman Cannon jr. op dezelfde locatie bij Green Mountain Creek, tegenwoordig Lakewood Gulch ten westen van Denver in Colorado, een stuk schedel met twee hoorns van twee voet lengte. Cannon meldde de vondst aan de geoloog Whitman Cross, medewerker van het US Geological Survey. Die zond het fossiel door naar de toen zeer gezaghebbende paleontoloog professor Othniel Charles Marsh, die officieel aan het Geological Survey verbonden was. Hoewel Cross duidelijk had aangegeven dat de vondst gedaan was in lagen uit het Krijt, de Denver Beds, meende Marsh dat het specimen YPMYale Peabody Museum 1871E, tegenwoordig USNMSmithsonian National Museum of Natural History 4739, toebehoorde aan een uitgestorven bizon uit het Plioceen die hij dat jaar nog Bison alticornis doopte. De soortaanduiding betekent 'met hoge hoorns'. Marsh omschreef het dier als 'een van de grootste Amerikaanse runderen, en een dat verre verschilt van welke al beschreven zijn'. In december 1888 werd het hem als eerste duidelijk dat er Ceratopia bestonden toen hij Ceratops beschreef, maar hij legde nog niet de link naar het fossiel van een jaar eerder. left|thumb|YPM 1871E: Bison alticornis In de herfst van 1888 echter had een medewerker van Marsh, John Bell Hatcher, in Douglas, Wyoming, de eigenaar van de Three-Nine Ranch Charles Arthur Guernsey ontmoet, die een van de grootste amateurverzamelaars van fossielen was in de regio. Guernsey liet hem trots een stuk hoorn zien van een halve meter lengte. Een van zijn cowboys, Edmund B. Wilson, was tijdens het veedrijven langs een ravijn verschrikt door de plotse aanblik van een monsterlijke schedel die uit de rotswand stak met 'hoorns zo lang als de steel van een houweel en oogkassen zo groot als je hoed'. Van de schrik bekomen probeerde hij het fossiel voor zijn baas te bergen door een lasso om een van de hoorns te werpen maar de schedel kwam zo plotseling los uit het gesteente dat hij naar de bodem van de kloof tuimelde en Wilson had nog van geluk mogen spreken dat de hoorn daarbij afbrak, anders was hij met paard en al mee de diepte in verdwenen. Toen Hatcher eind 1888 terugkeerde naar Yale University en zijn opdrachtgever Marsh in New Haven, zag hij de fossielen van Ceratops en B. alticornis en begreep dat de drie vondsten van dezelfde diergroep afkomstig waren. Marsh liet Guernsey de hoorn opsturen om te controleren of het geen indianenverhaal was; na ontvangst zond hij onmiddellijk Hatcher weer uit om de hele schedel alsnog te bergen. Die bleek te vinden te zijn bij Buck Creek ten noorden van Lusk, nabij de Johnson Brothers Ranch in lagen van de Laramieformatie uit het Laat-Maastrichtien. Het fossiel met een gewicht van een halve ton kwam begin mei 1889 in Yale aan. Marsh benoemde de schedel, als holotype, naamdragend fossiel, met inventarisnummer YPM 1820, dezelfde maand nog — net op tijd voor de aprileditie van het American Journal of Science — als een tweede soort van Ceratops: C. horridus. Marsh gaf geen etymologie voor de soortaanduiding. Horridus kan in het Latijn 'schrikwekkend' betekenen, en zou dan een verwijzing zijn naar het avontuur van Wilson, maar ook 'ruw', een mogelijke verwijzing naar het ruwe oppervlak van de bovenkant van de schedel dat Marsh in het benoemende artikel vermeldt.
Marsh benoemt nog eens acht soorten thumb|DMNH 48617 Marsh had gepubliceerd nog voor het fossiel te prepareren. Toen hij dat alsnog liet doen, bleek de schedel niet alleen twee hoorns bovenop maar ook één op de snuit te bezitten. Hierop benoemde hij in augustus 1889 een apart geslacht: Triceratops. De geslachtsnaam is afgeleid van het Klassiek Griekse τρι (tri), 'drie', κέρας (keras, genitief keratos), 'hoorn', en ωψ (oops, meervoud oopia), 'gezicht'. Samen: 'gezicht met drie hoorns'. De typesoort is dus Ceratops horridus en de combinatio nova is Triceratops horridus. De hele soortnaam zou, gezien het feit dat het specimen van B. alticornis vermoedelijk van dezelfde soort afkomstig is, eigenlijk T. alticornis moeten zijn maar dat was Marsh indertijd niet geheel duidelijk en hij maakte van B. alticornis een Ceratops alticornis. Tegenwoordig wordt meestal aangenomen dat de resten uit 1887 eigenlijk te slecht zijn voor een betrouwbare identificatie, zodat B. alticornis als een nomen dubium beschouwd wordt. De geldige soortnaam blijft dan Triceratops horridus. Dat Triceratops wel degelijk in de Denver Beds te vinden is, bewijst een vondst in november 2003 van een complete schedel, DMNH 48617. left|thumb|T. prorsus naar Marsh 1891 Hatcher bleef voor Marsh op een vrij beperkte oppervlakte van twintig kilometer in het vierkant in Niobrara County en Converse County opgravingen verrichten. Tussen 1889 en 1891 zou hij er eenendertig triceratopsschedels vinden, die lichte verschillen in vorm vertoonden. Marsh was er altijd al erg op gebrand nieuwe soorten te benoemen — mede om te voorkomen dat concurrenten als Edward Drinker Cope hem voor zouden zijn — en ook bij Triceratops leidde dat tot een snelle toeneming van het aantal taxa. Geen van de nieuwe schedels werd aan T. horridus toegewezen. Al in de publicatie van augustus 1889 werden nog eens twee soorten benoemd: Triceratops flabellatus, 'gevormd als een waaiertje', op basis van schedel YPM 1821, en Triceratops galeus, 'de gehelmde', voor een hoorn en een stuk nekschild, tegenwoordig USNM 2410, die door George Homans Eldridge gevonden waren in Colorado in de Laramieformatie. In december 1889 publiceerde Marsh de eerste afbeelding van een triceratopsschedel, i.c. die van T. flabellatus. In januari 1890 volgden weer twee soorten: Triceratops serratus, 'de gekartelde', op basis van schedel YPM 1823, en Triceratops prorsus, 'de rechtvooruitstekende', voor specimen YPM 1822 met een naar voren stekende hoorn op de neus. In mei 1890 volgde de zesde soort: Triceratops sulcatus, 'de gegroefde' genaamd wegens groeven op de hoorns, op basis van een fragmentarische schedel, tegenwoordig specimen USNM 4276. Marsh meldde ook de vondst van een natuurlijk afgietsel van het brein, dat hij bijzonder klein vond. In februari 1891 publiceerde Marsh meer uitgebreide afbeeldingen; hij had nu voldoende skeletmateriaal om vast te kunnen stellen dat het dier op vier poten liep na eerder nog gedacht te hebben dat een te zwaar geëvolueerde schedel een tweevoeter op de rand van uitsterven gebracht had. In april volgden nog uitgebreidere tekeningen die samen de eerste volledige en enigszins correcte skeletrestauratie van een dinosauriër vormden — in dezelfde publicatie werd ook Brontosaurus op dezelfde wijze gerestaureerd. Tentoonstelling van de skeletten zelf wees Marsh af omdat de kennis te gering zou zijn om dat op betrouwbare wijze uit te voeren. Zijn eigen tekening toonde aan dat die voorzichtigheid gerechtvaardigd was: die toonde te veel ruggenwervels.
thumb|YPM 1822 Dat jaar benoemde Marsh een apart geslacht voor T. flabellatus: Sterrholophus, 'stijve kam', zodat deze soort een S. flabellatus werd. In september 1891 werd de zevende soort benoemd: Triceratops elatus, 'verheven', op basis van YPM 1201, een enorme schedel met een lage maar omhoogstekende neushoorn, op 23 oktober 1890 door Hatcher gevonden. Hierna volgde een onderbreking in de naamgeving maar in 1898, toen een aantal fossielen van Yale naar het Smithsonian overgebracht werd, benoemde Marsh een daarvan, USNM 4928, een schedel met een vreemde uitholling aan de achterzijde van de hoornbasis, tot Triceratops calicornis, 'de kelkhoornige' en een ander, USNM 4720, tot Triceratops obtusus, 'de stompe' wegens de afgestompte neushoorn.
Na Marsh Toen Marsh in 1899 overleed, liet hij een onvoltooide grote monografie over de Ceratopia achter. Henry Fairfield Osborn verzocht in 1902 Hatcher om die alsnog voor publicatie gereed te maken. Deze herzag hierin het materiaal van Triceratops volledig. Het geslacht Sterrholophus stelde hij weer aan Triceratops gelijk en daarnaast wilde hij nog eens twee nieuwe soorten benoemen. Omdat ook hijzelf in 1904 plots aan de paratyfus stierf voordat hij zijn taak kon beëindigen, werden die in 1905 apart gepubliceerd door Richard Swann Lull, waarbij Hatcher postuum medeauteur was. miniatuur|YPM 1832 “Skull 21” (Delft, 1961) miniatuur|YPM 1832 “Skull 21” (Delft, 2021)