Het vogelbekdier (Ornithorhynchus anatinus) is een waterminnend zoogdier dat in Oost-Australië en Tasmanië voorkomt. Het is het enige nog levende lid van de familie van de vogelbekdieren (Ornithorhynchidae) en de onderorde van de vogelbekdierachtigen (Platypoda), waarvan wel enkele fossiele soorten bekend zijn.
Met de vier mierenegels (Tachyglossidae) behoort het dier tot de cloacadieren (Monotremata), een orde die verder alleen uitgestorven diersoorten omvat. De cloacadieren bezitten een cloaca en zijn de enige eierleggende zoogdieren. Vanwege deze eigenschap wordt wel naar het dier verwezen in de discussie over de evolutionaire verwantschap tussen zoogdieren en reptielen.Foley, J. (1997). "Creationism and the Platypus", The TalkOrigins Archive. Bezocht op 23 oktober 2007.
Het vogelbekdier is het enige zoogdier met een snavel, een flexibel tastorgaan dat het dier gebruikt voor de jacht op ongewervelden op de bodem van rivieren en ondiepe meren.
Het vogelbekdier stond al vroeg in de belangstelling van de nieuwkomers in Australië. Tot aan het begin van de 20e eeuw werd het dier bejaagd vanwege zijn vacht, maar later werd het in zijn hele verspreidingsgebied beschermd. Hoewel de populatie lijdt onder de gevolgen van habitatverlies, is het geen uitdrukkelijk bedreigde diersoort.
Ontdekking en naamgeving De eerste Europeanen die in aanraking kwamen met het vogelbekdier waren Britse kolonisten, die na de stichting van de kolonie New South Wales in 1788 Australië bereikten. De kolonisten gebruikten verscheidene namen voor het dier, waaronder duckbill, duckmole en watermole,Australian Platypus Conservancy. Bezocht op 24 januari 2013. refererend aan de eendachtige snavel, de molachtige vacht en het vermogen om te zwemmen.
In 1798 stuurde de gouverneur van New South Wales, John Hunter, een als balg geprepareerd exemplaar van het vogelbekdier op naar Engeland,Hall, B.K. (1999). "The Paradoxical Platypus". BioScience Vol. 49, nr. 3. pp. 211–218. waar het aanvankelijk omschreven werd als een in het water levende mollensoort.Kleine Winkler Prins dierenencyclopedie deel 9: VLO - ZEE (1980). Uitgeverij Winkler Prins, pp. 2555-2558. Aan de hand van dit exemplaar stelde bioloog George Shaw, destijds assistent-conservator van het British Museum te Londen, de eerste beschrijving van het dier op. In eerste instantie dacht hij met een vervalsing te maken te hebben, alsof iemand delen van verschillende diersoorten aan elkaar had gehecht.Shaw merkte dat op in de protoloog, zie volgende noot. Dat het fabriceren van opgezette, niet bestaande, uit onderdelen van verschillende soorten aaneengehechte, dieren vaker voorkwam, illustreert onder andere het verhaal van de zevenkoppige hydra, die in 1735 in Hamburg door Carl Linnaeus als een uit wezels en slangenhuid aaneengelijmde vervalsing was ontmaskerd. Zie voor een beknopte versie van dat verhaal Science Photo Library Shaw publiceerde zijn beschrijving van het dier in 1799 in het tijdschrift Naturalist's Miscellany en gaf het de naam Platypus anatinus.Shaw, G. (1799). Platypus anatinus plaat 385 en plaat 386 in: The Naturalist's Miscellany, deel 10. De geslachtsnaam "Platypus", vanuit het Oudgrieks , platys, "plat", en , pous, "voet", betekent "platvoet", een verwijzing naar de brede platte poten. Het epitheton anatinus, afgeleid van het Latijnse anas, "eend", betekent "eendachtig", een verwijzing naar de snavel. Het exemplaar waaraan de naam verbonden is, het holotype, is de oorspronkelijke balg. Ten tijde van de beschrijving door Shaw was het in bezit van een zekere Mr. Dobson. Dit exemplaar kwam later in het bezit van Richard Latham (1799-1846), die het in 1832 aan het Londense Natural History Museum schonk.Van der Lande, W.M. (2007). A note on Richard Latham, FLS: donor of the Holotype of Ornithorhynchus anatinus (Shaw, 1799) to the British Museum. The Linnean 23(2): 37 Het wordt nog steeds in dat museum bewaard.Het label toont het inventarisnummer BM 110.C.2184; "BM" is de afkorting van de oude naam van het museum, het British Museum (Natural History). Het nummer kan in publicaties ook vermeld worden met de afkorting van de nieuwe naam: NHMUK 110.C.2184. Het label vermeldt de naam van de schenker ("R. Latham"), niet van de verzamelaar.Label van het holotype met "R. Latham" als "collector".
miniatuur|links|Illustratie van een vogelbekdier (1808) door John Lewin, State Library of New South Wales
Aan Shaw dankt het dier zijn naam in de Engelse taal: platypus. Als wetenschappelijke naam voor het geslacht was die naam echter niet geldig, aangezien die in 1793 door Johann Friedrich Wilhelm Herbst al was toegekend aan een geslacht van snuitkevers.Herbst, J.F.W. (1793). Natursystem aller bekannten in- und ausländischen Insekten als eine Fortsetzung der von Büffonschen Naturgeschichte: Der Käfer, fünfter Theil, Berlijn: J. Pauli, pp. 128-130. In 1800 publiceerde Johann Friedrich Blumenbach onafhankelijk van Shaw de naam Ornithorhynchus paradoxus voor de soort, gebaseerd op een exemplaar uit Botany Bay dat hij van Joseph Banks ten geschenke had gekregen.Blumenbach, J.F. (1800). Göttingische Anzeigen von gelehrten Sachen 62. Stück, 19 april: 609-610 Voor een uitgebreidere beschrijving verwees Blumenbach naar het nog te verschijnen 5de deel van Naturhistorische Abbildungen: Blumenbach, J.F. (1800). Abbildungen naturhistorischer Gegenstände deel 5: 41, en naar het eerstvolgende deel van Voigt's Magazin: Voigt, J.H. (1800). Magazin für den neuesten Zustand der Naturkunde 2de band, deel 1: 205-214 Daarmee is "Ornithorhynchus" de eerst beschikbare naam voor het geslacht. De typesoort, de soortnaam die vastlegt waarnaar het geslacht Ornithorhynchus verwijst, is Ornithorhynchus paradoxus. Die naam is zelf een later synoniem van Platypus anatinus.Omdat Blumenbach zijn beschrijving op een ander exemplaar baseerde dan Shaw, is het type-exemplaar van het geslacht, het genoholotype, een ander specimen dan het type-exemplaar van de enige soort. Aangezien Ornithorhynchus oorspronkelijk op Ornithorhynchus paradoxus gebaseerd is, is Platypus anatinus er niet de typesoort van. Volgens de regels van de nomenclatuur is de naam door Shaw geldig gepubliceerd, alleen niet met een geldige geslachtsnaam, en moet een nieuwe combinatie (combinatio nova) worden gemaakt van de oorspronkelijke naam met de nieuwe geslachtsnaam, wat als wetenschappelijke naam dus Ornithorhynchus anatinus oplevert. De geslachtsnaam Ornithorhynchus is afgeleid van het Griekse , ornis, "vogel", en , rhynchos, "snuit". Het Nederlandse "vogelbekdier" is hiervan een directe vertaling.
Aan het begin van de negentiende eeuw kwam een exemplaar in Europa aan dat compleet was en op sterk water geconserveerd, waardoor meer details werden ontdekt, zoals het ontbreken van de tepels. Een discussie volgde waar het dier moest worden ingedeeld. Shaw zag het als zoogdier omdat het daarvoor kenmerkende eigenschappen bezat, zoals een vacht. Er werden echter ook eigenschappen ontdekt die men enkel kende van reptielen of vogels, zoals de cloaca en de snavel. Het ontbreken van tepels deed vermoeden dat het dier zijn jongen niet zoogde, en daardoor mogelijk geen zoogdier kon zijn. De Britse anatoom Everard Home stelde in zijn publicaties in de periode 1800-1802 dat het dier tot een aparte stam zoogdieren behoorde, met kenmerken van vogels en reptielen. De Franse bioloog Étienne Geoffroy Saint-Hilaire zag in de bevindingen echter bewijs van een geheel nieuwe diergroep en riep voor het vogelbekdier en de mierenegel een nieuw taxon in het leven, de orde Monotremata.Moyal, A. (2009). "The great French naturalist and the platypus." The National Library Magazine 1 (2), pp. 2–7. Een andere invloedrijke Franse onderzoeker, Jean-Baptiste de Lamarck, plaatste in 1809 het vogelbekdier en de mierenegel zelfs in een geheel nieuwe klasse, de Prototheria.
Het debat over de plaats van het vogelbekdier in de taxonomie en de manier van voortplanting hield aan. Zo was het nog altijd onduidelijk of het dier zijn jongen zoogde en of het eierleggend, levendbarend of eierlevendbarend was. In 1824 ontdekte Johann Friedrich Meckel dat het dier melkklieren onder de huid had en zijn jongen dus waarschijnlijk wel kon zogen. In 1832 merkte de militair en natuuronderzoeker Lauderdale Maule dat bij het villen van een zogend vrouwtje de melk zich over de buik verspreidde.Maule, L. (1832). "On the habits and economy of the Ornithorhynchus." In: Proceedings of the Committee of Science and Correspondence of the Zoological Society of London. Deel 2. Londen, Richard Taylor. pp. 145-148. Richard Owen toonde vervolgens aan dat de klieren bij mannetjes ontbraken en bij vrouwtjes in verschillende levensfases verschillende groottes hadden. Saint-Hilaire bleef echter vasthouden aan zijn overtuiging dat het vogelbekdier geen zoogdier was. Hij achtte het niet bewezen dat de door de klieren uitgescheiden vloeistof melk was. In 1884 ontdekte de Schotse wetenschapper William Caldwell dat het dier eieren legde, waarna hij op 29 augustus een telegram stuurde naar professor Archibald Liversidge van de Universiteit van Sydney met de tekst monotremes oviparous, ovum meroblastic (cloacadieren eierleggend, ei meroblastisch). Die stuurde het op zijn beurt door naar de British Association for the Advancement of Science.Robin, Libby (2006). The platypus frontier: eggs, Aborigines and empire in 19th century Queensland: Mr Caldwell’s travels hoofdstuk 7 in Dislocating the frontier XWarren, Wesley C. et al. (2008). Genome analysis of the platypus reveals unique signatures of evolution Nature 453, 8 mei 2008: 175-184 Hillenius, D. e.a. (1971). Spectrum Dieren Encyclopedie, deel 7, Uitgeverij Het Spectrum, pp. 2332-2334. Meroblastisch verwijst naar de klieving van de cellen in het jonge embryo: de cellen klieven zich slechts gedeeltelijk, en blijven zonder celmembraan aan de zijde van de dooier, zoals bij vogels en reptielen. Bij de meeste zoogdieren is de klieving holoblastisch, wat betekent dat de cellen bij de klieving volledig delen. Meroblastische eieren bevatten een veel grotere dooier dan holoblastische. De embryonale ontwikkeling van een vogelbekdier leek dus minder op die van andere zoogdieren en meer op die van vogels en reptielen.
Kenmerken miniatuur|Close-up van de kop en snavel Het vogelbekdier is een klein, aan het leven in het water aangepast dier met een opvallende snavel, een cilindrisch gevormd lichaam, een dikke, losse huid en een brede, platte staart. De korte fluwelige vacht lijkt op die van een mol en is waterdicht. Deze vacht is ongeveer 1 cm dikGrant, T. (2001). "Platypus", in: MacDonald, D. (red.), The New Encyclopedia of Mammals, Oxford: Oxford University Press, pp. 862-863. en bestaat uit een onderlaag van wolharen, die zorgen voor een isolerende luchtlaag, en lange dekharen. De vacht bedekt het gehele lichaam, met uitzondering van de poten en snavel. De vacht is sepiabruin tot zwart van kleur, de buik is grijzig zilver tot goudkleurig bruin met gele en/of roze vlekken. De vacht van het vrouwtje is roodachtiger van kleur dan die van het mannetje. Buik- en rugzijde worden gescheiden door een roestkleurige streep. Deze is vooral bij jonge exemplaren duidelijk zichtbaar en vervaagt naarmate de dieren ouder worden. De vacht is fluorescerend in ultraviolet licht.Douglas Main. Vogelbekdieren geven licht. National Geographic, 13 november 2020