Jürgen Habermas (Düsseldorf, 18 juni 1929 – Starnberg, 14 maart 2026) was een Duits filosoof en socioloog. Hij wordt gezien als een van de meest vooraanstaande hedendaagse filosofen & , "Jürgen Habermas", The Stanford Encyclopedia of Philosophy, 2011. Bezocht op 11-05-2012"Jürgen Habermas" Encyclopædia Britannica. Encyclopædia Britannica Online Academic Edition, Encyclopædia Britannica Inc., 2012, 04-06-2012 en als een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de (tweede) Frankfurter Schule.

Zijn bijdragen zijn vooral gericht op de ethiek, de politieke filosofie en de taalfilosofie, alhoewel hij zich ook heeft uitgelaten over onderwerpen als esthetiek, godsdienstfilosofie en wetenschapsfilosofie. Hij verkreeg nationale bekendheid door zijn theorie over de publieke sfeer (openbaarheid).Jürgen Habermas in & & , Denkers van Nu, Veen magazines, Diemen, p. 182 Deze theorie beschreef hij in zijn boek Strukturwandel der Öffentlichkeit (1962). Als zijn magnum opus geldt echter Theorie des kommunikativen Handelns (1981) waarin hij stelt dat er naast de traditionele instrumentele rationaliteit ook nog een communicatieve rationaliteit bestaat. Verder heeft hij ook nog een eigen vorm van ethiek ontwikkeld, namelijk de discoursethiek, die op inzichten van zijn vroegere werk verder bouwt. In Faktizität und Geltung (1992) paste hij zijn theorie dan weer toe op de rechtsfilosofie.

Levensloop Habermas groeit op in Gummersbach, een kleine plaats vlak bij Keulen. Zijn ouders waren geen nazi-aanhangers, maar als voorzitter van de Kamer van Koophandel koos zijn vader voor de rol van meeloper om zijn maatschappelijke positie niet te verliezen. Toen Adolf Hitler aan de macht kwam op 31 januari 1933 was Habermas drie jaar. In de laatste maanden van de Tweede Wereldoorlog werd hij naar het westelijk front gestuurd."Jürgen Habermas - Biography", The European Graduate School, bezocht op 12-05-2012 Net als veel andere Duitse jongens van die tijd werd hij lid van de Hitlerjugend. Na de oorlog, Habermas was toen 15 jaar, kwam hij erachter wat zich daadwerkelijk tijdens het naziregime had afgespeeld. De verslagen van oorlogsprocessen en de beelden van de concentratiekampen stonden in schril contrast met hetgeen het Duitse volk door de nazi's was voorgehouden en het kleinburgerlijk-nette van zijn omgeving. Daardoor verloor hij het vertrouwen in de mens. Door de democratisering na de oorlog en het Duitse Wirtschaftswunder herstelde zijn vertrouwen in de mensheid weer enigszins. Habermas kwam tot de conclusie dat de wereld en de mens krom in elkaar zitten: in staat tot al het goede en al het slechte. Habermas noemt het jaar 1945 als het jaar waarin hij eigenlijk geboren is.

Habermas studeerde Duitse letterkunde, economie, filosofie, geschiedenis en psychologie aan de universiteiten van Göttingen, Zürich en Bonn. Aan die laatste universiteit promoveerde hij. Later sloot hij zich aan bij de Frankfurter Schule, met denkers als Max Horkheimer en Theodor Adorno, van wie hij later ook de assistent zou worden. Het is bekend dat Horkheimer en Habermas op gespannen voet stonden, en dat Habermas hierdoor zijn habilitatie Strukturwandel der Öffentlichkeit (1962) in Marburg moest afleggen., Political Philosophy in The Twentieth Century, p. 242

Over zijn persoonlijke leven geeft hij niet veel prijs. Wel is het feit bekend dat Habermas met een hazenlip geboren is; dit was van invloed op zijn ontwikkeling. Als kind kon hij zich moeilijk verstaanbaar maken waardoor hij doordrongen raakte van hoe belangrijk het sociale leven voor een mens is. Nog dieper trof hem de fundamentele rol van de taal als communicatiemiddel. Het zette hem aan het denken over emancipatie van zwakkere groepen.

In 2005 won Habermas de Holbergprijs. Hij was de initiatiefnemer van de Historikerstreit, een debat in Duitsland over de plaats in het geschiedbeeld van het antisemitische nationaalsocialisme in het twintigste-eeuwse Duitsland. In 2013 werd aan Habermas de Erasmusprijs toegekend.

Habermas’ gedachtegoed Het denken van Habermas begeeft zich op het gebied tussen filosofie en sociologie in de vorm van geëngageerde maatschappijkritiek. Doordat hij zich voortdurend in het publieke debat mengt, maakte dit hem tot een invloedrijk filosoof en gezaghebbend intellectueel in het naoorlogse Duitsland. Hij stelt actuele vragen die gaan over de toekomst van de Europese Unie en de relevantie van een wereldregering, over de rol van religie in een seculiere samenleving, over de mogelijkheid en wenselijkheid van een multicultureel recht. Thema's als politieke filosofie, taaltheorie, vragen rond de ideale vorm van menselijke communicatie komen in Habermas denkwereld voortdurend in nauw verband degelijk gestructureerd terug.

Het filosofisch werk van Habermas kan het best in drie perioden samen worden gevat, waarvan de laatste wellicht de meest belangrijke is. In de eerste periode was zijn werk Heideggeriaans georiënteerd. In zijn proefschrift uit 1954 over Das Absolute und die Geschichte: Von der Zweispältigkeit in Schellings Denken staat dat we de dingen niet meer moeten willen beheersen met techniek, maar moeten vernemen en de dingen laten gaan.

Zodra Habermas als assistent van Adorno ging werken in het Institut für Sozialforschung in Frankfurt stond hij voornamelijk een op Karl Marx geënte praktische filosofie voor, omdat theoretische interpretaties niet tot veranderingen leiden die maatschappelijk relevant zijn. Dit werkte hij uit in een bundel sociaal-filosofische studies die in 1963 verscheen onder de naam Theorie und Praxis.

Eind jaren zestig werd Habermas in één klap wereldberoemd met zijn Technik und Wissenschaft als ‘Ideologie’ (1968). In dit werk staan de verhoudingen tussen systeem en leefwereld centraal. In een kritiek op Karl Marx, die de kapitalistische maatschappij in haar totaliteit beschouwde, maakte Habermas onderscheid tussen enerzijds een politiek-economisch systeem en anderzijds een op communicatie gerichte leefwereld. Habermas begon in deze periode met zijn onderzoek naar de grondslagen van de kritische maatschappijwetenschappen. Verschillende wetenschappen hebben verschillende kennisbelangen, zo stelde hij.

Situering thumb|Jürgen Habermas vanachter rechts, vooraan staan Max Horkheimer en Theodor Adorno in 1964. In de filosofische traditie is Habermas niet los te denken van de Frankfurter Schule of ook wel de kritische theorie waarvan Habermas de tweede generatie vormt. In de beginperiode was hij dientengevolge ook gevoelig voor de invloeden die de eerste generatie, vertegenwoordigd door Theodor Adorno en Max Horkheimer, heeft ondergaan van onder anderen Georg Lukács en Karl Marx en later Herbert Marcuse. De eerste generatie kritiseerde de dialectiek van Hegel en keerde die zelfs om, maar hield er nog wel aan vast. Als joodse denkers wilden zij de gruwelen van het nationaalsocialisme doordenken. Dit is niet mogelijk met de dialectiek van Hegel, waarin “Das Ganze das Wahre” is. Sommige filosofen verwierpen Hegel en het collectieve denken omdat hiermee het naziregime te legitimeren zou zijn. Door omkering van Hegels dialectiek maakt het algemene plaats voor het bijzondere, een maatschappelijk proces dat zich in de loop van de twintigste eeuw voltrokken heeft, in aansluiting op de filosofische vernieuwingen die eraan voorafgingen. Alle wilsfilosofen, zoals Charles Darwin, Søren Kierkegaard, Friedrich Nietzsche en Arthur Schopenhauer zijn vertegenwoordigers van deze filosofische omslag in het denken van collectief naar individueel. Dit proces van individualisering heeft vervolgens een groot deel van de twintigste eeuw nodig om in maatschappelijke processen door te dringen.

Habermas vernieuwde dit emancipatoire gedachtegoed, bekritiseerde het en vormde het om, in aansluiting op de actualiteit. Vanaf de jaren 1960 vond hij steeds meer zijn eigen karakteristieke filosofische houding, waarbij de beginperiode wel voorwaarde is, maar waaruit zijn eigen filosofie niet af te leiden is. De condities waaronder een nieuwe filosofie ontstaat, bepalen niet dwingend het resultaat; zo is de latere Habermas niet af te leiden uit zijn vroegere Heideggeriaanse en Marxistische fasen. Hij wilde talloze ideeën en filosofen verenigen, onder wie Sigmund Freud, het idealisme van Hegel, de ordinary language philosophy van John Austin en Ludwig Wittgenstein en het pragmatisme van onder anderen Peirce. Habermas doorbrak in zijn werk bepaalde klassieke grenzen binnen de filosofie en overbrugde zo in zekere zin de breuk tussen de continentale filosofie met auteurs als Jacques Derrida, Michel Foucault en Hans-Georg Gadamer, en de analytische filosofie met auteurs als Robert Brandom, Hilary Putnam en John Rawls.

Publieke sfeer Habermas verwierf vroege bekendheid voor zijn theorie over de publieke sfeer en openbaarheid. Deze theorie houdt in dat er voor een optimale publieke sfeer een ruimte moet zijn waarbinnen rationele discussies kunnen worden gevoerd, vrij van dwingende machten. Volgens Habermas was hiervan sprake in de bourgeoismaatschappij van de achttiende eeuw. In deze periode werd er immers druk gediscussieerd over allerlei literaire en kunstzinnige onderwerpen, maar al snel ook over politieke en sociale zaken binnen de verschillende koffiehuizen en filosofische salons. Onder de leden van deze bijeenkomsten heerste een gevoel van gelijkheid en gold enkel de kracht van het argument.

In de laatste eeuwen voltrekt zich echter een proces waarin deze kostbare publieke sfeer langzamerhand verloren gaat. Zo volgde Habermas Ferdinand Tönnies die in de negentiende eeuw al een overgang van Gemeinschaft naar Gesellschaft, gemeenschap naar maatschappij zag opkomen, waarbinnen het publieke debat steeds meer onder druk kwam. Sterker nog kwam deze openbaarheid in het gedrang door het opkomende kapitalisme en de daarbijhorende concurrentiedrang en nadruk op het eigenbelang. Vandaag de dag is dus mede door de komst van de massamedia en de vervagende grenzen tussen privé en staat, een publieke sfeer overgebleven die in niets lijkt op de volgens Habermas optimale situatie.

Andere kernpunten van zijn werk zijn de analytische benadering van de ontwikkelde kapitalistische maatschappij, democratie, politiek en de ratio. Verder gaat Habermas in dit werk op zoek naar een manier hoe deze kritische functie van de openbaarheid weer hersteld kan worden. Vereisten voor een goede publieke sfeer zijn voor Habermas onder andere het vooropstaan van het gemeenschappelijk belang, en het ontbreken van elke soort dwang buiten dat van het goede argument.

Theorie van het communicatieve handelen In het begin van de jaren 1970, toen men in de filosofie kon spreken van de linguïstische wending, deed deze verschuiving zich ook voor in het werk van Habermas., Communications and emancipation. Reflections on the linguistic turn in critical theory in , On Critical Theory, Seabury Press, New York 1976, p. 230–265. De grootste invloed ging uit van de taalfilosofie van John Austin en John Searle, maar anderzijds ook van Noam Chomskys generatieve taalkunde. Andere invloeden waren ook de hermeneutiek van Hans-Georg Gadamer en het pragmatisme van Peirce. Op basis hiervan ontwikkelde Habermas zijn universele pragmatiek (Universalpragmatik) en zijn consensustheorie van de waarheid.

Deze inzichten mondden in de jaren 1980 uit in zijn magnum opus Theorie des kommunikativen Handelns (1981), bijgenaamd het blauwe monster vanwege de kleur van de kaft en de taaie 1150 bladzijden tellende inhoud. In dit tweedelige werk ontwikkelt Habermas: een theorie over de dubbele rationalisering van de moderne samenleving een maatstaf voor maatschappijkritiek een kritische diagnose van deze moderne samenleving

Dubbele rationaliteit thumb|Jürgen Habermas tijdens een lezing aan de Humboldtuniversiteit in 2011