De Bezige Bij is een Amsterdamse uitgeverij, die op 12 december 1944 illegaal werd opgericht door Geertjan Lubberhuizen en Rut Matthijsen. De uitgeverij was toen al twintig maanden actief om met haar uitgaven geld te genereren voor het Utrechts Kindercomité, dat joodse kinderen door de oorlog hielp. De eerste uitgaven werden in Utrecht gerealiseerd, maar al snel verhuisden de activiteiten naar Amsterdam. Na de oorlog ontwikkelde De Bezige Bij zich tot de grootste literaire uitgever van Nederland met een fonds met als voornaamste kenmerk dat het uitgebreid en divers is. De Bezige Bij is in 1997 onderdeel geworden van het concern van WPG Uitgevers. Onder leiding van uitgeefdirecteur Romy van den Nieuwenhof is de uitgeverij per 1 januari 2026 weer zelfstandig geworden.

Geschiedenis 1943: De achttien dooden thumb|upright|Geertjan Lubberhuizen(15 maart 1916 - 18 juli 1984) thumb|Rijmprent De achttien dooden door Jan Campert, uitgave Bezige Bij (illustratie vanwege auteursrecht verwijderd) Geertjan Lubberhuizen, student scheikunde te Utrecht, was actief in het verzet en benutte zijn studie door persoonsbewijzen en stamkaarten te vervalsen, maar was ook betrokken bij het in brand steken van de Utrechtse studentenadministratie en het verspreiden van illegale aanplakbiljetten, uiteenlopende activiteiten die hij onder de schuilnaam Bas Ruys verrichtte en die hem de bijnaam 'Bezige Bas' en 'The Busy Bee' opleverde. Hij werkte vaak samen met zijn studiegenoot Rut Matthijsen en raakte als fondsenwerver betrokken bij het Utrechts Kindercomité, dat was opgericht om joodse kinderen de oorlog door te helpen. Ook Sjoerd Leiker was voor deze organisatie actief. Het vinden van onderduikadressen werd bemoeilijkt doordat mogelijke onderduikfamilies vaak geen extra mond konden voeden. Om de geldschieters als tegenprestatie iets aan te kunnen bieden, werd een rijmprent vervaardigd die ook verkocht kon worden.

De tekst hiervan was het gedicht De achttien dooden van de verzetsstrijder en dichter Jan Campert, die wegens jodenhulp naar concentratiekamp Neuengamme werd gedeporteerd, waar hij op 12 januari 1943 overleed. Het gedicht verscheen in februari 1943 voor het eerst in de ondergrondse bladen Het Parool en Vrij Nederland. Lubberhuizen kreeg de tekst begin 1943 van Anne Maclaine Pont, een medewerkster van het kindercomité. Lubberhuizen nam contact op met Fedde Weidema, met wie hij voor de oorlog in een jazzorkest had gespeeld en die een opleiding tot graficus volgde, om het vers van een illustratie te voorzien. Weidema verzorgde een compositie waarin een dode omringd is door zowel symbolen van Nederland (tulpen, het silhouet van een stad met kerktoren) als van de oorlog (prikkeldraad, ruïnes, grafstenen).Roegholt (1972), 33 Om aan papier te komen liep Lubberhuizen kantoorboekhandels af. Clichéfabriek Photogravure maakte clichés en bleef dat de hele oorlog doen voor De Bezige Bij. De vermenigvuldiging werd verzorgd door de Utrechtse drukker van illegale bladen Jan Hendriks, die drie dagen nodig had voor de eerste druk van 500 exemplaren. Deze druk is de allereerste uitgave van De Bezige Bij en dateert van na april 1943.Renders (2004a), 23 De vierde druk van de rijmprent vermeldt voor het eerst de naam van de illegale uitgeverij en het bijenvignet - eveneens door Weidema vervaardigd - dat tot op de dag van vandaag wordt gebruikt.Renders (2004a), 22 Een goedkope druk kostte een tientje en een romeins genummerde vijfentwintig gulden en na aftrek van de kosten kwam dit bedrag ten goede aan het Kindercomité. In september had de rijmprent al 75.000 gulden opgebracht, genoeg om ook kunstenaars en toneelspelers die geweigerd hadden zich bij de Kultuurkamer aan te sluiten en dus geen werk meer hadden, te kunnen steunen. Zo werd de uitgeverij vanzelf ook een huis voor schrijvers die geen lid van de Kultuurkamer waren. Volgens schattingen van betrokkenen bereikte de oplage van de rijmprent gedurende de oorlog de 15.000.Renders (2004a), 26 noot 38

De aankomende chemici Lubberhuizen en Matthijssen wisten niets van drukken of boekverzorging. Ze bestudeerden bibliofiele uitgaven en Matthijsen kocht een boek over grafische technieken. Aan het einde van 1943 waren de belangrijkste krachten Lubberhuizen en Charles van Blommestein. Lubberhuizen zette medewerkers van het Kindercomité in voor zijn uitgeefpraktijk en trok aldus een wissel op de energie van het comité, maar dat kon niet anders omdat het geld van de uitgaven nodig was om de organisatie op de been te houden.

Naast Hendriks werd een tweede drukker ingeschakeld, Fokke Tamminga uit Den Haag. Daarnaast drukte Huib de Koningh, Haags boekbinder, op een degelpers de Moffenspiegel, een boekje over Adolf de eerste (en de laatste) en zijn trawanten, een succesvolle uitgave (2000 exemplaren)Roegholt (1972), 49 waarop de Duitsers erg gebeten waren. Een Groningse drukker die met de uitgave niets uitstaande had, werd doodgeschoten omdat bij een inval in diens drukkerij een exemplaar werd aangetroffen en hij er dus van verdacht werd de drukker ervan te zijn.Renders (2004a), 29 Het betrof een reeks cartoons waarin de bezetter belachelijk gemaakt werd. Zo werd op een prent het invorderen van fietsen behandeld, waarbij Duitsers fietsers op straat staande houden om hun fiets in beslag te nemen. Het zijn evenwel aftandse, nauwelijks berijdbare wrakken die de begeerte van de bezetter opwekken.

1943-1944: De Quousque Tandem-reeks In 1943 werd begonnen met de reeks Quousque Tandem, met als logo de letters QT. De naam van de serie is ontleend aan de beroemde vraag van Cicero: “Hoe lang nog, Catilina, zult ge misbruik maken van ons geduld.”Renders (2004a), 35 De eerste uitgave in de reeks was De zeven hoofdzonden van Hector Mantinga. De boekverzorging was in handen van binderij Danner uit Utrecht, waar Lubberhuizen een kamer huurde. Papier werd geleverd door Van Gelder papiergroothandel.Roegholt (1972), 39 De QT-reeks bepaalde het gezicht van de Bij tijdens de oorlog. De serie bestond uit vijftien mooie, kostbare boekjes waar de mensen nogal wat geld voor over hadden omdat ze anders toch weinig met hun geld konden doen: twee dichtbundels van Maurits Mok, sonnetten van professor Pieter Geyl en gedichten van Hendrik de Vries en Anton van Duinkerken. A. Roland Holst was met twee titels vertegenwoordigd, In memoriam Charles Edgar du Perron et Menno ter Braak en Eigen achtergronden. Die laatste was de tekst van een lezing die Roland Holst op clandestiene culturele bijeenkomsten hield. Het omvangrijkste boek was Sjoerd Leiker, Drie getuigen, en verder verdient nog vermelding F. Bordewijk met Verbrande erven.Roegholt (1972), 45 Ook buiten deze reeks publiceerde de Bij oorspronkelijk Nederlands werk, zoals de gedichtenbundel Luchtalarm van Adriaan Morriën.

Toen de uitgeverij eenmaal goed draaide, moesten er zoveel boeken vervoerd worden dat het gevaar en problemen opleverde. In koffers werden ze naar het postkantoor te Utrecht gebracht en daar in de brievenbus van de centrale hal gegooid. Als afzender was een plakadres aangebracht met: Boekhandel Broere, Nachtegaalstraat 14, zodat er een schijn van authenticiteit aan gegeven werd zonder dat boekhandel Broese aan de Nachtegaalstraat 20 in de problemen kwam.Roegholt (1972), 40 Lubberhuizen en Van Blommestein hadden vrij reizen met het spoor dankzij vervalste legitimatiebewijzen als 'inspecteur' van de NS.Roegholt (1972), 41

1944: Drie executies en plannen voor een coöperatie In 1944 liet De Bezige Bij de roman Le Silence de la Mer (De stilte der zee) vertalen, geschreven door Vercors, achter welk pseudoniem de tekenaar en typograaf Jean Bruller schuilging, de oprichter van de illegale uitgeverij Les Éditions de Minuit. De eerste uitgave van die uitgeverij was deze roman in 1942. De Gestapo trof de drukproeven aan bij een inval bij de Utrechtse Typografen Associatie en schoot nog dezelfde dag de typograaf en twee drukkers dood. In de hongerwinter verscheen een nieuwe vertaling waarvan de baten ten goede kwamen aan de nabestaanden van de drie gefusilleerden.Roegholt (1972), 48 Deze uitgave was in meerdere betekenissen illegaal, want de Nederlandse vertaalrechten waren verkocht aan uitgeverij Manteau. Na de oorlog en stevige onderhandelingen met Manteau, kon het boek verschijnen in de door Manteau bestelde vertaling van Hubert Lampo.Renders (2004a), 41

Op 1 april kwam onder redactie van Jan H. de Groot, Han G. Hoekstra en Halbo C. Kool Het Vrij Nederlands Liedboek uit, met 131 verzetsgedichten. De oplage was 1900. Bij andere uitgevers waren al vier van dit type bloemlezingen verschenen, zowel kleinere als omvangrijkere, maar die van De Bezige Bij had de beste typografische en boektechnische verzorging. Deze verzetspoëzie bepaalde het beeld van ondergrondse uitgaven onder de bezetter.Roegholt (1972), 48-49 Dezelfde maand verplaatste het centrum van de uitgeverij zich naar Amsterdam. Na zijn huwelijk op 19 april verhuisde Lubberhuizen naar de Keizersgracht 260 en Sjoerd Leiker, die zich in Haarlem niet langer veilig voelde, betrok een woning aan de Rijnstraat. Vanuit zijn nieuwe woonplaats werkte Lubberhuizen aan zijn contacten met schrijvers. Vervalste legitimatiebewijzen van Rut Matthijsen verschaften Lubberhuizen de nodige bewegingsvrijheid: mannen tot dertig jaar liepen kans te worden opgepakt en dus werd zijn geboortedatum op zijn persoonsbewijs drie jaar vervroegd. Bovendien had hij een in het Duits gestelde verklaring dat hij als ambtenaar bij de gemeentewaterleiding zijn fiets nodig had.Roegholt (1972), 62 Charles van Blommestein had een vals Marschbefehl, waarmee de Sicherheitspolizei gesommeerd werd hem ongehinderd te laten passeren. Zo leverde hij het drukwerk aanvankelijk per fiets en vanaf maart 1945 per motor naar Laren, Amsterdam en over Den Haag weer terug.Roegholt (1972), 65

Lubberhuizen kwam ook in contact met De Algemene Vrije Illegale Drukkerij (D.A.V.I.D), een project van Dick van Veen en Jo Pellicaan uit de kring van Vrij Nederland. De Duitsers hadden van een drukker diens drukmachines gevorderd en om nog iets te redden werd besloten enkele machines elders onder te brengen, namelijk aan de Spuistraat 28. Dit adres werd met instemming van Marten Toonder, van de nabijgelegen filmstudio, voorzien van het opschrift Hulpstudio 2 Marten Toonder Films. Er was dus geen sprake van een legale drukkerij die ook illegaal werk drukte, maar de hele drukkerij was illegaal. Het adres werd geheim gehouden en Lubberhuizen was de enige die het zomaar vond.Roegholt (1972), 58-60 In de hongerwinter werd hier De stilte der zee gedrukt op een handpers. Ook verscheen er een kleine serie, drie rijmprenten en het boekje Dagboek onder het kruis van W.A.P. Smit, die de naam D.A.V.I.D.-reeks kreeg.

De Bezige Bij had niet alleen te maken met beslommeringen die met de oorlog samenhingen, maar ook met kwesties die in alle tijden karakteristiek zijn voor een uitgeverij, zoals de beoordeling van aangeboden manuscripten, het maken van prijsstellingen, problemen met drukkers en binders. Ook werden manuscripten voor na de oorlog bewaard en nog hetzelfde jaar werden plannen gemaakt voor de voortzetting van de uitgeverij na de oorlog, het Plan voor de Coöperatieve Uitgeverij De Bezige Bij in hoofdlijnen. Naast het opstellen van statuten was het zaak geld opzij te zetten als bedrijfskapitaal en tegelijk de doelstelling van de uitgeverij niet te corrumperen. Daarom verschenen onder een imprint twee illegale uitgaven. Onder de uitgeversnaam De Doezende Dar werd W.A.-man van Theun de Vries (onder de naam M. Swaertregen) gepubliceerd, een novelle over een NSB'er. Bij De Weduwe de Bije verscheen Het raadsel van Arend en Hendrik Goudt door Derk Hoek (onder de naam Jan Jacob ten Hove). Deze twee zeer dure titels leverden na aftrek van kosten 25.000 gulden op.