Sadao Araki (Japans: 荒木 貞夫, Araki Sadao) (Komae, 26 mei 1877 – Totsukawa (Nara), 2 november 1966) was een generaal in het Japans Keizerlijk Leger voor de Tweede Wereldoorlog. Op politiek vlak werd hij als de leider van de ultranationalistische Keizerlijke partij, beter gekend als de Kodoha, beschouwd. Zijn tegenhanger binnen de Duitse nazi's was Alfred Rosenberg, waar hij ook vaak mee vergeleken werd. Hij was minister van Oorlog gedurende het Inukai en het Saito kabinet. Later was hij actief als minister van Onderwijs gedurende het Konoe en het Hiranuma kabinet. Na de Tweede Wereldoorlog werd hij berecht voor zijn oorlogsmisdaden. Hij werd veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf, maar werd later vrijgelaten vanwege zijn slechte gezondheid.
Vroege carrière Legerdienst Araki werd geboren in Komae, Tokio op 26 mei 1877. Zijn vader was een ex-samoerai knecht van de Tokugawa familie, meer bepaald van de Hitotsubashi familietak.
Araki studeerde in november 1897 af aan de Japanse Keizerlijke Militaire Academie. In juni van het volgende jaar ontving hij de rang van tweede luitenant. Hij werd in november 1900 gepromoveerd tot eerste luitenant en in juni 1904 tot kapitein.
Tijdens de Russisch-Japanse Oorlog was Araki commandant van het 1ste Keizerlijke Regiment. Na de oorlog studeerde Araki af aan het Army Staff College als de top van de klas. Nadat hij afgestudeerd was werkte hij in april 1908 in dienst van de Generale Staf van het Japans Keizerlijk Leger.
Hij werd in november 1909 gepromoveerd tot majoor en deed vanaf november 1909 tot mei 1913 dienst als language officierEen language officier is iemand die een expert is in de taal en die de cultuur van het land begrijpt., gestationeerd in Rusland. Hier was hij tijdens de Eerste Wereldoorlog actief als militair attaché in Sint-Petersburg.
In augustus 1915 kreeg hij de rang van luitenant-kolonel en werd hij tot november 1918 als stafofficier toegewezen aan het Harbin Agentschap voor Speciale Diensten van het Kwantung leger in Mantsjoerije.
Op 24 juli 1918 werd Araki gepromoveerd tot kolonel. Hij was vanaf dan tot 1 november 1918 gebonden aan de Kanto prefectuur. Nadien was hij actief als stafofficier in de Expeditionary Army Headquarters in Vladivostok tijdens de Siberische interventie tegen het Bolshevik Rode leger tot 25 juli 1919. Twee dagen later nam hij zijn nieuwe functie op als commandant van het 23ste infanterie regiment. Dit deed hij tot 01 april 1921, waarna hij aan de slag ging als hoofd van de 4de Sectie, 2de Bureau van de Generale Staf van het Japans Keizerlijk Leger. Deze Sectie was de militaire inlichtingendienst dat betrekking had op Europa en Amerika.
Hier was hij actief tot 17 maart 1923, wanneer hij gepromoveerd werd tot majoor-generaal. Daarnaast werd hij aangesteld als commandant van de 8ste infanterie brigade, waar hij actief was tot 9 januari 1924.
Daarna was hij actief als hoofd van de militaire politie tot 1 mei 1925. Waarna hij terugkeerde naar de Generale Staf van het Japans Keizerlijk Leger als hoofd van de 1ste Sectie. Tijdens deze periode ontving hij op 26 juli 1927 de rang van luitenant-generaal. Hier was hij actief tot 10 augustus 1928.
Nadien werd hij benoemd tot commandant van het Oorlogs College tot 1 augustus 1929. Vanaf dan was hij de bevelhebber van de 6de divisie als generaal officier.
Precies twee jaar later werd hij aangesteld als een van de meest prestigieuze posten binnen het leger, Inspectie-generaal van Militaire Training. Deze functie beoefende hij tot 9 januari 1932, nadat hij op 13 december 1931 als minister van Oorlog werd aangesteld.
Op 20 oktober 1933 werd hij gepromoveerd tot generaal. Hij ontving na zijn functie als minister van Oorlog op 26 december 1935 de titel van baron.
Overzicht rangen Insigne Rang Datum 40pxTweede luitenant (陸軍少尉 Rikugun-Shoi) XX-06-1898 40pxEerste luitenant (陸軍中尉 Rikugun-Chui) XX-11-1900 40pxKapitein (陸軍大尉 Rikugun-Tai-i) XX-06-1904 40pxMajoor (陸軍少佐 Rikugun-Shosa) XX-11-1909 40pxLuitenant-kolonel (陸軍中佐 Rikugun-Chusa) XX-08-1915 40pxKolonel (陸軍大佐 Rikugun-Taisa) 24-07-1918 40pxGeneraal-majoor (陸軍少将 Rikugun-Shosho) 17-03-1923 40pxLuitenant-generaal (陸軍中将 Rikugun-Chujo) 26-07-1927 40pxGeneraal (陸軍大将 Rikugun-Taisho) 20-10-1933
Oktoberincident Het Oktoberincident was een mislukte poging op een staatsgreep in Japan. De getrachte staatsgreep vond plaats op 21 oktober 1931. Deze werd uitgevoerd door de Sakurakai, gesteund door Araki, binnen het Japans Keizerlijk Leger. Ook kon deze getrachte staatsgreep steun vinden bij groepen van ultranationalistische burgers.
Er zou een nieuw kabinet gevormd worden onder Araki, die momenteel dienst deed als Inspectie-generaal van Militaire Training, als zowel eerste minister als ook minister van Oorlog. Deze nieuwe regering zou dan alle politieke partijen verbannen en hun grip op het pas veroverde Mantsjoerije versterken.
Maar tijdens de staatsgreep waren er jonge officieren die besloten hadden om er niet mee door te gaan. Daarnaast waren er plannen van de staatsgreep gelekt waardoor Araki ingeroepen werd om de situatie onder controle te brengen. Het was de bedoeling van de tegenstanders van Araki binnen de regering om hem naar voor te brengen als de leider van de staatsgreep. Maar Araki was een doortrapte politicus en een zeer goede spreker, waardoor hij ongeschonden uit het incident kwam. De straf die de medeplichtigen opgedragen kregen waren echter zeer mild.
Minister van Oorlog Benoeming thumb|Sadao Araki op de cover van Time Magazine, 1933. Nadat het beslissende bewijs was geleverd van de corruptie tussen de politieke partijen en de grote bedrijven,De politieke partij van Inukai had ervoor gezorgd dat de goudstandaard verlaten werd, waardoor de munt in elkaar zou storten. Om dit te voorkomen, nam Wakatsuki ontslag als eerste minister. Als gevolg werd Inukai het nieuwe hoofd van de regering. was eerste minister Tsuyoshi Inukai genoodzaakt om Araki op 13 december 1931 aan te stellen als minister van Oorlog om zo zijn eigen positie te kunnen behouden. Araki was namelijk geliefd in het leger, voornamelijk bij de jonge officieren. Araki was de eerste minister van Oorlog sinds het Mantsjoerije-incident.
Kodo Tijdens zijn ambtstermijn als minister van Oorlog, was Araki diegene die verantwoordelijk was voor het verspreiden en populariseren van de kodo ideologie of de Keizerlijke weg. Daarnaast was hij ook een voorstander van bushido, de weg van de krijger. In de ogen van Araki waren de kokutai en de kodo ideologie hetzelfde. De kodo ideologie hield in dat de superioriteit van Japan over de andere landen te danken was aan de unieke relatie die het volk had met de troon. Toen Araki in de vroege jaren 1920 commandant was benadrukte hij het belang van de kodo ideologie al reeds in de opleiding van de soldaten. In het leger was het de gewoonte om kodo op te leggen aan de soldaten om hen zo bewust te maken dat ze deel uitmaakten van het Japans Keizerlijk Leger, meer bepaald het leger van de Keizer.
Dankzij zijn benoeming tot minister van Oorlog kon Araki door middel van vele toespraken de kodo ideologie verkondigen. Dit deed hij door het voor te stellen als een allesomvattende, keizer-gecentreerde en als gevolg foutloze ideologie.
Voor Araki was de Keizerlijke weg de oorsprong van alles dat Japans en dus goed was. Hij was van mening dat de Japanse bevolking haar geestelijke puurheid moest doen herleven, om zo moeilijkheden te kunnen doorstaan en nationale doelen te verwezenlijken.
Kodoha thumb|Nagata Tetsuzan leider van de Toseiha en belangrijkste tegenstander van Araki en de Kodoha. Araki was een van de oprichters van de Kodoha of de ultranationalistische Keizerlijke partij. Dit was een politieke partij in het Japans Keizerlijk Leger.De Kodoha was nooit een officiële partij en had dus geen officiële status binnen het leger. De partij was actief in de jaren 1920 en 1930. De meeste aanhangers van de partij waren jonge officieren die een militaire overheid wouden vestigen waarbij totalitarisme, militarisme en expansionisme gepromoot werden. De belangrijkste tegenstander van deze partij was de Toseiha of de controle partij. De voornaamste tegenstander van Araki binnen deze partij was Tetsuzan Nagata.
Tijdens zijn jaren als minister van Oorlog had de Kodoha de bovenhand in het leger. Araki kon door deze functie uit te oefenen zijn ideeën en beleid invoeren. Hij zorgde ervoor dat posten binnen het leger opgevuld werden door officieren van de toenmalige Tosa en Saga prefecturen. Daarnaast werd er ook een agressieve houding aangenomen tegenover de Sovjet-Unie. De ultranationalistische manier van denken zorgden ervoor dat hun expansie verantwoord was, doordat ze van mening waren dat ze superieur waren. Ook had hij een voorkeur voor geestelijke indoctrinatie in plaats van technologische modernisering in de opleiding van het leger. Araki steunde ook groepen jonge radicale officieren die trachten om de Showa Restoratie te realiseren. Hij was dan ook zeer populair bij de jonge officieren.
Hokushin-ron Araki was binnen het leger een aanhanger van het Hokushin-ron of ze werden ook wel de Strike North Group genoemd. Deze groep wou een aanval op Siberië en het gebied in het oosten van de Sovjet-Unie realiseren. Tijdens het jaar 1932 en in het begin van 1933 werd hij beschouwd als de enige Japanse leider die in kon gaan tegen Keizer Hirohito. Er waren vele die hem ondanks hun onderlinge verschillen steunden. Araki was tegen Keizer Hirohito's Nanshin-ron of Strike-South ambities. Hij zag hier namelijk een mogelijke oorlog met de Verenigde Staten uit voortvloeien die Japan niet zou kunnen winnen. Om Japan te redden stelde hij een oorlog voor die minder risicovol was, namelijk deze met de Sovjet-Unie. Een belangrijke stap voor de Hokushin-ron was de overname van Mantsjoerije.
Mantsjoerije Mantsjoerije was volgens Araki een belangrijke factor om de kodo ideologie te verkondigen. Tegelijkertijd was het ook een manier om de problemen van Japan omtrent de bevolking en de zware industrie te helpen oplossen. Daarnaast had Mantsjoerije ook een hoge strategische waarde, waardoor het dus voor Japan als geheel zeer belangrijk was.
Een vertrouweling van Araki, Shigeru Honjo, was tijdens de verovering van Mantsjoerije de bevelhebber van het Kwantung leger. Maar dit leger alleen was niet sterk genoeg, waardoor Araki geregeld had dat een andere vertrouweling van hem, Senjuro Hayashi, zou helpen. Hayashi, die gestationeerd was in Korea, verplaatsten zijn troepen naar Mantsjoerije. En dankzij hun gebundelde krachten waren ze succesvol in de verovering van Mantsjoerije. thumb|Een map van de wereld tussen 1920 en 1945 waarop te zien is welke landen bij de Volkenbond aangesloten waren. Hierop is te zien dat Japan de Volkenbond verlaten had. Ten gevolge van de bezetting van Mantsjoerije had de Volkenbond de Commissie-Lytton in 1931 de taak opgelegd om de situatie omtrent het Mantsjoerije-incident te bepalen. Deze kwam tot de conclusie dat de acties van het Japans Keizerlijk Leger niet beschouwd konden worden als een manier van zelfverdediging.Deze conclusie wordt het Lytton rapport genoemd. Als gevolg weigerde de Volkenbond om de nieuwe staat Mantsjoekwo te herkennen.Dit was de naam die de Japanners aan Mantsjoerije gaven en betekende letterlijk "de staat van Mantsjoerije". De vertegenwoordiger van Japan, die de mening van Araki vertegenwoordigde, ging hierop in beroep. Deze was van mening dat het beschouwen van Japan als aanvallers tegen hun bestaan zou zijn. De overname van Mantsjoerije was volgens Japan nodig om de vrede in het verre oosten te bewaren. En indien de Volkenbond de staat niet zou herkennen er consequenties zouden volgen. Hiermee dreigde hij met de terugtrekking van Japan als lid van de Volkenbond.