Het Japanse oliebeleid is er in de eerste plaats opgericht om de afhankelijkheid van olie en de olie-exporterende landen te verminderen, om zo de stabiliteit en zekerheid van de algemene energievoorziening te waarborgen. Japan is immers als grondstofarm land voor zijn energievoorziening haast volledig afhankelijk van het buitenland. Alle olie, de energiebron die voor meer dan de helft instaat voor de energieopwekking in Japan, moet worden ingevoerd.
Het oliebeleid van Japan laat zich vertalen in een aantal concrete doelstellingen. Zo is een eerste betrachting het aandeel van olie in de algemene Japanse energievoorziening te reduceren, dit door middel van energiebesparingen en de ontwikkeling van alternatieve energiebronnen. Verder tracht men de beschikbaarheid van olie te verzekeren door de aanleg van oliereserves, het vrijwaren van stabiliteit op de internationale politieke scène en het afsluiten van oliecontracten in zo veel mogelijk verschillende landen. Ook het in handen nemen van het hele olieontginnings- en transportproces onder de naam "hinomaruolie" is een belangrijke pijler van het Japanse oliebeleid.
De oliepolitiek van Japan kan echter niet probleemloos ten uitvoer worden gebracht. Hiervan getuigen spanningen met de Verenigde Staten en China.
Afhankelijkheid van olie als energiebron beperken Japan is zich al meerdere decennia bewust van het feit dat olie zowel politiek als economisch een wispelturige energiebron is. Buitenlandse mogendheden en leveranciers hebben immers zowel de kwantiteit als de prijszetting in handen. De afhankelijkheid van buitenlandse olie maakt Japan kwetsbaar, een gegeven dat sterk is doorgedrongen bij de Japanse burger. De afhankelijkheid van olie als energiebron beperken vormt dus een belangrijke leidraad doorheen de Japanse politiek. Een doelstelling die men op meerdere manieren wenst te behalen, zowel door te besparen op energieverbruik als door het ontwikkelen en gebruiken van alternatieve energiebronnen.
Energiebesparing/ efficiëntie Reeds in 1979 met het aannemen van de Energy Conservation Law werd een gestructureerd energiebezuinigingsbeleid op poten gezet, dat niet ondergaan maar integendeel gedragen wordt door de bevolking. Opiniepeilingen hebben aangetoond dat meer dan driekwart van de Japanners energiebesparing ziet als een verantwoordelijkheid waarvoor ze willen betalen. Elektronicafabrikanten worden door de overheid verplicht om energiebesparende producten op de markt te brengen, die tot 60 % minder elektriciteit verbruiken dan gelijkaardige Europese of Amerikaanse producten. Sinds 2001 is daarom in Japan een labellingsysteem in gebruik voor huishoudelijke apparatuur, waarmee onmiddellijk informatie beschikbaar is over de energiezuinigheid van de apparaten. Japan heeft zich voorgenomen om tegen 2010 zijn energieverbruik te verminderen met een hoeveelheid die groter is dan het totale huidige energieverbruik van alle Japanse huishoudens. Dit alles heeft ervoor gezorgd dat de Japanse energieconsumptie per persoon slechts ongeveer de helft bedraagt van deze in de Verenigde Staten.
Japan heeft daarbij snel begrepen dat bezuinigen op energieverbruik niet mag beperkt blijven tot de binnenlandse markt, maar dat dit een wereldwijd probleem is dat dan ook een internationale aanpak vereist. Vooral de economische snelgroeiers als China – nu al na de VS de op een na grootste energieverbruiker ter wereld – maar ook India en Rusland vertonen op energiegebied een reuze honger. De explorerende energiehonger van deze landen – die nog maar nauwelijks hun status van ontwikkelingsland kwijt zijn - zal in de komende decennia een belangrijke stempel drukken op de wereldeconomie. Door het grotendeels ontbreken van de nodige technologie, ondersteund door een energiebewust beleid, is de efficiëntie waarmee deze nieuwe economische reuzen met energie omgaan bedroevend laag. Niet alleen economisch slecht, maar ook een ramp voor het milieu. Niet alleen om de aarde te redden, maar ook uit welbegrepen eigenbelang verspreidt Japan dan ook technologie op het gebied van energiebezuiniging: hoe minder de andere landen verbruiken, hoe meer er overblijft voor de eigen noden.
Andere energiebronnen Nucleaire energie Japan is zeer geavanceerd en gedreven bezig met de ontwikkeling van futuristische energiebronnen, maar men is realist genoeg om te beseffen dat er vandaag rijst op het bord en dus onmiddellijk beschikbare energie moet zijn. De Japanse overheid is dan ook op het vlak van kernenergie duidelijk minder schroomvallig dan de Belgische regering. Al moet hier worden opgemerkt dat zowel de Belgische regering als de Europese commissie hun bocht met betrekking tot kernenergie hebben ingezet. Hoe dan ook, Japan denkt absoluut niet aan afbouw, maar aan een verdere uitbouw van zijn kernenergie en dit onder het motto van snelle en ruime beschikbaarheid gekoppeld aan milieuvriendelijkheid door het beperken van de broeikasgassen. In Japan bestaan dan ook plannen om naast de bestaande vijftig kerncentrales nog eens twintig centrales bij te bouwen.
Aardgas Aardgas is een andere schone en snel beschikbare energiebron en Japan geeft op dit vlak blijk van een reuze honger, die onder meer met betrekking tot het eiland Sachalin ernstige rivaliteit oplevert met die andere energievreter, China. Aardgas blijft een prioriteit voor Japan en dit zowel vanwege de milieuveiligheid als vanwege de geografische spreiding van de winningsgebieden, die de afhankelijkheid van politiek gevoelige gebieden als het Midden-Oosten verkleint.
Hernieuwbare en nieuwe energie In 1997 nam Japan een wet aan over de promotie van alternatieve energiebronnen, waarin alternatieve energiebronnen worden gedefinieerd als zonne-energie, windenergie, geothermische energie (Japan is vulkanisch), afval gegenereerde energie en afvalwarmte. Ook alternatieve energiedragers voor voertuigen behoren tot deze categorie. Japan wenst in één decennium het aandeel van zijn alternatieve energiebronnen in zijn primair energieaanbod te verdriedubbelen. Het onderzoeksinstituut NEDO (New Energy and Industrial Technology Development Organization) in Tokio is een semi-overheidsorganisatie, die uitdrukkelijk tot doel heeft door het onderzoek naar en de praktische ontwikkeling van alternatieve energiebronnen Japan minder afhankelijk te maken van de politiek gevoelige oliestroom uit het Midden-Oosten.
In het door het Octrooicentrum Nederland, afdeling Kennisontwikkeling en Beleidsvorming in 2005 gepubliceerde rapport "Green Power" komt Japan duidelijk naar voren als de natie die op het vlak van alternatieve energie het meest actief is. Japan is volgens dit rapport zonder meer het belangrijkste land op het gebied van duurzame energie in het algemeen, gevolgd door de VS en Duitsland. Bij zonne-energie scoort het land van de rijzende zon duidelijk het best, bij windenergie moet het alleen Duitsland laten voorgaan, terwijl bij energie uit water Japan weer op kop ligt. Ook bij energie gewonnen uit aardwarmte behoort Japan tot de top drie van de wereld. Japan is wereldleider op het gebied van geavanceerde en baanbrekende technologieën, zoals waterstof- en brandstofceltechnologie en nanotechnologie. Deze laatste technologie moet toelaten om machines op uiterst kleine schaal te ontwikkelen, waardoor betere prestaties worden bereikt met minder verbruik van energie. De toenmalige Japanse premier, Junichiro Koizumi, nam in december 2002 de eerste in serieproductie vervaardigde door waterstof aangedreven auto in gebruik. De binnenlandse verkoop van de Prius van Toyota met zijn hybride motor werd niet toevallig gestart op de laatste dag van de klimaatconferentie, die heeft geleid tot het Kyoto-protocol.
Op 16 februari 2005 is het Kyoto-protocol, waarbij de industrielanden overeenkwamen om de uitstoot van broeikasgassen gemiddeld met 5 % te verminderen vergeleken met het niveau van 1990, officieel in werking getreden. Sinds Kyoto is milieu business, big business geworden. Vele Japanse bedrijven, onder wie Toyota, hebben dat goed begrepen. De film van Al Gore, An Inconvenient Truth, over klimaatwijziging kon daar op stormachtig applaus rekenen. Hun Prius gaat een gouden toekomst tegemoet.
Oliereserves Om in noodsituaties te voorzien, zoals olieblokkades en oorlog, heeft Japan een aanzienlijke nationale oliereserve opgebouwd. De olievoorraad van Japan is sinds september 2003 goed voor 167 dagen, wat maakt dat plotse onderbrekingen in de olieaanvoer kunnen opgevangen worden."Strategy and Approaches of Japan's Energy Diplomacy". The Ministry of Foreign Affairs of Japan. April 2004. http://www.mofa.go.jp/policy/energy/diplomacy.html
Verder probeert Japan door middel van internationale samenwerkingsverdragen een nog grotere veiligheid in te bouwen. Zo zet Japan zich via het Internationaal Energie Agentschap (International Energy Agency, afgekort als IEA, in het Engels) in om het systeem van noodmaatregelen bij energiecrises te verbeteren. Het IEA verplicht lidstaten een substantiële olievoorraad aan te leggen, die bij een olietekort kan worden aangewend om elkaars energievoorziening te garanderen.
Ten slotte is Japan ook actief in het opzetten van Aziatische systemen die bij crisissituaties de olienood moet ledigen. Dit gebeurt via organisaties als ASEAN+3 en de Asia-Pacific Economic Cooperation (APEC).
Zorgen voor internationale stabiliteit Betrokken regio's Daar Japan voor het overgrote deel van haar olievoorziening op buitenlandse bronnen is aangewezen, heeft ze er alle belang bij dat deze toevoer stabiel en betrouwbaar is. Hierin spelen hoofdzakelijk het Midden-Oosten en in mindere maar toenemende mate de Westkust van Afrika een grote rol. Voornamelijk de samenhang onderling en stabiliteit in de golfregio waren een eerste vereiste voor het behouden van goede internationale relaties, en dus toegang tot de olievoorraden. Hetgeen zeer duidelijk werd met het olie-embargo van 1973, alsook tijdens Golfoorlog in 1991. Een hoofdzuil van Japans rol in het zorgen voor internationale stabiliteit betreft dan ook de relaties met de betrokken landen in het vredesproces van het Midden-Oosten, zijnde Egypte, Jordanië, Syrië, Libanon, Israël en de Palestijnse Autoriteit. Goede relaties met de VS zijn onontbeerlijk gezien zij de grootste olieverbruiker zijn in deze regio. Om toegang te krijgen tot de oliereserves van Centraal-Azië (meer bepaald Kirgizië, Oezbekistan, Tadzjikistan en Kazachstan) moet Japan steeds meer optornen tegen de groeiende energiehonger van China, waardoor stabiliteit in de regio vaak als agendapunt het onderspit moet delven voor goede relaties met China. De overblijvende olieproducenten bevinden zich voornamelijk onder de ASEAN-landen en bij staten langs internationale scheepvaartroutes.
Midden-Oosten Japans positie ten opzichte van deze regio is geheel om economische redenen, daar het cultuurhistorische verleden van de twee regio's weinig tot geen verband hebben. (De VS heeft b.v. een uitgebreide en invloedrijke Joodse gemeenschap, en de grote spelers van Europa (met name Engeland en Frankrijk) waren verantwoordelijk voor de willekeur waarmee de regio werd opgesneden en verdeeld na 1916) Er heerst een duidelijk besef binnen de Japanse regering dat vrede en stabiliteit in het Midden-Oosten niet bereikt kan worden zonder de oplossing van de complexe en moeilijke problemen binnen de conflictzone die al meer dan een eeuw aan de gang zijn. Zonder economische stabiliteit is een vredesproces niet mogelijk. Onder de laag van geweld en terrorisme liggen diep gewortelde economische problemen en extreme armoede. Door aan de economie van de conflictgebieden te werken en steun te leveren, tracht Japan de vlagen van geweld en vernieling te doorbreken en onnodig te maken.
Egypte, Jordanië, Syrië, Libanon, Israël en Palestijnse Autoriteit