thumb|400px|Het Generale zijlvest der Drie Delfzijlen en de onderliggende zijlvesten in de 18e eeuw Het Generale Zijlvest der Drie Delfzijlen was een boezemwaterschap in de provincie Groningen. Het vormde tot in de 19e eeuw de belangrijkste waterstaatsorganisatie in het noordoostelijk deel van het Groninger terpengebied en de Wolden. Het kende in vergelijking met de andere zijlvesten een wat ingewikkelde organisatie. Het was de overkoepelende organisatie van drie zijlvesten: het Scharmerzijlvest, het Slochterzijlvest en het Dorpsterzijlvest. Het was gebruikelijk dat ieder zijlvest de afwatering via een eigen sluis (zijl) regelde. De drie zijlen van genoemde zijlvesten lagen naast elkaar in Delfzijl, waar het Damsterdiep uitmondde in de Eems. Vandaar dat een samenwerking tussen de drie zijlvesten in het verband van het Generale Zijlvest voor de hand lag.
Middeleeuwen Voorgeschiedenis Het natuurlijk afwateringssysteem van de Wolden was voor het grootste gedeelte gericht op de Fivel. Kleinere delen van het gebied waren voor de waterafvoer afhankelijk van de Hunze en de Sijpe. Nadat men begonnen was het gebied te ontginnen, onder andere door turfwinning, begon ook het proces van bodemdaling door klink en oxidatie. De ontginningen waren halverwege de 11e eeuw al flink gevorderd (Ligtendag, 1995) en het is waarschijnlijk dat deze ontginningen vanuit het noordelijker gelegen terpengebied werden ondernomen.
Ontginningen en bodemdaling maakten dat de afwatering in noordelijke richting naar de Fivelboezem noodzakelijker werd. Omdat de Fivelboezem hoger kwam te liggen door opslibbing werd de natuurlijke afwatering steeds meer gehinderd. Door de aanleg van het getijdenkanaal de Delf tussen Garrelsweer en Tuikwerd werd de afwatering nu naar de Eems geleid. Aanvankelijk had de Delf een open verbinding met de Eems en loosden de afzonderlijke zijlvesten hun water via zijlen en duikers in de Delf. Dat gold met name voor het Scharmer- en het Slochterzijlvest, die - om een betere afwatering te verkrijgen - een deel van de Fivel bij Ten Post hadden gekanaliseerd. Gezamenlijk onderhielden zij een of meer sluizen bij Muda onder Winneweer. Beide zijlvesten worden in 1317 gekenschetst met de namen Germania en Slochtera; mogelijk was de abt van het klooster Germania te Thesinge betrokken bij de oprichting van het Scharmerzijlvest. De kroniek van Wittewierum meldt dat in 1192 de eerste 'vaste sluis' werden aangelegd; vermoedelijk werd daarmee de zijl van Muda bedoeld, en niet die in het Vismaar, zoals Formsma meende.Formsma, 'Delvinaria', p. 50. Van den Broek, 'Van tochtsloot tot levensader'. Gearchiveerd op 24 januari 2022.
Het Scharmerzijlvest had waarschijnlijk eerst een eigen afwatering. De benedenloop van de Scharmer Ae bij Woudbloem is kennelijk gegraven om te voorkomen dat het water uit de veenontginning bij Scharmer naar het eerder ontgonnen veengebieden bij Slochteren stroomde. Hij kreeg ter hoogte van Schaaphok aansluiting op de Smerige Ae, die via het Westermeer en de Molensloot uitmondde in de Kleisloot en het Lustigemaar. Van daaruit stroomde het water via een watergang die later is opgenomen in het Damsterdiep (*Ten Postertocht) naar de benedenloop van de Fivel bij Ten Post. Deze laatste watergang is vermoedelijk al eerder gegraven om een nauw kronkelend stroombed langs Lellens richting Winneweer af te snijden. Hierbij voegde zich het water uit de veengebieden van Garmerwolde, Thesinge en Ten Boer, het zogenaamde Vierendeel, dat via het Westerwijtwerdermaar werd aangevoerd. Dit verklaart waarom het Scharmerzijlvest aanvankelijk werd aangeduid als 'Germania', naar het klooster Germania in Thesinge. De leiding van het Scharmerzijlvest werd later overgedragen aan de abt van het klooster van Ten Boer.
De benedenloop van de Fivel raakte rond 1200 min of meer verstopt. De Groningse stadsarchivaris Jan van den Broek heeft onlangs aannemelijk gemaakt dat het Vierendeel en (delen van) het Scharmerzijlvest aanvankelijk hebben geprobeerd om via het Westerwijtwerder- en Stedumermaar aansluiting te krijgen bij het latere Winsumer- en Schaphalsterzijlvest bij Onderdendam, waardoor de wateroverlast in lager gelegen gebied rond Bedum toenam. Ook het alternatief, het doortrekken van het Kardinger- en Westerwijtwerdermaar via het Maarvliet naar de Fivelboezem bij Garsthuizen, was omstreden.
De belangentegenstelling leidde tot ernstige conflicten, die men omstreeks het midden van de dertiende eeuw heeft opgelost door het hele gebied in tweeën te delen. Het Vierendeel bleef via een keersluis bij Onderdendam uitwateren naar het westen; daarentegen werd het latere Scharmerzijlvest ingelaten in het Slochterzijlvest. Als waterscheiding diende voortaan een lage dijk, de zogenaamde Buursterzuidwending (Sudewendena van Bure), die later is uitgebouwd tot Stadsweg, en een dam bij Oosterdijkshorn, die het lagere zomerpeil in het Vierendeel moest scheiden van het hogere peil in het Scharmerzijlvest.Van den Broek, 'Het Woldland in de Middeleeuwen'. Gearchiveerd op 12 maart 2023. Documenten uit de vijftiende en zestiende eeuw noemen de Damster wech of den oestersen wall als grens met het Winsumer- en Schaphalsterzijlvest.O.D.J. Roemeling, 'De 'Wolde' parochies tussen Ten Boer en Bedum’, in: Driemaandelijkse Bladen 30 (1978), pp. 55-74, hier p. 58-59 De waterkering op den stadswech geleegen van Dijxhorne in to der Borch (Borgwal) streckende wordt nog in 1567 als zodanig vermeld.Groninger Archieven, Huisarchief Farmsum, inv.nr. 89, reg. 486
Oprichting In het begin van de veertiende eeuw werden bij Delfzijl drie zijlen gebouwd. De middelste en zuidelijkste zijl werden aangelegd door respectievelijk het Slochter- en het Scharmerzijlvest. Bij die gelegenheid werd tevens een nieuw zijlvest gevormd - het Dorpsterzijlvest - dat de bestaande afwateringseenheden langs de Delf verenigde. Dorpster is kennelijk een verbastering van het woord Dampme, waarmee het zijlvest in 1317 werd aangeduid. De sluis van het Dorpsterzijlvest was de meest noordelijke sluis; hij was vermoedelijk geschikt voor de scheepvaart, waardoor Appingedam voor kleinere zeeschepen bereikbaar bleef.
Het oudere Woldzijlvest, dat via het Garreweerstermaar en later de Groeve op de Delf uitwaterde, bleef buiten dit verband, net als de afwateringsgebieden van de Groote en Kleine Heekt, die hun handen al vol hadden aan de zeedijken. Vrijwel het gehele gebied van het Generale Zijlvest loosde het water via deze sluizen op de Eems. In 1303 worden de Delfzilen voor het eerst genoemd, in 1317 kreeg het Generale Zijlvest een reglement, dat in 1445 werd vernieuwd.OGD nr. 255.; 1445 afgedrukt in C.C. Geertsema, De zijlvestenijen in de Groninger Ommelanden, Groningen 1879. Gearchiveerd op 12 december 2022.
Ook de sluizen langs de Delf bleven in functie. De zijl ter Muden was nog in 1470 voorhanden. Het Generale Zijlvest fungeerde in zekere zin als een boezemwaterschap, dat het water uit de overigen waterschappen opving, alvorens het op zee werd geloosd. Dankzij deze getrapte ontwatering werd het voor de lage landen beter mogelijk te profiteren van de getijdewerking. Zodra het hoofdkanaal was leeggelopen en het weer vloed werd, sloten zich de zijldeuren, waardoor de periode waarin de binnenwaarts gelegen waterschappen hun water op het hoofdkanaal konden lozen, verlengd werd.
Uitbreiding In de loop der eeuwen werd het gebied van de Drie Delfzijlen steeds verder uitgebreid. Al in de beginperiode kregen de laag gelegen landerijen ten noorden van het Schildmeer, die feitelijk binnen de grenzen van het Woldzijlvest lagen, aansluiting bij het Slochterzijlvest. Het Dorpsterzijlvest werd uitgebreid met het grondgebied van de dorpen Opwierde, Eelwerd, Tuikwerd en Meedhuizen, die nog in 1306 tot het Farmsumerzijlvest werden gerekend. Mogelijk gold dit ook voor Oling en een deel van Appingedam (de Zuiddamster eed). Meedhuizen keerde tussen 1471 en 1542 definitief terug in het Farmsumerzijlvest.
In 1370 sloten de dorpen Middelbert en Engelbert, die eerder naar de Hunze uitwaterden, zich bij het Scharmerzijlvest aan, in 1424 gevolgd door een deel van de Oosterstadshamrik, in 1434 door de rest (ook wel het oude Westerstadshamrik genoemd, ter onderscheiding van het gelijknamige stadsgebied bij Hoogkerk). Daarvoor werd aanvankelijk een zijltje gemaakt bij de Stertabolabalka te Ruischerbrug, waarin de Euvelgunner Waterlozing of Weterlesne uitmondde. Via de Damster vaert of het olde Damster maer (langs de Grasdijk) liep het water naar het noordoosten, waar het in de Oude Kwens of in het Lustigemaar stroomde. Deze oplossing voldeed nauwelijks. In 1424 werd daarom het Damsterdiep aangelegd, dat het gebied rond de stad Groningen verbond met het Lustigemaar, de Fivel en de Delf. De naam Damsterdiep - voor het eerst vermeld omstreeks 1475 - ging later over op de Delf. Met het geld dat het Westerstadshamrik in 1434 betaalde om ingelaten te worden, financierde men vermoedelijk tevens het afsnijden van de resterende kronkels van het Damsterdiep bij Ten Post. Het rechtgetrokken stuk werd later aangeduid als Nije diep.Van den Broek, 'Van tochtsloot tot levensader'. Gearchiveerd op 24 januari 2022.
De aanleg van het Damsterdiep doorsneed de oude scheepvaartverbinding tussen de Fivelboezem en het Reitdiep. Het Lustigemaar, die via het Stedummer- en Westerwijtwerdermaar in het Winsumerdiep uitmondde, werd hier doorsneden. Om de koophandel te bevorderen werd daarom in 1468 bij Oosterdijkshorn een extra stel sluisdeuren geplaatst, die zorgden dat het water van het Damsterdiep niet in de lager gelegen delen van het Winsumer- en Schaphalsterzijlvest belandde. In 1664 werden deze sluisdeuren vervangen door een schutsluis of verlaat.
Door het dichtslibben van de Fivelboezem moesten ook verder noordwaarts gelegen dorpen hun afwateringsrichting veranderen. In 1444 werd het Omptadazijlvest oftewel het gebied van de Zandtsterhamrikken, dat eerder via de Ompteda Tiade (Kleine Tjariet) naar zee uitwaterde, toegelaten tot het Dorpsterzijlvest. Bij die gelegenheid werd vermoedelijk het Oosterwijtwerdermaar (ook wel Zandtster of Leermenster maar genoemd), dat de verbinding vormt tussen het Godlinzermaar en de Delf, gegraven.Jan van den Broek vermoedt dat het Oosterwijtwerdermaar al uit de ontginningstijd stamt. 'Van tochtsloot tot levensader'. Gearchiveerd op 24 januari 2022. In de 17e eeuw lag hier een verlaat - een open sluisje dat geschikt was voor de scheepvaart. In 1464 werden Westeremden, Garsthuizen en de polders van Zeerijp, die eerder aansluiting hadden bij het Oosterniezijlvest (genoemd naar een sluis bij Oosternieland), bij het Slochterzijlvest gevoegd. Men koos voor deze laatste oplossing om de welvarende polderboeren te laten bijdragen aan het armlastige Slochterzijlvest. Of zoals tijdgenoten het uitdrukten: want Slochter Zijlvesten de kranckeste zijlvesten was. In 1557 volgden nog de Hoornster Landen bij Oosternieland.
Om wateroverlast in Appingedam te voorkomen, moesten de ingelanden van Westeremden en 't Zandt een omleidingkanaal door het stadje graven, het Zandtsterdiep of Kattendiep. Ze maakten daarvoor gebruik van een voormalige arm van de Heekt die hier als stadsgracht fungeerde. Ook bleven ze tot ver in de 19e eeuw verantwoordelijk voor aanleg en onderhoud van twee bruggen in Appingedam: het Zandtster Oostertil (Zansterpijpje, 1725) en de Solwerdertil (Zanster Oostertil).
Ook aan de zuidkant volgden nieuwe inlatingen, waarvan de Oosthelperhamrik (1620), Westerbroek (1675) en een deel van Hoogezand-Sappemeer (1780) de belangrijkste waren.
In 1799 verkreeg het Farmsumerzijlvest definitief uitwatering door de drie Delfzijlen, nadat de Farmsumerzijl in 1753 afgedamd was. Een dwarsverbinding of schipsloot met sluisdeuren was al in 1574 aangelegd.
Dijkrechten