thumb|Zelfportret, ca. 1519, Museo Thyssen-Bornemisza, Madrid thumb|De Maagd lacteert Jezus, La Boverie, Luik Joos van Cleve (of Joos van der Beke, alias van Cleve) (ca. 1485/1490 – 1540 of 1541) was een Zuid-Nederlands kunstschilder die werkzaam was in Antwerpen tussen 1511 en 1540. Hij was een flexibel schilder die zijn stijl kon aanpassen aan de wensen van de opdrachtgevers en schilderde zowel in de stijl van de grote Brugse schilders als in de maniëristische stijl van zijn tijd en in de Italiaanse renaissancestijl voor werken die door Italiaanse opdrachtgevers waren besteld.Micha Leeflang, 2007, p. 111, 117, 118. Joos van Cleve was een zeer productief schilder: er zijn meer dan driehonderd werkenMicha Leeflang, 2007, p. 14. aan hem en zijn atelier toegeschreven waarvan een groot aantal met religieuze thema’s. Typisch voor Van Cleve zijn de achtergronden met weidse landschappen. Hij schilderde ook verschillende portretten voor Europese koningshuizen.
Biografie Afkomst Over het algemeen wordt aangenomen, op basis van zijn alias "van Cleve", dat "Joos van der Beke, die men heet van Cleve", omstreeks 1485-1490Deze datum wordt aangenomen op basis van zelfportretten die hij schilderde op een aantal van zijn werken, Micha Leeflang, 2007, p. 14. werd geboren in de stad Kleef in het gelijknamige hertogdom, tegenwoordig Duitsland, in zijn tijd taalkundig en cultureel een deel van de Nederlanden. Er is echter geen enkel documentair bewijs dat Joos van der BekeDe meester ondertekende meerdere werken met een monogram (IB, IvaB) dat verwees naar zijn echte naam en ook zijn kinderen werden geregistreerd in de archieven als Van der Beke. inderdaad uit Kleef afkomstig was. Van de familie Van der Beke zijn wel sporen terug te vinden in de buurt van Wesel in het noordwesten van Noordrijn-Westfalen, maar er zijn geen aanwijzingen dat Joos familie was van deze Van der Bekes.Micha Leeflang, 2007, p. 22. Er zijn ook geen betrouwbare gegevens teruggevonden over de vader of moeder van Joos van der Beke en in de Antwerpse archieven is niets over hem terug te vinden voor zijn toetreding tot het Sint-Lucasgilde in 1511.
Opleiding Joos van Cleve zou zijn opleiding gekregen hebben in het atelier van Jan Joest een schilder uit Kalkar of Wesel in het toenmalige hertogdom Kleef. Deze associatie is gebaseerd op de medewerking van Joos van Cleve aan de retabelluiken die Jan Joest schilderde voor het hoogaltaar in de Sankt Nikolaikirche in Kalkar tussen 1506 en 1509.Ulrike-Wolff-Thomsen, Jan Joest (circa 1460-1519), Maler (geraadpleegd op 30/10/2014). Op een deelpaneel van het rechterbuitenluik, dat de Opwekking van Lazarus voorstelt schilderde Joos zichzelf als een van de toeschouwers. Op basis van dit zelfportret kan men met zekerheid besluiten dat Joos samenwerkte met Jan Joest aan deze belangrijke opdracht, maar men weet niet in welke hoedanigheid, leerling, gezel of knecht. Noch in de contracten aangaande het altaarstuk noch in andere archieven is er sprake van Joos van Cleve, er is dus geen enkel documentair bewijsstuk dat Joos als leerling van Jan Joest plaatst. Bovendien blijkt uit het feit dat hij meewerkte aan het eigenlijke schilderen van het altaarstuk, dat hij al ver gevorderd was in zijn opleiding of dat zijn opleiding voltooid was, alleszins kunnen we ervan uitgaan dat Jan Joest Joos erkende als een volleerd schilder.Micha Leeflang, 2007, p. 24. Het blijft dus zeer moeilijk en hypothetisch om de leermeester van Joos van Cleve exact te benoemen.J. O. Hand, 2004, pp. 13-14.
Loopbaan Werkzaam in Brugge? thumb|Annunciatie van de geboorte van Christus, ca. 1525 (voorbeeld van Brugse invloed), Metropolitan Museum of Art, New York Op basis van de Brugse invloeden in zijn vroege werken menen sommige kunsthistorici dat Joos van Cleve na zijn medewerking aan het altaarstuk in Kalkar van 1508 tot 1511 in Brugge zou gewerkt hebben.J.O. Hand, 2004, p. 1. Onder meer zijn Adam en Eva, nu in het Louvre in Parijs en de diverse schilderijen van een Madonna met kind, die doen denken aan de stijl van Gerard David, wijzen volgens een aantal kunsthistorici in die richting.M. J. Friedländer, Early Netherlandish Painting. Joos van Cleve, Jan Provost, Joachim Patenier, deel 9, deel I, Leiden/ Brussel 1972, pp. 28-31. Micha Leeflang wijst erop dat David zowel in Antwerpen als in Brugge als vrijmeester was ingeschrevenen en dat Joos van Cleve dus perfect kan kennis gemaakt hebben met het werk van David in Antwerpen. Met andere woorden ook voor het verblijf van Joos van Cleve in Brugge zijn geen documenten gevonden die dit bevestigen en het is het dus helemaal niet zeker dat hij in Brugge gewerkt heeft.
Hand voegt hier aan toeJ. O. Hand, 2004, pp. 13-21. dat de kunst van de Brugse schilders zoals Jan van Eyck, Gerard David en Hans Memling gekend was in de Nederrijnse regio. Ook Jan Joest met wie van Cleve zeker heeft samengewerkt, kende de Vlaamse schilderkunst en zijn altaarstuk in de Nikolaikerk toont even goed invloeden van Vlaamse meesters. De Adam en Eva van Joos van Cleve (gedateerd in de lijst op 1507) kunnen dus even goed in Kalkar geschilderd zijn. Het is duidelijk dat Joos van Cleve zich inspireerde op de triptiek van een Getroonde Maagd met Kind van Gerard David, nu in het Louvre, voor de figuur van Adam en op een gelijkaardig werk van Memling, nu in het Kunsthistorisches Museum in Wenen voor de pose van Eva, maar ook op de Adam en Eva op het altaarstuk van Jan Joest uit Kalkar. Dus ook voor Hand is een verblijf in Brugge zeer goed mogelijk maar allesbehalve vaststaand.
Een verklaring voor die Brugse stijl van zijn vroege werken is trouwens vrij voor de hand liggend. Toen Joos van Cleve zich in 1511 als vrijmeester in Antwerpen vestigde was er niet zoiets als een Antwerpse school die furore maakte. Wat Joos ter plaatse vond en wat zijn collega's schilderden, was een allegaartje van verschillende stijlen en kwaliteit. Het is dus niet verwonderlijk dat Van Cleve in het begin van zijn schildersloopbaan bleef werken in de Brugse stijl waar potentiële klanten mee vertrouwd waren.J. O. Hand, 2004, p. 23. Met zijn Madonna's met kind die hij schilderde in de stijl van Gerard DavidBv. de rust tijdens de vlucht naar Egypte, Museo del Prado, Madrid; J. O. Hand, 2004, fig.16 p. 26. of naar een model van Robert Campin,J. O. Hand, 2004, fig.14 p. 25, privécollectie. had hij blijkbaar succes gezien het aantal kopieën dat bewaard is gebleven en ook toen moest een schilder leven van de verkoop van zijn werken!
Vrijmeester in Antwerpen miniatuur|left|Reinholdaltaar, ca. 1516, Nationaal Museum van Warschau Uit de Liggeren van de Antwerpse Sint-Lucasgilde weten we dat Joos van Cleve in het gilde werd ingeschreven als vrijmeester in 1511Ph. Rombouts en Th. van Lerius, p.75. en vijf jaar later, in 1516 nam hij een eerste leerling aan: Claes van Brugge.Ph. Rombouts en Th. van Lerius, p. 86. Dit betekent uiteraard dat hij in 1511 al poorter van Antwerpen was, want men kon geen vrijmeester worden als men het poorterschap niet had. Nochtans is van een eventuele koop van het poorterschap niets terug te vinden in de Antwerpse archieven. thumb|Katlijne van Mispelteeren, ca. 1535-40, Royal Collection In 1519 wordt hij deken van het gilde samen met Simon van Dale,Ph. Rombouts en Th. van Lerius, p. 91. een glasschilder. In datzelfde jaar trouwde Joos met Anna Vijdts. Het paar kreeg twee kinderen, een zoon Cornelis in mei 1520 en in 1522 een dochter Jozijne.F. J. Van den Branden, Geschiedenis der Antwerpse Schilderschool, Antwerpen 1883, pp. 128-129. Zijn familieleven was minder gelukkig. In 1528 sterft zijn eerste vrouw Anna en hij hertrouwt met Katlijne van Mispelteeren in 1529.Micha Leeflang, 2007, p. 28-30.Volgens Hand was dit mogelijk 1531: J. O. Hand, 2004, pp. 5-7. In zijn testament opgemaakt op 10 november 1540Van den Branden, 1883, p. 132: Protocollen van den notaris Zeger sHertoghen, 1540-43. wordt verwezen naar een buitenechtelijke dochter Tannekin die hij verwekt had bij Clara van Arp. Het was Pieter Coecke van Aelst die door Joos was aangeduid om het testament uit te voeren.Vic De Donder, Glimlach van de kunst, een verrassende kijk op de wereld in XII werken, Davidsfonds, p. 20. Katlijne, die in 1541 als weduwe wordt vermeld, overleeft hem twintig jaar en neemt de zorg over zijn zoon Cornelis op zich. Die had zich in Engeland gevestigd maar was ten prooi aan waanzin naar Antwerpen teruggekeerd.
Van den Branden vermeldde verder nog dat Joos een huis huurde in de buurt van de gratiekapel en dat hij op 25 maart 1528 van zijn schoonouders Jan Vijdt, een droogscheerder, en Geertruid Karijs het huis "het Exterken" kocht buiten de oude Koepoort en vlak bij de Koepoortbrugge. Hij vestigde daar zijn atelier waar hij onder meer zijn zoon Cornelis opleidde.
miniatuur|left|Maria met kind en engelen, ca. 1525, Walker Art Gallery, Liverpool In 1520 wordt hij nogmaals benoemd tot deken van het gilde, ditmaal samen met Jan Wellens de Cock, een andere schilder.Ph. Rombouts en Th. van Lerius, p. 94. In hetzelfde jaar werd Van Cleve ook lid van het gilde van Onze-Lieve-Vrouwelof bij de Onze-Lieve-Vrouwekerk.Van den Branden 1883; Rekening der Gilde van O.L.Vrouwelof, in O.L.Vrouwekerk, 1520. p. 128. In 1523 kwam Jacob (Coppen) TomassonePh. Rombouts en Th. van Lerius, p. 103. bij hem in de leer en in 1525 wordt hij voor de derde keer aangesteld tot deken van het gilde samen met Willem van Meulenere.Ph. Rombouts en Th. van Lerius, p. 105. Joos nam opnieuw twee leerlingen aan in 1535, Frans Dussy en Willeken de StommePh. Rombouts en Th. van Lerius, p. 125-126. en in 1536 komt daar Joost DierickssonePh. Rombouts en Th. van Lerius, p. 129. bij.
Het Sint-Lucasgilde richtte in 1538 een armenbus op,F. J. Van den Branden, 1883, pp. 134-135 een kas die een uitkering moest verzorgen voor verarmde of zieke gildebroeders. Ook van deze organisatie, waarvan hij medestichter was, wordt Van Cleve in 1538 en 1540 tot deken benoemd.
Joos van Cleve moet overleden zijn tussen 10 november 1540, de datum waarop hij zijn testament liet noteren en 13 april 1541, datum waarop in een koopakte voor twee huizen aan de Reyndersstraat, Katlijne van Mispelteeren weduwe genoemd werd. Op 4 februari verkocht de weduwe "het Exterken", het voormalig atelier.F. J. Van den Branden, 1883, p. 133
Verblijf in Frankrijk? thumb|Portret van Frans I, 1532-1533, Philadelphia Museum of Art