Dit artikel behandelt de geschiedenis van Mexico van 1929 tot 2000, de periode waarin Mexico werd geregeerd door de Institutioneel Revolutionaire Partij (PRI) en haar voorgangers. In de 'officiële' geschiedschrijving van de tijd zelf werd deze periode wel aangeduid als de Institutionele Revolutie.
Maximato
thumb|President Plutarco Elías Calles Mexico bevond zich in 1929 in een grote politieke crisis: Álvaro Obregón was een jaar eerder tot president gekozen en vermoord, de Cristero's verzetten zich tegen het antiklerikale beleid van de Mexicaanse regering en de Grote Depressie had ook in Mexico toegeslagen. Hoewel de Mexicaanse Revolutie al meer dan tien jaar voorbij was bleef het onrustig, en wilde het land maar niet stabiliseren. Sterke man in Mexico was Plutarco Elías Calles, die president was geweest van 1924 en 1928. Calles verklaarde dat Mexico een 'land van instituties en wetten moest worden' en nam het voortouw in de oprichting van de Nationaal Revolutionaire Partij (PNR), waarin lokale partijen en allerhande belangenorganisaties verenigd werden. Hij benoemde zichzelf tot 'opperste leider' van de partij, oftewel jefe máximo waardoor deze periode wel als het maximato wordt aangeduid. Een opstand tegen Calles en zijn PNR, geleid door generaal José Gonzalo Escobar werd neergeslagen, hoewel het wel een enorme schade aan de infrastructuur teweegbracht.
In 1929 werd Pascual Ortiz Rubio tot president gekozen, maar hij was feitelijk slechts een stroman van Calles. Wel werd in dat jaar vrede getekend met de Cristero's. Twee jaar na het aantreden van Ortiz Rubio dwong Calles zijn aanhangers Ortiz Rubio's kabinet te verlaten na een conflict over een benoeming, waarna Ortiz Rubio besloot af te treden. Calles' vertrouweling Abelardo Luján Rodríguez werd als nieuwe president geïnstalleerd. Hoewel Calles de PNR mede had opgericht om een einde te maken aan het te eigengereid optreden van de lokale caciques, maar Calles liet de meesten gewoon hun gang gaan, zolang ze hem maar steunden. Ook verleende hij zwijgende steun aan de semi-fascistische goudhemden.
Nadat Rodríguez' termijn was afgelopen benoemde Calles Lázaro Cárdenas tot kandidaat voor de PNR, die vervolgens ook gekozen werd. Calles meende Cárdenas wel in de hand te kunnen houden, maar dat bleek uiteindelijk anders te lopen. Cárdenas liet oude revolutionaire idealen herleven, tot onvrede van Calles, die inmiddels een rechtse conservatief was geworden. Vooral Cárdenas' steun aan stakingen was een doorn in Calles oog. De twee dreven dan ook onherroepelijk uit elkaar, en Cárdenas slaagde erin een voor een Calles' getrouwen uit hun hoge posities te ontheffen. In april 1936 werd Calles ten slotte zelf gearresteerd en het land uit gezet.
Cárdenas' regering thumb|Generaal Lázaro Cárdenas del Río Cárdenas ontpopte zich tot een van de populairste presidenten die Mexico ooit heeft gekend. Hij deelde meer land uit aan arme boeren dan alle andere presidenten bij elkaar. Hij liet de PNR hernoemen tot Partij van de Mexicaanse Revolutie (PRM) en maakt er een corporatistische organisatie van, onder andere door het integreren van de Confederatie van Mexicaanse Arbeiders (CTM) en andere organisaties. De PRM richtte zich op vier groepen: arbeiders, middenklasse, boeren en bureaucraten. De daad waarmee Cárdenas zich het populairst mee heeft gemaakt is ongetwijfeld de Expropiación Petrolera, de nationalisering van de olie-industrie en de oprichting van Petróleos Mexicanos. Al in 1917 werd in de grondwet vastgelegd dat de Mexicaanse bodemrijkdommen staatseigendom waren, maar de voorgaande regeringen durfden nationalisering niet aan om buitenlandse bedrijven niet tegen het hoofd te stoten. Nadat buitenlandse oliebedrijven weigerden zich neer te leggen bij een besluit van het Hooggerechtshof na een conflict met de CTM ging Cárdenas over tot de nationalisatie. Saturnino Cedillo kwam naar aanleiding van de nationalisatie in opstand, maar werd verslagen en gedood door het leger, waarmee definitief een einde kwam aan de opstanden die Mexico al sinds de revolutie teisterden.
Onder Cárdenas werd het verbod op de Mexicaanse Communistische Partij (PCM), dat uit de tijd van Calles stamde, opgeheven. Mexico werd een centrum van socialistische en progressieve ideeën. Het was dan ook geen toeval dat Lev Trotski Mexico als ballingsoord koos. Hij werd opgevangen door het schilderskoppel Frida Kahlo en Diego Rivera in Coyoacán. Met Kahlo zou hij zelfs een relatie hebben gehad. Kahlo en Rivera maakten deel uit van de kunststroming van het muralisme dat in het post-revolutionaire Mexico tot bloei was gekomen. Andere schilders uit deze stijl waren Juan O'Gorman, Dr. Atl en David Alfaro Siqueiros, een Stalinist die vergeefs een poging deed Trotski om het leven te brengen. Siqueiros en Rivera poogden de revolutionaire idealen in hun schilderkunst uit te beelden, terwijl Kahlo zich ook liet inspireren door het surrealisme.
Cárdenas brak de macht van het leger. Dit had tot gevolg dat het Mexicaanse politieke systeem niet in elkaar stortte zoals gebeurde in het Argentinië van Juan Perón en het Brazilië van Getúlio Vargas, die qua regeerstijl vaak met Cárdenas worden vergeleken. Cárdenas verschilde ook van de andere twee Latijns-Amerikaanse leiders in het feit dat hij geen sympathie toonde voor het fascisme. Desalniettemin bestond in Mexico onder delen van de bevolking wel sympathie voor het fascisme. Naast Calles' goudhemden was dit vooral de Nationaal Synarchistische Unie (UNS) van Salvador Abascal. Het synarchisme was een ultra-katholieke variant van het fascisme, en veel synarchisten waren voormalige Cristero's. Op haar hoogtepunt had de UNS een half miljoen leden.
Cárdenas werd in 1940 opgevolgd door de iets conservatievere Manuel Ávila Camacho. Linksere revolutionairen, en eigenlijk Cárdenas zelf ook, hadden liever Francisco Múgica als opvolger gezien, maar Cárdenas achtte het verstandig door een meer gematigde politicus te worden opgevolgd die oude conflicten kon bijleggen. Onder Ávila Camacho vond een nationale verzoening plaats waardoor veel generaals en politici die eerder het land hadden ontvlucht konden terugkeren.
Tweede Wereldoorlog
thumb|De Duitse duikboot U-106 torpedeerde een Mexicaanse olietanker en bracht Mexico zo in oorlog aan de kant van de Amerikanen De Mexicaanse regering van Cárdenas en Ávila Camacho was fel gekeerd tegen het fascisme. Het ving republikeinse vluchtelingen op uit de Spaanse Burgeroorlog en veroordeelde de Anschluss van Oostenrijk bij nazi-Duitsland. In 1940 tekende de Mexicaanse ambassadeur in Vichy-Frankrijk een verdrag waarin alle republikeinen die na de burgeroorlog naar Frankrijk waren gevlucht de Mexicaanse nationaliteit kregen, en probeerde er zo veel mogelijk te redden door hen naar Mexico over te brengen. Dit verliep echter maar moeizaam en na de Duitse bezetting van Vichy in 1942 werden de republikeinen die niet gered waren alsnog opgepakt en gedeporteerd naar de concentratiekampen.
Desalniettemin waren de fascistische mogendheden Mexico na de nationalisering de belangrijkste afnemers van Mexicaanse olie geworden, daar de Amerikanen, Britten en Nederlanders een boycot hadden ingesteld. Ook kende het land een principe van non-interventie, waardoor het zich buiten het strijdgewoel hield. De relatie met de Verenigde Staten verbeterde tijdens de Tweede Wereldoorlog echter, en na de aanval op Pearl Harbor verbrak Mexico de diplomatieke betrekkingen met de asmogendheden. De relaties met het Verenigd Koninkrijk bleven slecht, onder andere omdat Mexico volgens berichten van de Engelse geheime dienst (die overigens niet waar bleken te zijn) een aanval in Brits-Honduras plande. Nadat Duitse onderzeeërs de Mexicaanse olietankers Potrero del Llano en Faja de Oro had getorpedeerd verklaarde Mexico de oorlog aan Duitsland, Italië en Japan. In Mexico bestond aanvankelijk weerstand tegen de oorlogsverklaring (sommige nationalistische Mexicanen hoopten zelfs dat de schepen in werkelijkheid waren gekelderd door de Verenigde Staten, Mexico's traditionele vijand), maar uiteindelijk schaarden Mexicanen zich enthousiast achter de geallieerden. Eskader 201 van de Mexicaanse luchtmacht vocht mee in de Grote Oceaan tegen Japan. Mexico tekende het Braceroprogramma met de Verenigde Staten, waarin Mexicanen werden uitgenodigd naar de Verenigde Staten te migreren om daar het tekort aan arbeidskrachten aan te vullen.
Het 'Mexicaanse wonder' en de 'Gouden jaren'
thumb|President Miguel Alemán Valdés bij de Amerikaanse president Truman In februari 1945 overleed Maximino Ávila Camacho. Dit was de broer van de president en in alle opzichten zijn tegenpool. Waar Manuel bekendstond als vroom, beleefd en bescheiden stond Maximinio bekend als een corrupte vechtersbaas en vrouwenversierder, en had talloze buitenechtelijke kinderen. Deze dood werd wel symbolisch gezien als het einde van het 'oude Mexico'. Mexico had een einde gemaakt aan een gewelddadige periode in zijn geschiedenis en was nu een beschaafd land geworden dat op weg was naar een betere toekomst. Manuel Ávila Camacho, de 'gentleman-president' was de verpersoonlijking van dit nieuwe Mexico. Hij poogde een einde te maken aan de twisten uit het verleden, en uitnodigde politici en militairen die onder Calles of Cárdenas naar de Verenigde Staten waren gekomen terug in Mexico. In 1946, kort voor hij werd opgevolgd door Miguel Alemán Valdés (1946-1952), hernoemde hij de PRM tot de Institutioneel Revolutionaire Partij (PRI), zoals die nu nog steeds heet. Als Alemáns voornaamste daden als president gelden het invoeren van het vrouwenkiesrecht in 1953 en het wederzijdse staatsbezoek van de Amerikaanse president Harry Truman in 1947. Bij deze gelegenheid legden zij een krans bij monument voor de Niños Héroes, die tijdens de Amerikaans-Mexicaanse Oorlog honderd jaar eerder om het leven waren gekomen. Dit werd gezien als het definitieve bewijs dat de Verenigde Staten en Mexico voortaan weer als bevriende naties naast elkaar zouden leven.
De groei van de Mexicaanse economie zette zich na de Tweede Wereldoorlog door. De regering baseerde haar economische politiek op importsubstitutie-industrialisatie, waarbij het de Mexicaanse economie poogde te 'Mexicaniseren', maar wel stond men welwillender tegenover (binnenlandse en buitenlandse) zakenlieden dan tijdens Cárdenas het geval was geweest. Wel gingen de nationaliseringen door, met onder anderen de spoorwegen en het elektriciteitsnet. Opmerkelijke resultaten werden geboekt in de bestrijding van het analfabetisme en de gele koorts en pokken werden in Mexico uitgeroeid. Al tijdens Ávila Camacho's regering werd met de verbetering van de landbouw begonnen, wat als wereldwijde begin wordt gezien van de Groene Revolutie. De belangen van de arbeiders werden vertegenwoordigd door de CTM, geleid door Fidel Velázquez, die tegelijkertijd trouw van de arbeiders aan de PRI garandeerde.