De Duitse Orde (Latijn: "Ordo domus Sanctæ Mariæ Theutonicorum Hierosolymitanorum") was een kruisridderorde die ontstond in de nadagen van de Derde Kruistocht (1189-1192). In navolging van de Engelse benaming, die op de Latijnse is gebaseerd, wordt de Duitse Orde ook wel Teutoonse Orde genoemd en haar ridderschap Teutoonse ridders.

De orde behoorde tot de Milites Christi, de legers van Christus, die de regels van het christelijke geloof, zoals voorgeschreven vanuit de kerkelijke hoofdstad Rome, met de wapens voor de paus wilden handhaven en verbreiden. Andere, vergelijkbare milities waren de Tempeliers en de Maltezers. Nadat het de rooms-katholieken bij de Derde Kruistocht niet was gelukt om Jeruzalem met militair geweld op de Islamitische heersers te heroveren, richtte de orde zich op de gewelddadige kerstening van de volkeren die de grondgebieden van Pruisen en Lijfland bewoonden. In de 16e en het begin van de 17e eeuw zetten ze zich er aanvankelijk voor in de sterke beweging van de Reformatie neer te slaan en vochten ze tegen het zich naar Europa uitbreidende Ottomaanse Rijk.

Het centrale archief van de orde bevindt zich in Wenen. In Nederland bestaat er sinds de middeleeuwen een balije van de Orde. Deze balije werd na de Reformatie protestants en wordt de balije van Utrecht genoemd. De commanderijen in zuidoostelijk Nederland vielen onder de balije Biesen, nabij Maastricht, ze werden door rooms-katholieke ridders bemand.

Ontstaan en groei van de Duitse Orde thumb|De Duitse Orde te Alden Biesen - Bilzen De Duitse Orde is in 1190 ontstaan als een initiatief van Duitse kooplieden uit de Hanzesteden Lübeck en Bremen. Zij lagen voor de kust van het Heilig Land voor anker ten tijde van de bestorming en belegering door legers van de Derde Kruistocht van de stad Akko. Onder leiding van een 'meester Siebrand' haalden zij de zeilen van hun schepen en richtten daaronder op een heuvel buiten de stad een veldhospitaal in om verwonde kruisvaarders en zieke pelgrims te verplegen. Siebrand stichtte korte tijd later in Accra een stenen hospitaal en verbond daaraan een broederschap van ziekenverplegers, de Broeders van het Hospitaal van de Heilige Maria van de Duitse Natie (Brothers of the Hospital of St. Mary of the German Nation). Zij genoten de bescherming en de gunst van keizer en paus.Zie de tijdtabel: tekst online Lang na zijn thuisvaart werd in 1198/1199 de hospitaalbroederschap op aandringen van de paus omgezet in een ridderorde, vergelijkbaar met de oudere Johannieterorde en de orde der Tempeliers.Tijdtabel online

De Duitse Orde zocht in eerste instantie haar ridders in kringen van de lage adel, in later jaren met name onder de (hoge) adel van het Heilige Roomse Rijk, waarvan hij zelf een groot deel beheerde. Daaronder vielen niet alleen bezittingen van de Duitse Orde, maar tevens andere vorstendommen en steden waaronder delen van de Nederlanden, Bohemen, Lotharingen en de oostelijke delen van de huidige regio Bourgondië. De toegelaten edelen kwamen uit dat gehele rijk, maar toch vooral uit Westfalen. Telgen van hoogadellijke families die buiten de kring van erfopvolging vielen, kregen binnen de Duitse Orde belangrijke posities. Zij bestuurden niet alleen de bezittingen van de orde, maar hadden ook invloed op de belangen van hun familie bij het beheer van de landgoederen die kloosters en abdijen in hun bezit hadden gekregen op grond van leenovereenkomsten. Ze legden de geestelijke gelofte af met als bijzondere opdracht om heidenen met militante middelen te bekeren. Gewijde priester-monniken waren belast met de zielszorg. Dienstbroeders zonder wijding hadden alleen een gelofte tot dienstbaarheid afgelegd. Het eerste nagestreefde doel betrof het militair beveiligen van de op de niet-katholieken veroverde gebieden in het Heilig Land, de vrijwaring van de heilige plaatsen en daarnaast verzorging en verpleging van gewonde en zieke kruisvaarders. Aan het hoofd van de Duitse Orde stond een grootmeester, in het Duits: 'Hochmeister'. De verschillende provincies van de Orde – Pruisen, Lijfland en 13 balijen binnen het Heilige Roomse Rijk – werden bestuurd door landmeesters, zij het onder het oppergezag van de grootmeester. In de gebieden van het Duitse Rijk waar de Orde bezittingen had, heette de landmeester "Deutschmeister" (Duitsmeester).

In Duitsland en Oostenrijk verloor de Orde haar laatste politieke betekenis aan het einde van de Eerste Wereldoorlog en bestaat ze nu nog deels voort als een rooms-katholieke orde met charitatieve doelen. In Nederland bestaat sinds de Reformatie de Ridderlijke Duitsche Orde in de protestantse Balije Utrecht als een charitatieve instelling.

Organisatie In 1221 werd de Duitse Orde door de leiding van de Rooms-Katholieke Kerk, gezeteld in de Kerkelijke Staat met als hoofdstad Rome, gelijkgesteld aan de geestelijke ridderorden van de Tempeliers en Johannieters, wat inhield dat zij direct onder het pauselijk gezag. kwamen te staan en vrijstelling genoten, met andere woorden onttrokken waren aan de feodale en diocesane hiërarchie. Het centrale hoofd van de Orde, de grootmeester, was enkel ondergeschikt aan de paus en vooral gebonden aan de beslissingen van het Generaal Kapittel.

Dat privilege betekende dat wereldlijke heersers de Duitse Orde geen belastingen konden opleggen. Toch was de verleiding groot om dat wél te doen. De Duitse Orde heeft vaak moeten toegeven aan de druk van de vorsten. De balijen moesten ook veel geld afdragen aan de grootmeester, ook wel aangeduid als Hoogmeester en Duitsmeester, die daarmee onder andere de strijd tegen de ongelovigen financierden. De ridders moesten een gelofte van armoede, gehoorzaamheid en kuisheid afleggen. Hun bezittingen en nalatenschap viel de orde toe. In de 16e en 17e eeuw hielden, om te beginnen de protestantse, commandeurs en hun edelen zich niet meer aan deze gelofte en het van hen verwachte celibaat.Meuwissen, blz. 81.

Al voordat de christelijke verovering van het Heilige Land tot staan kwam en in 1291 de christelijke legers zich definitief moesten terugtrekken, verloor de Orde veel van haar oorspronkelijke werkterrein in wat tegenwoordig Zuidoost-Turkije, Syrië en Libanon is. Zij richtte zich op de enorme bezittingen die zij inmiddels had verworven in Spanje, Hongarije (in Transsylvanië, in het Duits Siebenburgen, Zevenburgen genaamd) en uiteraard overal in het Duitse Rijk in de eerste helft van de 13e eeuw onder het grootmeesterschap van Herman von Salza. In de traditie van de feodaliteit stelde zij zich ten dienste van wereldlijke vorsten, in ruil voor schenkingen van land waarop zij haar burchten als steunpunten kon inrichten. Zo volgde een periode van expansie: binnen een eeuw wist de Duitse Orde uit te groeien tot 300 afzonderlijke zogeheten balijen of provincies. Dit was te danken aan de bemiddeling die zij kon verlenen in de voortdurende machtsstrijd tussen de keizers van het Heilige Roomse Rijk en de paus, en in de hulp die zij gaf bij de verdediging tegen heidense volken die vanuit het zuid- en het noordoosten de christelijke rijken, met name Hongarije en Polen, van tijd tot tijd binnenvielen. Met name de hoogste leider, de grootmeester Herman van Salza (1170 – 1239) behoorde tot de invloedrijkste mannen van zijn tijd, vooral door zijn grote diplomatieke gaven. Deze grootmeester legde de basis van de Duitse Ordestaat, het latere hertogdom Pruisen, en van de latere hertogdommen Lijfland en Koerland (nu tezamen Letland met een deel van Estland).

De orde dankte haar snelle bloei ook aan de verzorging van zieken, waarmee zij in het Heilige Land was begonnen tijdens de kruistochten en waarvoor zij bij de Arabieren, de Joden en de Byzantijnen ter plaatse expertise had opgedaan. Na vertrek uit deze contreien nam zij haar ervaringen mee naar Europa en dan met name ten behoeve van de groeiende stedelijke gemeenschappen. Vele adellijke en religieuze schenkers lieten geld na voor de bouw van een ziekenhuis of infirmerie dat beheerd diende te worden door de Duitse Orde.

De Utrechtse balije van de orde heeft een klein hospitaal in Utrecht beheerd, maar al snel werd de verpleging van zieken overgelaten aan de daarin bekwamere Johanniters. In de Utrechtse balije was de charitas eeuwenlang ondergeschikt aan het militaire streven van de Duitse Orde die in de conflicten met de Turken aan de christelijke zijde meevocht.Meuwissen, blz. 59.

De structuur en hiërarchie van de Duitse Orde In de middeleeuwen heeft de Duitse Orde zich organisatorisch georiënteerd op de Orde van Sint-Jan (de hospitaalridders) en de Orde van de Tempel (Tempeliers). Net als in deze orden waren de ridders en geestelijke leden absolute gehoorzaamheid verschuldigd aan de Grootmeester. De grootmeester zelf was alleen onderworpen aan het gezag van de paus. De Duitse Orde moest vanwege de zeer uitgestrekte bezittingen en de grote afstanden gebruikmaken van drie bestuurslagen. De orde als geheel werd door de grootmeester bestuurd. Hij resideerde eerst in Akko, daarna in Venetië en vanaf 1308 in de Mariënburg in de Duitse Ordestaat aan de Oostzee. Eenmaal per jaar werd een Generaal Kapittel van de Duitse Orde bijeengeroepen waarin de statuten, het beleid en benoemingen werden besproken. In de Duitse en Waalse landen was na 1235 de eerstverantwoordelijke bestuurder de Duitsmeester die in de burcht Horneck aan de Neckar en later in Mergentheim resideerde. Ook de Duitsmeester hield met de aan hem ondergeschikte landcommandeurs een jaarlijks Generaal Kapittel. Na 1643 begon de landcommandeur in Utrecht zich steeds meer aan het gezag van de Duitsmeester te onttrekken. De generale kapittels werden niet meer bezocht en de Nederlandse landsheer benoemde de Utrechtse coadjutoren. De Duitse Orde was regionaal georganiseerd in balijen. Aan het hoofd van deze balijen stond een landscommandeur. Een balije bestond uit een hoofdhuis zoals Alden Biesen of het Duitse Huis in Utrecht en een aantal door commandeurs beheerde kleinere 'huizen'. De landscommandeur riep als overste van zijn balije zijn commandeurs geregeld bijeen voor een kapittel. Als rechterhand en vervanger van de landscommandeur kon uit het kapittel een opvolgingsgerechtigde coadjutor worden gekozen. Een commanderij van de Duitse Orde omvatte verschillende versterkte en weerbare huizen. Daarin woonden de leden die te verdelen zijn in ridderbroeders (de meest talrijke groep), priesterbroeders en de (knechten/schildknapen) of lekenbroeders. De priesters die de kerken van de Duitse Orde bedienden waren niet altijd tevens lid van de Duitse Orde; zij waren nodig omdat aan de priesterbroeders vaak de voor sacramentsbedieningen nodige wijding ontbrak. Verder waren er nog vermogende leken die zich in dienst van de orde begeven hadden met hun bezit en hun daadwerkelijke inzet voor charitatieve inspanningen. Geheime broeders, halfbroeders, halfzusters en proveniers waren ook bij de Orde betrokken. Vanaf hun veertiende jaar konden ook, soms al als klein kind ingeschreven, jonge riddermatige edelen als toekomstige leden van de Duitse Orde aantreden. Deze edelexpectanten of ridderexpectanten, ook wel jonkheren genoemd, moesten dan ten minste twee jaar in het buitenland een christelijke heerser of een andere landcommandeur dienen. Pas wanneer een commanderijplaats beschikbaar was, kon zo'n rekruut de accolade of ridderslag ontvangen.Meuwissen, blz.81

De staat van de Duitse Orde thumb|Staat en commanderijen van de Duitse Orde in 1300