Verhildersum is een borg direct ten oosten van het dorp Leens in de gemeente Het Hogeland van de Nederlandse provincie Groningen. Tegenwoordig wordt de borg museaal beheerd en is gedeeltelijk in 19e-eeuwse stijl ingericht. De borg kan een groot deel van het jaar worden bezichtigd en heeft een mooie oprijlaan. Aan de achterzijde zijn nog de schietgaten zichtbaar.

Sinds 2004 vinden elk jaar in augustus de 'historische dagen' plaats (tot 2007 een dag), waarbij het leven tussen 1850 en 1950 centraal staat.

Landgoed Rondom de borg ligt het 32 hectare grote Landgoed Verhildersum.

Borgtuin Rondom de borg ligt de borgtuin met een koetshuis, schathuis en tuinprieel. Het koetshuis stamt vermoedelijk uit het einde van de 19e eeuw en huisvest exposities en de 'museumwinkel' met ansichtkaarten en andere dingen over borg, bewoners en landgoed. Het schathuis uit 1833 werd in 1972 van de eerder afgebroken Saaksumborg naar het Landgoed Verhildersum verplaatst.

De tuin rondom de borg is in 1968 ontworpen. Het ontwerp is geïnspireerd door de barok, en volgt de berekeningen van de gulden snede (symmetrie). Tot de latere herinrichting door Klaas Noordhuis werd de tuin gekenmerkt door een weelderige beplanting waarin naast stinzenplanten ook werd gewerkt met nieuwe moderne introducties zoals siergrassen en verschillende soorten hertshooi. Vooral de keuze van moderne rozen was opmerkelijk. In het kleurenschema domineerden oranje- en bronstinten. De tuin had een aantal borders met vaste en eenjarige planten, een kruidentuin, ruim 90 soorten rozen en 50 soorten clematissen. Dit typische beplantingschema uit de jaren zestig en zeventig is bij de herinrichting komen te vervallen.

De tuin is voorzien van bankjes. Rondom de borg en rondom de beeldentuin liggen grachten. Om de buitenste gracht loopt een wandelpad dat omgeven wordt door bomen en struiken. Aan de rand van dit pad staat een duiventil, op de plek waar deze traditioneel ook werden gebouwd. Beeldhouwer, tekenaar en tuinarchitect Eddy Roos leverde bronzen vrouwenbeelden in de stijl van de figuratieve abstractie van 'De Groep', die de tuin opsieren.

Landerijen Ten westen van de borgtuin -in de richting van de parkeerplaats- ligt een hertenkampje met verschillende dieren en ten oosten van de borg liggen de ecologisch beheerde landerijen die het leven van de 19e eeuw weergeven. In de weilanden grazen oude Groninger koeienrassen zoals de Groninger Blaarkop, de Witrik en de Lakenvelder en op de akkers worden oude gewassen als spelt en veldbonen geteeld. Er bevindt zich ook een oude loophut voor het vee. Direct ten oosten van de beeldentuin ligt de hoogstamboomgaard met ruim 100 fruitrassen van rond 1850, die begin jaren 1990 werd aangeplant. Via een hoogholtje over de Hoornse Vaart kan een arbeidershuisje en de museumboerderij Welgelegen worden bereikt.

Museumboerderij Welgelegen Welgelegen werd gebouwd in 1865 en is altijd meer een rentenierswoning dan een echte boerderij geweest. In 1999 werd de schuur er in bijpassende stijl bijgebouwd. De museumboerderij heeft een aantal collecties over ambacht en landbouw van voor de mechanisatie (waaronder een karnrosmolen) en een kostuum- en textielcollectie. Tevens worden er wisselexposities gehouden en is er een winkel. Voor de museumboerderij staat een duivenslagpoort. Deze dateert uit ongeveer 1800 en stond vroeger bij de in 1973 afgebrande boerderij Boelsemaheerd in Hemert (Hemerterweg 3).Volgens Feenstra gaat het echter om een duivenslag van de naastgelegen boerderij Dinghweer (Hemerterweg 2), waar daarvoor twee duivenslagen zouden hebben gestaan. Bron: Feenstra, H. et al. (2001), Ten Boer: Eén gemeente, negen dorpen. Bedum: Profiel. p. 88. In 1980 werd de duivenslagpoort naar Verhildersum verplaatst. Er zit geen duivenslag meer op. Naast de museumboerderij start het Ede Staalpad met gedichten van deze Groninger zanger. Het pad leidt naar een kleine bosschage met picknicktafel en parkeerplaats.

Arbeiderswoning Naast de Hoornsevaart ligt de arbeiderswoning Het Hoeske. De arbeiderswoning dateert uit 1880, werd tot 1959 bewoond en is soms te bezichtigen. Ernaast staat een waterpomp. Het interieur komt uit de inboedel van een oud arbeidershuisje en moet de situatie in een arbeidershuisje van rond 1920 weergeven.

Geschiedenis Familie Onsta De naam is ontleend aan de naam 'Verhildert', waarbij Ver staat voor "vrouw, adellijke dame" en Hilde(rt) de eigennaam vormde. Wanneer deze vrouw leefde is echter onbekend. De uitgang -um in Verhildersum staat net als bij bijvoorbeeld de Fraeylemaborg voor "heem, huis".

De borg dateert -als heerd- in eerste aanleg uit de 14e eeuw, maar het duurde tot begin 17e eeuw alvorens het een borg werd. In 1398 wordt ene Aylko Ferhildema genoemd, die dezelfde is als Aylko Onsta uit Sauwerd. De achternaam zou erop kunnen wijzen dat hij op Verhildersum heeft gewoond. Of er later leden van de familie Onsta woonden is niet bekend, maar het wordt zeer waarschijnlijk geacht dat de Onsta's ook later de borg in bezit hielden. Een aanwijzing daarvoor is dat de borg net als de Onstaborg in zowel 1400 als 1514 werd verwoest door de stad-Groningers. In de tussentijd wordt de borg echter niet genoemd onder de edele heerden van Leens en verdere gegevens over de borg ontbreken vrijwel geheel. In een document wordt melding gemaakt van de heropbouw van de borg na 1514 voor de som van 1200 goudstukken exclusief bouwhuis, brouwhuis, stal en brug. Een latere melding over de Onsta's dateert uit de late 16e eeuw, toen eerst Aepke Onsta en vervolgens diens zoon Eylco Onsta renten uit de heerd Verhildersum verkochten. Nadat eigenaar Aepke in 1564 overleed wordt in 1576 Ecke Claessen genoemd als bewoner van de borg en wordt geklaagd over overlast door -in verband met de Tachtigjarige Oorlog- ingekwartierde soldaten met hun twee vrouwen en een kind. Eylco Onsta vluchtte tijdens de oorlog naar Oost-Friesland, maar liet zich desondanks nog wel hoofdeling noemen van zowel Wetsinge, Sauwerd als Verhildersum. In de praktijk werd echter in 1587, ruim twintig jaar na de dood van Aepke, bij de boedelscheiding geregeld dat niet hij, maar zijn zus Hidde Onsta samen de borg Verhildersum kreeg. Verhildersum bestond toen uit een heerd met een oppervlakte van 150 jukken (ca. 75 hectare), waarop onder andere 'het oude steenhuis' was gelegen.

Familie Tjarda van Starkenborgh

Hidde en haar man Lulof of Ludolf Tjarda van Starkenborgh van de Dijkumborg bij Garsthuizen gingen vervolgens op de borg wonen, waarmee deze zelfstandig werd van Onsta, waarvan ze tot dan toe een 'dependance' vormde. Tevens vormt dit de start van een lange periode van bewoning door de familie Tjarda van Starkenborgh. Waarschijnlijk werd het oude steenhuis door het echtpaar verbouwd om het bewoonbaar te maken. Het lijkt aannemelijk dat het Hidde en Lulof financieel niet al te best ging daar zij in 1602 42 jukken land (ca. 21 hectare) moesten verkopen. Beiden stierven in het jaar 1618 en werden begraven in de Petruskerk van Leens, waar hun graven nog altijd te zien zijn. Verhildersum bestond bij hun dood uit een heerd met hofjes, singels, poorten en grachten.

Zoon Lambert van Starkenborgh verging het heel wat beter. Hij volgde hen op als bewoner en wist zijn invloed te vergroten door de oude rechten van de Onsta's in Leens deels te erven en deels op te kopen. Tot deze rechten behoorden het collatierecht van de Petruskerk, dijkrechten en zijlrechten, het staande redgerrecht, overrecht over de kerspelen Leens, Wehe en Zuurdijk, de schepperij van Houwerzijl en de schouw van de vonders van Leens. Hierdoor werd Verhildersum een van de belangrijkste borgen uit de Marne. Lamberts naam staat vermeld op de in 1632 gegoten klok van de toren van de Petruskerk. Na zijn dood in 1646 volgde zijn zoon Allard -uit zijn huwelijk met Frederica Gayking- hem op. Drie jaar later werd de boedelscheiding geregeld en bestond de borg uit een huis met grachten, hoven, tuinen, geboomten en singels, schathuizen en een schuur. De gerechtigheden werden gesplitst tussen Allard en zijn jongste broer Ludolf, die (waarschijnlijk later, want niet genoemd in de boedelscheiding) het huis Borgweer (Starkenborgh) stichtte bij Wehe. Allard kreeg de staande jurisdictie van Leens met de Schepperij van Houwerzijl, de schouw van de dijken aan noord- en noordwestzijde van Leens, de dijkhaver onder Leens en het unicus collatorrecht over de Leenster kerkgoederen. Zijn broer kreeg de staande jurisdictie van Wehe en Zuurdijk met de schouw van de dijken aan zuidzijde, de dijkhaver daarvan en het unicus collatorrecht van Wehe en het collatierecht in Zuurdijk. Allard schonk in 1653 het avondmaalszilver aan de Petruskerk, die hij ook kerkstoelen en koperen bankopzetten naliet. Op de borg hangt een schilderij van hem en zijn gezin. Zijn bekendheid moet ver gestrekt hebben, want in 1655 werd een oorlogsschip van de Admiraliteit van Amsterdam 'Verhildersum' vernoemd (te zien op een tekening van Willem van de Velde de Oude).

thumb|left|350px|De borg op de kaart van Willem en Frederik Coenders van Helpen (1678)

Na Allards dood in 1673 kreeg zijn zoon Edzard Jacob de borg. Blijkens een steen boven de voordeur met het jaartal 1681 lieten hij en zijn vrouw Anna Habina Lewe van Middelstum het huis verbouwen. Edzard Jacob overleed in 1716. Zijn weduwe betaalde in 1735 het orgel van de Petruskerk. Na haar dood in 1738 werd een inventaris opgemaakt van de boedel, waaruit bleek dat de borg bestond uit een 'witte zaal', studeerkamer, 'bonte of froulijnskamer' (vrouwenkamer), praeceptorskamer (praeceptor=leraar), kleerzolder, 'beuns', 'galderij' (waarschijnlijk een soort overloop), benedenzaal, eetkamer, 'oude slaapkamer', gang, 'bonte kamer', 'groot voorhuis', keuken, kelder en een schathuis. Anna Habina's zonen Eilco Onsta, Edzard Jacob en Evert Barthold hielden de borg na haar dood een paar jaar in gezamenlijk beheer, waarbij Eilco zolang huurder van de borg werd. In 1740 werd de borg beschreven als een 'royaal voorhuis' dat oprees uit een gracht met kelders, vijf kamers beneden en drie boven en met behangsels. Tussen 1741 en 1742 verkochten de drie broers elk hun deel van de borg aan Margareta Bouwina Tjarda van Starkenborgh van de Onstaborg, die getrouwd was met Egbert Rengers. Nadat Eilco in 1750 was overleden, bood Margareta Bouwina op 1 januari 1751 het huis Verhildersum te huur aan met de omschrijving "zijnde de borgh met zeeven groote vertrekken voorzien".