miniatuur|Bronzen beeld van Marianne met maçonnieke symbolen (Jacques France, 1879). Collectie Vrijmetselarijmuseum Parijs De vrijmetselarij in Frankrijk kent een lange geschiedenis vanaf het eind van de 17e eeuw. Zij is van grote invloed geweest op de ontwikkeling van de vrijmetselarij wereldwijd.

Anno 2026 kent de vrijmetselarij in Frankrijk een veelheid aan obediënties - koepelorganisaties van vrijmetselaarsloges -, zowel uitsluitend voor mannen, voor vrouwen of gemengd, de grootste en oudste is het Grand Orient de France. Naar schatting zijn er meer dan 170.000 vrijmetselaars in Frankrijk.

De meerderheid van de obediënties in Frankrijk behoort tot de zogenaamde liberale of adogmatische strekking binnen de vrijmetselarij. Dat betekent dat zij elk dogma of verplicht geloof in een opperwezen afwijst. Het staat de leden vrij te geloven of niet, de gewetensvrijheid van de leden gaat echter boven alles.

Beknopte geschiedenis

Ontstaan De vrijmetselarij is na haar ontstaan in Engeland eind zeventiende eeuw overgewaaid naar het Europese continent. Algemeen wordt aangenomen dat de eerste loge in Frankrijk werd opgericht in Parijs in 1725 door Engelse vluchtelingen, die 'the Old Pretender', James Francis Edward Stuart steunden in zijn aanspraken op de Engelse troon. Sommige bronnen vermelden dat er al in 1721 een loge zou zijn opgericht in Duinkerken, maar hier is geen sluitend bewijs voor. miniatuur|Karikatuur Michael Ramsay, tekening uit 1724, P. L. Ghezzi. Het aantal loges nam daarna snel toe en in 1728 verenigden zij zich in een grootloge waarbij Philip Wharton, 1e hertog van Wharton (1698 -1731) en voormalig grootmeester van de Premier Grand Lodge of England, als eerste onofficiële grootmeester wordt genoemd. Rond 1738 was voor het eerst sprake van de Grande Loge de France waarbij Louis de Pardaillan de Gondrin, 2e hertog van Antin (1707 - 1743), tot grootmeester werd verkozen.

Relevant in dit kader is ook de rede die Andrew Ramsay in maart 1737 voor de grootloge hield. Ramsay, een Schot die in Engeland was ingewijd in de vrijmetselarij en in de Franse grootloge de functie van grootredenaar bekleedde, stelde dat de vrijmetselarij stamde uit de oudheid en door de kruisvaarders in Jeruzalem opnieuw tot leven was gebracht. Deze rede leidde er mede toe dat er een groot aantal hogere graden ontstond in Frankrijk.

In 1773 ontstond een scheuring binnen de Franse vrijmetselarij en het Grand Orient de France zag het levenslicht, waar een groot aantal loges van de Grande Loge de France naar toe overging. De resterende loges gingen verder als de Grande Loge de Clermont, genoemd naar de vlak daarvoor overleden grootmeester Louis, graaf van Clermont (1709-1771).

Zowel het Grand Orient de France als de Grande Loge de Clermont moesten hun activiteiten staken tijdens de periode van het Schrikbewind (1792-1794) van de Franse Revolutie. Nadat zij de werkzaamheden hadden hervat was het aantal loges sterk teruggelopen. Onder leiding van Alexandre Roëttiers de Montaleau (1748-1807) die daarna grootmeester werd, werden beide obediënties samengevoegd tot het Grand Orient de France op 10 juni 1799.

Negentiende eeuw Verschillende vrijmetselaars die behoorden tot de Grande Loge Nationale waren hiermee niet akkoord, en richtten hun eigen loge op, de Loge Mére Écossaisse de France, ook wel Loge Saint-Alexandre d'Écosse genoemd. Deze vormde zich in 1804 om tot Grande Loge Génerale Écossaise de France. Tegelijkertijd werd de Suprême Counseil de France pour le Rite Écossais Ancien et Accepté opgericht, de eerste opperraad in Europa voor de Aloude en Aangenomen Schotse Ritus (A.A.S.R.), op inititatief van Alexandre Francois Auguste de Grasse, graaf de Grasse-Tilly (1765-1845). Deze obediënties bleven echter in de schaduw van het Grand Oriënt de France werken.

Nog in datzelfde jaar wilde het Grand Orient de France ook de hogere graden volgens de A.A.S.R. gaan beoefenen en trad daarmee in concurrentie met beide andere obediënties. Dit leidde tot een conflict, dat in 1805 voorlopig werd opgelost door een compromis: het Grand Oriënt de France werkte in de basisgraden van leerling, gezel en meester en oefende daarnaast voortaan de jurisdictie uit over de 4e tot en met de 18e graad van de A.A.S.R. Aan de andere kant oefende de Suprême Counseil de France de jurisdictie uit over de 19e tot en met de 33e en laatste graad van de A.A.S.R. De Grande Loge Génerale Écossaise de France werd op last van Napoleon samengevoegd met het Grand Orient de France.

Deze oplossing bleef bestaan tot in 1815, in dat jaar richtte het Grand Oriënt de France haar eigen, alternatieve opperraad of Suprême Counseil op voor alle hogere graden van de A.A.S.R. Hierdoor staakte de Suprême Counseil de France haar activiteiten tot in 1821. In dat jaar hervatte ze haar activiteiten, en wilde ook in de drie basisgraden opereren. Onder haar impuls werd hiertoe vervolgens een nieuwe obediëntie opgericht, de Grande Loge Centrale de France.

Omdat een zevental loges deze nieuwe obediëntie niet republikeins genoeg vond, splitsten zij zich af om in 1848 een nieuwe obediëntie op te richten, de Grande Loge Nationale de France. Deze obediëntie werd echter verboden door de Franse overheid in 1851. miniatuur|standbeeld Maria Deraismes. Square des Épinettes, Parijs In 1875 vond in het Zwitserse Lausanne een Universeel Convent van de Opperraden van de Aloude en Aangenomen Schotse Ritus plaats. Men trachtte er de ritus te moderniseren, waarbij de rol van de Opperbouwmeester des Heelals centraal stond. Dit gaf uiteindelijk aanleiding tot het schisma tussen reguliere en liberale obediënties, wat tot op de dag van vandaag nog steeds bestaat. In datzelfde jaar besloot het Grand Orient de France - onder atheïstische invloeden - alle religieus getinte formules uit haar rituelen te verwijderen en de gewetensvrijheid van haar leden centraal te stellen. Dit alles leidde ertoe dat de United Grand Lodge of England de banden met het G.O.d.F. verbrak in 1877 en de obediëntie werd niet langer als regulier erkend.

Op 14 januari 1882 werd de schrijfster Maria Deraismes ingewijd in Loge Les Libres Penseurs in Pecq, aangesloten bij de Grande Loge Symbolique Écossaise (voorheen de Grande Loge Génerale Écossaise de France, opgericht in 1879). Deze inwijding veroorzaakte controverse binnen de mannelijke vrijmetselarij, die vrouwen tot dan toe categorisch uitsloot. De loge werd tijdelijk geschorst; pas nadat men haar naam had verwijderd uit de ledenlijst, werd de loge weer opgenomen in de Grande Loge Symbolique Écossaise

Na haar initiatie besloot Maria Deraismes om samen met de arts en politicus Georges Martin na te denken over een hervorming van de vrijmetselarij, die ook vrouwen zou toelaten lid te worden. Dit resulteerde in de oprichting in 1893 van een nieuwe liberale en gemengde obediëntie, de Grande Loge Symbolique Écossaise Le Droit Humain. Deze loge zou internationaal gaan opereren, en naast de drie basisgraden ook werken in de hogere graden van de A.A.S.R. In 1899 veranderde ze haar naam in Ordre Maçonnique Mixte International Le Droit Humain.

In 1894 fuseerde de Grande Loge Centrale de France met de Grande Loge Symbolique Écossaise en nam de historische naam Grande Loge de France aan. Zo ontstond er voor de tweede keer een obediëntie onder deze naam.

Twintigste eeuw Vanaf 1901 ontstonden er in de schoot van de Grande Loge de France opnieuw adoptieloges, die toegankelijk waren voor vrouwen. Ook andere obediënties vormden adoptieloges. In 1935 kregen de adoptieloges die behoorden bij de Grande Loge de France bestuurlijke onafhankelijkheid, wat in 1945 leidde tot de vorming van een onafhankelijke obediëntie de Union Maçonnique Féminine de France. In 1952 veranderde deze obediëntie haar naam in Grand Loge Féminine de France.

In 1913 splitsten een aantal loges en vrijmetselaars zich van het Grand Orient de France af en richtten onder de naam Grande Loge Indépendante et Régulière een nieuwe obediëntie op, die wel erkend werd als regulier door de United Grand Lodge of England. De andere Franse obediënties zagen deze nieuwe obediëntie echter als een ongewenste Angelsaksische invloed op de Franse vrijmetselarij en meden contact met haar.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden alle activiteiten rondom de vrijmetselarij verboden door de Duitse bezetter. Na de bevrijding bleek er nog ongeveer een derde deel over te zijn van het ledenaantal van voor de oorlog.

In 1948 veranderde de Grande Loge Indépendante et Régulière van naam en nam de historische naam Grande Loge Nationale Française aan. In 1965 sloot een grote groep loges en vrijmetselaars, afkomstig uit de Grande Loge de France zich aan bij de Grande Loge Nationale Française, in een wens weer aansluiting bij de regulariteit te vinden.

De uitsluiting van de Grand Loge Nationale Française beviel echter niet iedereen even goed. In 1959 splitsten een aantal loges en vrijmetselaars zich af van de Grande Loge Nationale Française en vormden een nieuwe obediëntie, de Grande Loge Nationale Française Opéra. Zij zochten een middenweg tussen de Engelse regulariteit en de Franse vrijzinnigheid als semi-reguliere obediëntie. In 1982 hernoemde de Grande Loge Nationale Française Opéra zichzelf tot Grande Loge Traditionnelle et Symbolique Opéra.

In 1973 splitsten een aantal loges en vrijmetselaars zich af van Le Droit Humain, omdat ze de structuur hiervan te centralistisch vonden. De Grande Loge Mixte Universelle was geboren. In 1982 splitste zich hier weer de Grande Loge Mixte de France van af.

Eenentwintigste eeuw In 2010 besliste het Grand Oriënt de France - tot dan toe alleen toegankelijk voor mannen - dat haar loges zelf mochten beslissen of zij alleen voor mannen, vrouwen of gemengd wilden werken.

In 2012 richtte een kleine groep loges een nieuwe liberale obediëntie op, de Grande Loge de l'Alliance Maçonnique Française. Deze groeide daarna in korte tijd uit tot een van de grotere obediënties van Frankrijk.

Obediënties Vanaf 1913 kent de Franse vrijmetselarij drie tradities. Alleen de Grande Loge Nationale Française is volledig regulier en wordt erkend door de United Grand Lodge of England. De grootste groep obediënties is liberaal en uitgesproken vrijzinnig, dit betreft primair het Grand Oriënt de France en daarnaast veelal gemengde obediënties. Ten slotte is er een kleine middengroep die semi-regulier werkt - dat wil zeggen met erkenning van de Opperbouwmeester des Heelals en exclusieve toegankelijkheid voor mannen - maar daarnaast toch aansluiting vindt bij het republikeinse en de vrijzinnige geest. Dit betreft de Grande Loge de France en enkele aanverwante obediënties.

Onderstaand een opsomming van de belangrijkste obediënties in Frankrijk anno 2026, die werken in de symbolieke basisgraden van leerling, gezel en meester. Hiernaast zijn er nog verschillende kleinere obediënties.