thumb|Villa (woonhuis commandant); 1999. thumb|Invalidenhuis, overzicht voorgevel; 1980. thumb|Interieur Invalidenhuis en Museum Bronbeek; 1980. thumb|Portierswoning; 1980. thumb|De Koloniale Reserve uit Nijmegen op bezoek bij Bronbeek; circa 1900. thumb|Bewoners aan de maaltijd in 1890.
Bronbeek (Koninklijk Tehuis voor Oud-Militairen en Museum Bronbeek) is een verzorgingstehuis voor oud-militairen van de Nederlandse krijgsmacht en het voormalig Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL). Daarnaast is in het gebouw het Museum Bronbeek gevestigd. In dit museum staat de koloniale geschiedenis van Nederlands-Indië centraal met onder meer een vaste expositie van kanonnen en diverse Indische wapens, een historisch overzicht van het Indische leger, en vele uniformen, wapens en schilderijen.
Geschiedenis Het landgoed Bronbeek thumb|Bronbeek in 1865 Het landgoed Bronbeek werd rond 1820, tegelijk met de straatweg Arnhem - Dieren, als buitenplaats aangelegd voor Hermen Stijgerwald. Na diens dood in 1830 verkocht zijn weduwe Magdalena Wilhelmina (Helena) Eskes het landgoed en kreeg het de naam Bronbeek. Volgende eigenaren verbouwden het huis tot een villa in neoclassicistische stijl. In 1854 werd de buitenplaats Bronbeek aangekocht door koning Willem III voor een prijs van 75.000 gulden. De totale investering, inclusief verbouwing en inrichting, bedroeg 250.000 gulden.Woelderink, Bernard (2010) Geschiedenis van de Thesaurie. Twee eeuwen Thesaurie en thesauriers van het Huis Oranje-Nassau, 1775-1975, p. 117 Bronbeek was naar verluidt in eerste instantie bedoeld voor zijn moeder, koningin Anna Paulowna, maar daarvoor is geen bewijs.
Willem III liet het huis in 1854 verbouwen naar ontwerp van zijn architect H.F.G.N. Camp, die voor zijn werkzaamheden in oktober van dat jaar werd benoemd tot ridder in de Orde van de Eikenkroon.Rotterdamse Courant (18-10-1854) In oktober 1854 was de verbouwing klaar en verkreeg de koning een serenade van de vereniging der handwerkslieden, begeleid door de muziekkorpsen der stedelijke schutterij en van het achtste regiment infanterie. Een commissie van deze vereniging werd bij de koning toegelaten en een vertegenwoordiger sprak de woorden: 'Sire, met diepe eerbied nadert de directie van Arnhems Handwerkbloei, vergezeld van werkbazen en hun werklieden u om u, die een voorstander bent van industrie en landbouw, haar oprechte dank te betuigen over de aankoop en aangebrachte veranderingen aan het landgoed Bronbeek, waardoor in deze tijden van duurte brood aan hen en hun gezinnen verschaft werd.'Oprechte Haarlemse Courant (07-10-1854) Twee jaar na de aankoop van Bronbeek waren er al geruchten dat de koning het landgoed weer van de hand wilde doen.Algemeen Handelsblad (08-10-1856) In december 1856 werden de bezittingen van de koning verhuisd naar diens paleis te Den Haag en naar Paleis Het Loo en werd algemeen gedacht dat de koning het buitenverblijf had verkocht aan een rijke particulier. Het huis was in de jaren erna nog in gebruik als gastenverblijf voor koninklijk bezoek.
In 1893 speelde voetbalclub Vitesse op een veld binnen de planten- en vogeltuin en op een weide in het Bronbeekpark. Omdat er een boom in het midden van het veld stond was het spelen van officiële wedstrijden op Bronbeek niet toegestaan. Daarom verhuisde Vitesse vanaf december 1894 noodgedwongen naar de Paasweide, aan de overkant van de Rijn.
Oprichting van het militair invalidentehuis Bij Koninklijk Besluit van 14 juni 1857 werd een commissie ingesteld tot het voordragen van een plan tot het inrichten van een militair invalidentehuis; in deze commissie namen zitting M. baron van Geen als voorzitter en als leden militaire intendant eerste klasse H. Hardenberg, luitenant-kolonel J. Vertholen, luitenant-kolonel A.J. Andresen, luitenant-kolonel ingenieur G.A. van Kerkwijk en de heer J.P. Feith.
In een schrijven van 13 juni 1857, gericht aan de minister van Koloniën, gaf koning Willem III aan het landgoed Bronbeek te willen schenken aan de Staat der Nederlanden tot inrichting van een koloniaal militair invalidentehuis.Dagblad van Zuid-Holland en 's-Gravenhage (31-07-1859) In het kabinetschrijven was de bepaling opgenomen dat aan het onroerende goed nooit een andere bestemming zou mogen worden gegeven en dat de Staat der Nederlanden alle lasten, te rekenen vanaf 1 januari 1860, zou betalen.De Noordbrabander: staat en letterkundig dagblad (01-10-1859) Op 28 september van dat jaar werd de akte gepasseerd bij notaris J. Bervoets te Den Haag.Bredase Courant (02-10-1859) In mei 1860 besteedde het departement van Koloniën de vereiste werken en leveranties ter stichting van een militair invalidentehuis aan de heer K. Kooy, woonachtig te Amsterdam, die van de elf inschrijvers de laagste was en aan wie het werk dan ook werd vergund voor een bedrag van 193.400 gulden.De Noordbrabander: staat en letterkundig dagblad (24-05-1860) De eerste steen werd op 13 juli van dat jaar gelegd. Rijksbouwmeester W.N. Rose was verantwoordelijk voor het ontwerp van het hoofdgebouw in eclectische stijl. In november 1860 werden de kosten der inrichting van het paviljoen en van het dan in aanbouw zijnde invalidentehuis, met inbegrip der aanschaffing van huisraad ten behoeve van de te verwachten ruim 200 invaliden, geraamd op ongeveer 300.000 gulden. Het invalidenhuis werd zo aangelegd dat het in de toekomst met betrekkelijk geringe kosten kon worden uitgebreid, indien de behoefte daartoe zou ontstaan.Nieuw Amsterdams Handels- en Effectenblad (23-11-1860) thumb|Begrafenis van generaal Karel van der Heijden in 1900.
Openstelling Bronbeek voor invaliden Koning Willem III stelde Bronbeek in werking met een besluit dat onder meer de volgende bepalingen inhield:De Noordbrabander: staat en letterkundig dagblad (11-11-1862) De gebouwen gevestigd op het landgoed Bronbeek worden verklaard te zijn bestemd tot koloniaal militair invalidenhuis; Het koloniaal militair invalidenhuis dient zo veel mogelijk tot opname en verpleging van de gegageerden der koloniale landmacht, aangewezen in de artikelen 1 en 2 van het aan dit besluit gehechte reglement, dat bij deze tevens wordt vastgesteld; Wij verklaren ons te zijn beschermheer van het koloniaal militair invalidentehuis; De kosten van inrichting en onderhoud van het koloniaal militair invalidentehuis, die van de voeding, kleding, het zakgeld en de verzorging der invaliden, en de traktementen, toelagen, daggelden enz. van het personeel der officieren en beambten, komen ten laste van de staatsbegroting; Ons tegenwoordig besluit wordt gerekend te zijn in werking getreden op de eerste juli 1862.
Ter ere van het zilveren regeringsfeest van de koning werd een nationale schenking gedaan van 200.000 gulden ten behoeve van de invaliden van de land- en zeemacht in Nederland en Nederlands-Indië, tot nut der dapperen die hun leven voor Nederland veil hebben gehad en in die strijd verminkt zijn geraakt.Nieuwe Tilburgse Courant (30-11-1890)
Bronbeek als verzorgingshuis voor militairen Als eerste commandant werd (dan luitenant-kolonel) J.C.J. Smits benoemd; in de loop van 1863 verhuisden invalide militairen uit inrichtingen in alle delen van het land naar Bronbeek. In 1864 was al het maximale aantal van tweehonderd militairen opgenomen; op de 10de januari 1864 werd door een deel van hen het blijspel Niet of graag van Andersen opgevoerd. De verpleegden waren toen al onderworpen aan huis- en landelijke arbeid, strenge tucht en discipline (een dertigtal was wegens wangedrag ontslagen).Algemeen Handelsblad (07-01-1864) Toen Smits in november 1887 overleed, stond de koning erop dat generaal K. van der Heijden, en niemand anders, commandant van Bronbeek zou worden. Deze behoefde het voor het geld niet te doen omdat zijn Indische pensioen ruim voldoende was, maar zag het als een eer te bewijzen aan het Indische leger en aan de koning.De Locomotief (05-12-1887)
Predicaat 'Koninklijk' Op 19 februari 1888 werd bij het 25-jarig bestaan door de commandant van het ‘Koloniaal Militair Invalidenhuis’, generaal Karel van der Heijden, een open dag georganiseerd waarbij het landgoed en tehuis voor iedereen opgesteld. Bovendien was het de verjaardag van koning Willem III, de beschermheer van de generaal. Op die dag kreeg het tehuis bij koninklijk besluit het predicaat 'Koninklijk' toegekend, dat mede te danken was aan de inzet van Van der Heijden, die tijdens zijn bewind over het tehuis had gezorgd dat het grondig werd opgeknapt, voorzien werd van nieuwe wc’s, andere ramen, een waterleiding-aansluiting, en vernieuwing van de commandantswoning. bericht Binnenland, Provinciale Drentsche en Asser courant, 21 februari 1888
Sociale problematiek en verzorging Een van de problemen waarmee oud-militairen indertijd te kampen hadden, was dat er geen werk voor hen te vinden was. Een oud-soldaat formuleerde deze kwestie als volgt: de burgers gaan voor, overste!, klaagde bij mij (luitenant-kolonel G.J.W.C.H. Graafland) onlangs een oud-fuselier, en van de militairen eerst de Hollandse, in het bijzonder die van de marine; pas heel achteraan komen wij, en dan nog enkel als we een krachtige voorspraak hebben. Anders kun je helemaal thuisblijven. Er is hier geen werk voor ons, besloot hij; men wéét niet waarvoor wij geschikt zijn en eigenlijk weet ik dat nou zelf ook niet.1903. Taptoe! Graafland zei over deze problemen verder nog dat het pensioen van de soldaten wel wat klein was voor hen, die Europa en de toestanden in het moederland waren ontgroeid. De soldaten bemerkten dat zij eigenlijk geen vak kenden; dat de handen hen hier verkeerd stonden, dat de soldatendeugden als beroepssoldaat in de gewone maatschappij niet bijster hoog werden aangeslagen; dat het leger ontzettend veel van hen gevraagd had aan berusting, overgeving, zelfverloochening, gedweeheid, volharding, trouw en ijver; maar in ruil daarvoor hen niets schonk wat in de burgermaatschappij lonende waarde had. Veel van deze soldaten raakten aan de drank of anderszins in de versukkeling en belandden uiteindelijk op Bronbeek. Gouverneur-generaal J.B. Van Heutsz zei hier in 1903 over dat de werkgevers in Nederland de Indisch soldaat al bij voorbaat als een drinkebroer en een onnut wezen zagen, waardoor de situatie voor de soldaten nog verergerde.Gouverneur-generaal Van Heutsz over oud-Indisch soldaten. Het Nieuws van de Dag: kleine courant. (08-08-1904)
In 1904 bevonden zich te Bronbeek 135 oud-strijders: 86 Nederlanders, 24 Belgen, 16 Duitsers, 5 Zwitsers en 4 Fransen. Om er te worden opgenomen moesten zij afstand doen van hun pensioen, in ruil waarvoor zij huisvesting, kleding, voeding en zakgeld ontvingen. Dit laatste bedroeg voor een soldaat 10, voor een korporaal 15, een sergeant of fourier 20, een sergeant-majoor 25 en een adjunct-onderofficier 30 cent per dag. Geëmployeerden en gepensioneerden met verhoogd gagement ontvingen een toelage. Om te voorkomen dat de militairen zich te buiten zouden gaan, werd het zakgeld dagelijks uitbetaald. 's Zomers werd om zes, 's winters om zeven uur reveille geblazen. Kort daarna werd koffie met brood en boter verstrekt. Om half negen kregen de manschappen weer koffie met een boterham, die 's zondags belegd was met een stukje worst of kaas. Om één uur was het middageten, dat bestond uit soep, vlees, groenten en aardappelen, met daarnaast een glaasje gerstebier. In plaats van rund– en varkensvlees kregen ze nu en dan gebraden konijnen, die afkomstig waren uit een eigen fokkerij, of ook wel karpers, waarvan de vijvers op Bronbeek krioelden. Verder werden er ook forellen gekweekt. Om vier uur 's middags ontvingen de manschappen er nog een boterham bij. 's Avonds om half negen werd er nog koffie met boter en brood of pap verstrekt.