De Fraeylemaborg is een Groninger borg en museum in het dorp Slochteren. Het gebouw dateert uit de middeleeuwen, maar kreeg zijn huidige vorm in de 16e en 17e eeuw. De borg Frailma wordt pas in 1649 voor het eerst bij naam genoemd.
De borg is gelegen in een ongeveer 31 hectare groot landgoed, in aanleg hoofdzakelijk daterend uit de 19e eeuw. Het barokke parkbos is rond 1800 veranderd in een landschapspark volgens de principes van de vroege Nederlandse landschapsstijl. Later werden daar nog romantische elementen aan toegevoegd. Het tuincomplex wordt gedragen door een lange hoofdas die door de statige oprijlaan extra nadruk krijgt. Op het voorterrein bevindt zich het schathuis, waarin een restaurant gevestigd is. Aan de andere kant staat het koetshuis met paardenstal en oranjerie. De borg wordt bekroond door een achthoekige toren met twee klokken.De oudste klok in de toren is de Annaklok van Mechelaar Jacob Waghevens uit 1554 (diameter: 39,5 cm, gewicht: 43 kg, slagtoon: b2) met de afbeelding van de heilige Anna, Maria met Kind en twee engelenfiguren. Op de klok staat 'ANNA BEN IC GHEGOTEN'. In hetzelfde jaar vervaardigde Waghevens ook een (iets grotere) klok voor de kerk van Leegkerk. De andere klok van de toren is de Louiseklok die in 1808 werd gegoten bij Van Bergen in Midwolda. Op deze klok staat 'Louise ben ik genoemd naar de enige dochter van H de Sandra Veldtman, Heer van Slochteren, Colham, Foxham en half Schildwolda. Andries Heeres van Bergen.'
Het beheer van de borg wordt gevoerd door de Stichting Landgoed Fraeylemaborg, waarin de provincie Groningen en de Gerrit van Houten Stichting deelnemen.
In het pand bevindt zich het Museum landgoed Fraeylemaborg. Directeur is sinds 2023 Liefke Knol.
De gebouwen en de historische tuinaanleg van de Fraeylemaborg zijn tot beschermd Rijksmonument verklaard
Geschiedenis Middeleeuwen Uit bouwhistorisch onderzoek in 2004 is gebleken dat de huidige borg in elk geval vóór 1300 moet zijn gebouwd als steenhuis of stins, dat is een versterkt huis naast een herenboerderij. In de kroniek van Bloemhof wordt omstreeks 1290 gesproken over twee adellijke families uit deze omgeving: Snelgera van Scharmer en Haiginga (of Haginga) van Slochteren. De laatste naam kan in verband worden gebracht met de Hoijnga of Heringe clauwe, de buurtschap waar de borg gelegen was. In Hellum woonde toentertijd een geslacht dat Frouwamonna werd genoemd.
Bij de naam Fraeylema gaat het vermoedelijk de Oudgermaanse voornaam *Frauja- 'heer', Oudnederlands *Fra-, die we terugvinden in de godennamen Freyr en Freya, hier in een (mannelijke) verkleinvorm met de uitgang -la of -lin. Bekender is de vrouwelijke vorm Frouwa, in de betekenis van 'voorname vrouw, meesteres, gemalin', met de Friese verkleinvorm Frauk(e), Oudnederlands Frowekin.Een andere mogelijkheid van herkomst is Westgermaans fraw-, frau- 'vrolijk, vlug'. Zie Nederlandse Voornamenbank: Frauke.. Namen in de Lage Landen voor 1150 (geraadpleegd 11 augustus 2018). Gearchiveerd op 12 augustus 2018. Aan deze voornaam werd vervolgens de uitgang -ma ('-mannen, familiegroep') verbonden. De achternaam Froma is waarschijnlijk hieraan verwant. De taalkundige Jan Naarding speculeerde dat het om afstammelingen van een frana of schout ging, die ooit namens de graaf het gezag over Duurswold zou hebben uitgeoefend. Hoewel de etymologie van het woord frana als 'namens de heer, behorend tot de heer' hiertoe enige aanleiding geeft, hebben andere onderzoekers deze gedachte stellig afgewezen.Jan Naarding, 'Fraeylema', in: Driemaandelijkse bladen 15 (1963), p. 20-27. Volgens Alma en Vries staat het artikel echter "zo vol met wilde en aantoonbaar onjuiste beweringen dat we het niet kunnen vermelden zonder de lezer hiervoor te waarschuwen".
De vroegste verwijzingen naar de Fraeylemaborg dateren uit de eerste helft van de 15e eeuw. Er is dan sprake van de Fralema heert van Remet Fraijlumma (met 6 deimt land inder dijck medt), daarnaast over landerijen intha Fralema waldum, in Fralima waldum of butha Fralumma waldum (eigendom van Edze Tuwinga te Ten Post), inda Fralema tijucha, in Fraijkema were, in Fralandt, bij Frama meedt en in de Frama venne.Redmer Alma en Oebele Vries, 'Summa agrorum in Slochtra. Een gedeeltelijk Oudfriese tekst uit de Ommelanden', in: Us Wurk 16 (1990), p. 1-48. Een groot deel van deze landerijen lag in de buurt van het Schildmeer. De bovengenoemde Remmert Frouwama was in 1444 een der vertegenwoordigers van het Slochterzijlvest; een zekere Lummo Fraijlima te Slochteren wordt genoemd in 1422. De plaatsnaam Froombosch is daarentegen van de familienaam Froma afgeleid, in de 17e eeuw bezitters van de Ruitenborg en afkomstig van de Fromaborg te Wirdum.
Mogelijk waren vier steenhuizen in het bezit van dezelfde familie, namelijk te Slochteren, Ten Post, Godlinze en Losdorp. In verschillende plaatsen was sprake van een Fraeylemaheerd, waaronder een edele heerd te Slochteren. In 1465 stond Ebbe Sluchtinge de helft van deze heerd af aan Aywet en Duirt Alberda; dit in ruil voor landerijen bij Bierum.
Nieuwe tijd In de eerste helft van de 16e eeuw was de Fraeylemaborg kennelijk in handen van de familie Fraylma, die uit Bierum stamde. Verschillende familieleden waren actief in Slochteren, waaronder Remmert Fraylma, die in 1504 hoofdeling te Slochteren was. Hij bezat de Lumme Fraelmaheerd (maar bij deze boerderij kan het echter ook om de Lyummenheerd te Godlinze gaan). Remmert wordt tot 1527 als hoofdeling genoemd, daarna in de jaren 1538 tot 1540 zijn zoon Oesebrandt. Deze bezat tevens drie heerden in Bierum.
Meermalen werd de borg bezet. In 1500, toen de Saksische vete woedde, liet de stad Groningen dat hues toe Slochteren innemen en versterken. In 1505 wilde graaf Edzard I van Oost-Friesland een blokhuis laten bouwen an de oester sijt der kercken bij dat steenhues an den wech. Dit om de handelsroute vanuit Groningen naar het Oldambt beter te kunnen beveiligen. De aanleg mislukte omdat de natte veengrond zich niet goed voor de bouw van wallen leende. In plaats daarvan werden kerk en kerktoren versterkt. De ligging van de borg aan de Hoge Stadsweg of Woldweg door Duurswold was van groot strategisch belang, niet alleen vanwege de verbinding vanuit de stad Groningen naar Appingedam, maar vooral ook omdat de oude handelsroute naar Westfalen via Slochteren liep. Al in 1483 werd het begin gemaakt met een scheepvaartverbinding via de Slochtersloot (vermoedelijk de Edsersloot) naar het Oldambt. Deze plannen werden in 1585 weer uit de ijskast gehaald en resulteerden uiteindelijk in de aanleg van het Slochterdiep in 1659 door Osebrandt Johan Rengers.
1548 – 1690 (Rengers) Hillebranda Fraeylema, de dochter van Oesebrandt, huwde in 1548 Seino Rengers. Andere erfgenamen werden voor 550 Emder gulden uitgekocht. Dit echtpaar legde de grondslag voor het huidige gebouw. Zij lieten een rechthoekig stenen huis bouwen, met een traptoren die was voorzien van een achtkante bovenbouw. Dit gebouw werd later aan de zuidzijde verlengd. Ook lieten zij grachten graven. In het begin van de 17e eeuw verrees haaks hierop een zijvleugel. De familie bezat omstreeks deze tijd zeker 400 hectare land. In 1663 verkreeg de familie het erfelijke recht de overste schepper van het Generale Zijlvest der Drie Delfzijlen te mogen leveren.
Seino’s achterkleinzoon Osebrandt Johan Rengers was in de 17e eeuw een van de machtigste jonkers in de Ommelanden.Nadat hij was beschuldigd van verraad tijdens het Beleg van Groningen in 1672 belandde hij in de gevangenis. Een schoonzoon van Rengers, Henric Piccardt, wist via Willem III van Oranje een verzoening te bereiken. Rengers werd vrijgelaten en in ere hersteld maar stierf spoedig daarna. Zijn zoon stierf in 1681 of 1682, waarna de borg overging op zijn broer Evert. thumb|300px|De borg op de kaart van Theodorus Beckeringh (1781)
1690 – 1781 (Piccardt) De diplomaat en avonturier mr. Henric Piccardt (1636-1712) was in 1680 getrouwd met Osebrandts dochter Anna Elisabeth Rengers. Hij werd na de dood van zijn schoonvader tevens voogd over Evert Rengers. Nadat Evert in 1690 zijn bezittingen wegens schulden moest verkopen, wist Piccardt de borg met annexen en landerijen voor 47.000 gulden te verwerven. Hij had hiervoor geld geleend van de koning-stadhouder in de vorm van een hypotheek op de Fraeylemaborg. Piccardt was ook heer van Harkstede en bezat tevens de borgen De Ruiten en Klein Martijn, waar hij bleef wonen. Dankzij deze aankopen in Duurswold kon hij zich als nieuwkomer meten met de oude adel van het Hogeland.
In de tweede helft van de 18e eeuw ging het de borgheren niet voor de wind. Ook het onderhoud van het Slochterdiep stagneerde, waarom in 1770 een afzonderlijke sociëteit werd opgericht die een deel van deze taak op zich nam. Financiële moeilijkheden dwongen de familie Piccardt in 1781 tot verkoop van de Fraeylemaborg.
1781 – 1867 (De Sandra Veldtman, Hora Siccama) Koper van de meer dan 30 jaar lang verwaarloosde borg was in 1781 de jurist Hendrik de Sandra Veldtman (1756-1816), een voormalig patriot die vanaf 1795 politieke functies in de Bataafse Republiek vervulde. Het was voor het eerst dat de borg buiten de familiekring werd verkocht. De nieuwe eigenaar knapte de borg weer helemaal op. Zijn geestverwant Albert Jan de Sitter schrijft in 1794 dat het huis "zedert eenige jaren aanzienlijk vertimmerd" is. In 1808 werd De Sandra Veldtman de eerste burgemeester van de gemeente Slochteren. Hij huwde in 1786, na de dood van zijn eerste vrouw, de weduwe van de Arnhemse burgemeester Jan Nanning van der Hoop, Adelgonda Christine Wolthers. Samen kregen zij in 1789 een dochter, Hermanna Louise Christina. Die erfde in 1816 de Fraeylemaborg van haar vader. Na de dood van haar man, de jurist en conservatieve politicus jhr. Johan Hora Siccama (1779-1829), sinds 1824 Tweede Kamerlid, hertrouwde zij in 1831 diens neef, oud-zeeofficier. jhr. Wiardus (Wiete) Hora Siccama (1791-1867) uit Harkstede. Na haar overlijden bleef haar man vruchtgebruiker van het landgoed. Hij hertrouwde gravin Josine van Limburg Stirum, die erg geliefd was bij de inwoners. Zij stichtte in 1860 een naaischool voor meisjes onder de vlag van de diaconie. Jaarlijks was er ook een harddraverij bij het Hoogehuis.Gerhard Filippus Crone, 'Fraylemaborg te Slochteren XI', in: Nieuwsblad van het Noorden, 26 september 1924.
De borgheren waren in deze periode tevens bezitters van de heerlijkheid Slochteren, Kolham, Foxham en half Schildwolde. Door de Bataafse Revolutie in 1795 ging een deel van hun adellijke voorrechten verloren. Dat betrof met name de invloed op de rechtspraak en de waterstaat. De rechtstoel werd in 1803 opgeheven. Andere heerlijke privileges, zoals het recht om predikanten en schoolmeesters te mogen benoemen, werden na de Franse tijd hersteld. Wiardus was tevens overste schepper van het Generale Zijlvest der Drie Delfzijlen (als opvolger van Theunis Haakma Tresling te Scharmer) en eerste schepper van het Woldzijlvest. Hij genoot zodanig aanzien dat de ingelanden hem ook na democratisering van het waterstaatsbestuur in 1851 in functie lieten. Het oude Rechthuis of Hoogehuis (schuin tegenover de borg) bleef als herberg, gemeentehuis en politiepost (met arrestantencel) een belangrijke plek binnen de gemeente innemen. Jaarlijks kwamen de pachters op Sint Maarten op de borg om hun huur te betalen. Als herinnering aan hun rol in de rechtspraak bleven de borgheren tevens eigenaar van de voormalige gerechtplaatsen bij de toren van Slochteren en in Froombosch (Kaakheem). Ook bezaten de borgheren het beurtveer van Slochteren naar Groningen.
1867 – 1972 (Van der Hoop)