thumb|Angkor Wat, de bekendste tempel uit het Khmer-rijk, trekt elk jaar duizenden toeristen. Het Khmer-rijk of Angkor-rijk, in inscripties uit die tijd Kambuja of Kambujadesha (land van de Kambuja's) genoemd, was tussen de negende en 15e eeuw een beschaving op het vasteland van Zuidoost-Azië, met als machtscentrum het westen van het huidige Cambodja. Tot de 13e eeuw was Angkor het machtigste en welvarendste rijk in Zuidoost-Azië, waarvan de techniek, kunst en architectuur ongeëvenaard waren. Het Khmer-rijk heerste in bepaalde perioden over grote delen van de hedendaagse staten Cambodja, Laos, Thailand en Vietnam en ontving schattingen uit gebieden in hedendaags Maleisië en Birma (Myanmar). De Khmers bouwden in deze periode waterreservoirs, kanalen, steden en tempels met afmetingen die ook tegenwoordig nog ontzag wekken. De bekendste monumenten uit de tijd zijn Angkor Wat en andere tempels van de hoofdstad Angkor. De cultuur en religie in het Khmer-rijk waren een mengeling van het uit India overgekomen hindoeïsme en boeddhisme, met de oorspronkelijke Zuidoost-Aziatische religies, waarin voorouderverering een belangrijke rol speelde.
Naamgeving Angkor is een woord in het Khmer dat afgeleid is van het Sanskriet-woord nagara (letterlijk: heilige stad). In het Thai komt dit woord voor als nakhon en in het Cham als nagar.
In de westerse onderzoekstraditie staat de naam Angkor onder andere voor het oude Khmer-rijk, of voor de hoofdstad van dit rijk. De hoofdstad van het Khmer-rijk werd nogal eens verplaatst. Ook voorafgaand aan het Khmer-rijk werd de naam Angkor gebruikt om plaatsen aan te duiden, zoals Angkor Borei.
Achtergrond De 'ontdekking' van Angkor 350px|thumb|Afbeelding van Angkor Wat door de Franse tekenaar Louis Delaporte, gepubliceerd in 1880. Hoewel de ruïnes van Angkor eeuwenlang door jungle overgroeid waren, was de lokale bevolking goed op de hoogte van hun bestaan. Voor sommige tempels, zoals Angkor Wat zelf, is bewijs gevonden dat ze sinds de tijd van Angkor continu in gebruik zijn gebleven. In de loop der eeuwen werden ze door verschillende reizigers bezocht, waaronder een klein aantal westerse ontdekkingsreizigers, onderzoekers en missionarissen. De eerste Europese verslagen zijn Portugese en Spaanse documenten uit de vroege 17e eeuw, waarvan het verslag van Diogo de Couto uit 1614 het meest gedetailleerde is. De Couto heeft Angkor niet zelf gezien maar baseerde zich waarschijnlijk op de missionaris Antonio da Magdalena, die Angkor tussen 1585 en 1588 bezocht. De Portugese en Spaanse verslagen beschrijven hoe 15 jaar eerder (rond 1570) de Cambodjaanse koning Ang Chan tijdens een jachtpartij op ruïnes in de jungle stuitte en de begroeiing liet verwijderen. Verder zitten de verslagen vol speculaties. Zo dacht men dat Angkor door Alexander de Grote was gebouwd; ook sprak men de hoop uit dat Angkor opnieuw bevolkt zou worden, om vervolgens als centrum van de verspreiding van het christendom over Azië te kunnen dienen. In de jaren 1630 tekende de Japanse bezoeker Kenryo Shimano de oudst bekende plattegrond van Angkor Wat. Onder de vroege Europese verslagen zijn die van de Nederlandse reizigers Gerard van Wusthoff (1641) en Hendrick Indijck (1656), en de Franse missionaris Pere Chevruel (1672).
De publieke interesse in het westen werd echter pas gewekt door de Franse ontdekkingsreiziger en natuurvorser Henri Mouhot, die tussen 1858 en 1861 door Indochina reisde. Hoewel Mouhot in 1861 aan een tropische ziekte overleed, werden zijn verslagen en schetsen een paar jaar later in het Frans en Engels gepubliceerd. In 1864 was Cambodja een Frans protectoraat geworden. Hoewel Angkor zelf destijds nog in Thais gebied lag, besloten de Fransen de ruïnes nauwkeuriger te onderzoeken. Een expeditie onder leiding van marineofficier Ernest Doudart de Lagrée bezocht in 1866 diverse tempels en ruïnes uit de Angkor-periode. Het uitgebreide verslag van de expeditie werd door tekenaar Louis Delaporte van kleurrijke tekeningen voorzien. Toevallig bracht de Schotse fotograaf John Thomson tegelijkertijd een bezoek aan Angkor; hij ontmoette de Fransen ter plekke. Dit alles wekte verdere belangstelling in Europa. Op de Exposition Universelle van 1878 in Parijs werd het materiaal van de Franse expeditie tentoongesteld.
Naast het grote publiek werd ook de belangstelling van Europese historici gewekt. De Nederlander Hendrik Kern wist in 1879 enkele Khmer-inscripties te ontcijferen. Ondanks dit en verder onderzoek was het pas in 1898 dat de École française d'Extrême-Orient werd opgericht, die de studie van de geschiedenis van het Angkor-rijk systematisch ter hand nam.
thumb|350px|Inscriptie in het portaal van de tempel Lolei in Roluos (laat 9e eeuw). Dit soort inscripties zijn meestal in twee talen: Oud-Khmer en Sanskriet. Het schrift is verwant aan dat van de Pallavadynastie uit het zuiden van India.
Historische bronnen en onderzoek De bronnen over het Khmer-rijk geven een incompleet overzicht, zowel vanwege chronologische hiaten als vanwege het feit dat ze voornamelijk over religieuze en politieke zaken handelen. Over het alledaagse leven en de inrichting van de maatschappij is daarom relatief weinig bekend.
De inscripties die de bewoners van het rijk achterlieten zijn ofwel in Sanskriet ofwel in het Khmer. De teksten in het Sanskriet zijn lofzangen op de koning of religieuze zegeningen, die altijd eenzelfde patroon volgen. De inscripties in het Khmer zijn voornamelijk administratief van aard en regelen het bezit van land of slaven. Deze inscripties zijn vaak van een datum voorzien, wat historici als Georges Coedès (1886-1968) in staat stelde een incomplete, maar nauwkeurige chronologie op te stellen. Hoewel van veel heersers van Angkor bekend is wanneer ze heersten en welke wapenfeiten ze verrichtten, is echter onduidelijk hoe de koning zijn macht precies uitoefende. Ook over de bevolking zwijgen deze teksten.
Andere bronnen zijn het beeldhouwwerk in de tempels zelf en opgegraven voorwerpen uit de Angkor-periode. Met name de bas-reliëfs in het Bayon laten expliciet ook scènes uit het dagelijks leven zien, waaruit informatie te halen valt over kleding, levenswijze en voorhanden zijnde technieken. De steles die veldslagen verbeelden geven inzicht in de wapens en strijdwijze van de Khmers.
Het enige ooggetuigenverslag van een buitenstaander dat is bewaard gebleven, is van de Chinese afgezant Zhou Daguan. Deze bezocht Angkor tussen 1296 en 1297, aan het einde van haar bloeitijd. Zhou schreef een gedetailleerde beschrijving van de maatschappij en stad die hij aantrof, waarin het dagelijks leven niet ontbreekt. Maar zijn verslag is zeker niet gedetailleerd genoeg om de raadsels rond de maatschappelijke en bestuurlijke opbouw van het rijk op te lossen.
Chronologische geschiedenis
De meeste historici plaatsen de Angkor-periode tussen de jaartallen 802 en 1431, maar deze vertegenwoordigen beide geen grote overgangen. Ook voor de negende eeuw waren er in het huidige Cambodja heersers die hun macht over een groter gebied dan hun oorspronkelijke machtsbasis wisten uit te breiden, en de troonsbestijging in 802 van de traditioneel als eerste Angkor-koning beschouwde Jayavarman II bracht nauwelijks politieke of sociaal-maatschappelijke verandering. De meeste in de Angkor-periode gebouwde tempels en gebouwen raakten na de 15e eeuw in onbruik en de bevolking vertrok naar het platteland of steden verder naar het oosten, maar Angkor Wat bleef tot in de 19e eeuw in gebruik. Hoewel de politieke hegemonie van de Khmers over het vasteland van Zuidoost-Azië na de 13e eeuw ten einde was en er onder de bevolking in de daaropvolgende eeuwen maatschappelijke en religieuze veranderingen optraden, is het onmogelijk die veranderingen aan een vast jaartal te verbinden. Desondanks was in de periode tussen deze jaartallen voor de Khmers duidelijk sprake van een politieke, artistieke en economische bloeiperiode, die nadien niet meer geëvenaard is.
Wat voorafging De beschaving in het latere Indochina werd in de eerste eeuwen van de christelijke jaartelling sterk beïnvloed door ideeën, kunstvormen en technieken uit India, in een proces dat verindisching of in het Engels Indianization genoemd wordt. Voorbeelden van uit India afkomstige zaken zijn de aanbidding van hindoeïstische goden, de overname van Sanskriet voor officiële doeleinden, de dichtkunst, de Indiase manieren van kleden, het concept van een universeel monarch ("cakravartin"), de leer van het boeddhisme, het idee van een sociale hiërarchie in de samenleving en vele andere zaken. Deze culturele overname vond zonder politieke of militaire druk plaats, mogelijk door toedoen van reizende asceten en handelaren uit India. De overname van de Indiase cultuur was echter incompleet. In de religie bleven bijvoorbeeld sterke elementen van de oorspronkelijke inheemse gebruiken aanwezig, zoals de verering van voorouders ("nak ta") en vruchtbaarheidsgodinnen in de vorm van fallusvormige monolieten. In Zuidoost-Azië bleef de belangrijkste sociale eenheid de kernfamilie (het gezin). Dit in tegenstelling tot India, waar het leven gestructureerd is rond de grootfamilie (de "clan": naast het gezin ook verdere verwanten).Osborne (2004), p 7 Bovendien vond het Indiase kastenstelsel in Zuidoost-Azië geen ingang.
De historische bronnen voor het gebied zijn tot rond de zesde eeuw vrijwel uitsluitend afkomstig uit China. Aan het Chinese hof werd genoteerd welke gebieden schatting aan de keizer overdroegen. Tussen de derde en zesde eeuw werd in deze bronnen een land met de naam Funan genoemd, dat mogelijk rond de Mekongdelta lag. Dit gebied was een belangrijke doorvoerpost in de handel tussen India en China, en de redenen om belasting aan de Chinese keizer te betalen waren mogelijk economisch, niet politiek. In de achtste eeuw vermeldden de Chinese bronnen dat schatting werd ontvangen uit een rijk in hetzelfde gebied, dat dan Chenla genoemd wordt. De Chinese bronnen zijn echter niet geheel te vertrouwen: schatplichtige staten worden vaak machtiger afgeschilderd dan in werkelijkheid het geval was. Chenla was waarschijnlijk geen enkele staat, maar een verzameling onafhankelijke rijkjes. De concentratie van alle macht onder één heerser ontstond pas aan het begin van de Angkor-periode.
Vroege Angkor-periode (negende en tiende eeuw) De eerste Khmer-koningen hebben geen eigen inscripties achtergelaten, maar worden uitvoerig genoemd in latere teksten. Het jaartal 802 wordt in de elfde-eeuwse Sdok Kak Thom-inscriptie genoemd als het jaar waarin koning Jayavarman II een ritueel onderging in zijn nieuwe hoofdstad Mahendraparvata op de berg Phnom Kulèn waardoor hij een cakravartin (universeel heerser) en devaraja (God-koning) werd. In de devaraja-cultus wordt aangenomen dat de monarch de incarnatie van een bepaalde godheid is, en dat na de dood hun ziel met die godheid wordt verenigd, en dus als zodanig vereerd wordt in een tempel, opgedragen aan de overleden ziel van de monarch. Van Mahendraparvata is inmiddels niets meer over, maar zogenaamd Lidar-onderzoek heeft de fundamenten van deze stad aan het licht gebracht.