Shiraz (Perzisch: شیراز; Sjiraz) is een stad in Iran (Perzië). Met een inwonertal van 1,5 miljoen (volkstelling 2011) is het de op vijf na grootste stad van het land.Na Teheran, Mashhad, Isfahan, Karaj en Tabriz. Het is de hoofdstad van de provincie Fārs en een van de oudste handelssteden van Iran. De stad heeft als bijnaam 'de stad van rozen en nachtegalen' en staat bekend als de stad van de dichters, literatuur, wijn en bloemen.

Het Perzische woord 'shir' (sjir) kan zowel "leeuw" als "melk" betekenen.

Geografie De stad ligt in het midzuiden van Iran en in het noordwesten van de provincie Fārs, op 919 kilometer ten zuiden van Teheran. Shiraz ligt op een ongeveer groene vlakte aan de voet van het Zagrosgebergte, op een hoogte van ongeveer 1500 meter boven zeeniveau. Door het noorden van de stad stroomt de rivier de Roodkhaneye Khoshk, die een deel van het jaar droogvalt en uitmondt in het Maharloomeer.

De stad ligt in een gebied met een gematigd klimaat met regelmatige seizoenen. De regenval is de laatste jaren iets gestegen ten opzichte van eerdere decennia. In de stad liggen een groot aantal tuinen en fruitbomen. Door de met de bevolkingsgroei gepaard gaande ontwikkelingen staat hun aantal echter onder druk. Het stadsbestuur heeft een aantal maatregelen genomen om deze tuinen te beschermen, maar illegale ontwikkelingen blijven een probleem vormen.

Geschiedenis Pre-islamitische periode De stad wordt voor het eerst vermeld als Tiraziš op Elamitische kleitabletten uit 2000 v.Chr. die in juni 1970 werden gevonden in de zuidwesthoek van de stad tijdens het graven voor het bouwen van een stenen oven. De naam 'Tiraziš' wordt fonetisch geïnterpreteerd als /tiračis/ of /ćiračis/. Deze naam zou in het Oudperzisch zijn vervormd tot /širājiš/, wat in het huidige Perzisch is vervormd tot Shiraz. De naam Shiraz komt ook voor op kleideksels die zijn gevonden in de Sassanidische ruïne Ghasre Abu-Nasr ten oosten van de stad. Volgens sommige Iraanse mythologische tradities werd de stad oorspronkelijk gesticht door de eerste sjah, Tahmurath (Tahmuras) en zou de stad later tot een ruïne zijn vervallen.

In de Achaemenidische periode lag de stad aan de route van Soesa naar Persepolis en Pasargadae. Inscripties in spijkerschrift getuigen dat Shiraz destijds een behoorlijke plaats moet zijn geweest. In het boek Sjahnama van Ferdowsi staat geschreven dat de Parthische keizer Artabanus V (ca. 216–224) zijn macht uitbreidde over Shiraz. In dit gebied lag ook het oude paleis Ghasre Abu-Nasr. Onder de Sassaniden lag Shiraz aan de weg tussen Bishapur en Istakhr en vormde een belangrijk regionaal centrum. In het 10e-eeuwse verdrag Hudud al-'Alam wordt gesproken over de aanwezigheid van twee vuurtempels en een fort met de naam 'Shahmobad' tijdens de Sassaniedische periode (2e tot 6e eeuw). In het 14e-eeuwse werk Nozhat ol-Qolub van de Perzische geleerde Hamdallah Mustawfi wordt ook erkend dat er voor de islamitische periode reeds nederzettingen lagen bij Shiraz.

Islamitische periode Middeleeuwen In 641 werd Shiraz veroverd door het Arabische Rijk en werd de islam geïntroduceerd als godsdienst. Shiraz werd daarop aangewezen tot bestuurscentrum van de Arabieren in de provincie Pars. De stad trok in die tijd veel immigranten uit de omtrek, waaronder leden van Turkse stammen, die moesten dienen als soldaten in het Arabische leger. Afstammelingen van deze stammen speelden in de eeuwen erop een leidende rol in de stad en haar omgeving. Shiraz groeide zo ten koste van andere steden in de omtrek. Nadat de Arabieren ook de nabijgelegen Sassaniedische hoofdstad Istakhr hadden veroverd, werd Shiraz in 693 aangewezen als provinciehoofdstad. Onder de Arabische overheersing en daaropvolgende lokale dynastieën verviel Istakhr langzamerhand en werd Shiraz van steeds groter belang. In 790 publiceerde de Arabische wetenschapper Sibawayh in Shiraz zijn geschrift 'Kitāb' ("het boek"), dat de eerste basis vormde voor de Arabische grammatica. In 869 werd de stad door de Saffaridische heerser Yaqub-i Laith Saffari veroverd op het Kalifaat van de Abbasiden en werd het Perzisch ingevoerd als taal. Veel Arabieren en Turken in de stad werden gedood, maar ook bleven veel van hen die het overleefden in de stad wonen omdat ze de Perzische cultuur reeds hadden overgenomen en zich er thuisvoelden. Kort na de verovering liet Yakub's broer Amr-o-Leis Saffari de huidige Jameh-ye Atighmoskee bouwen. In de 9e eeuw werd de stad bekend om haar Shirazi-wijn (de 'beste van het Midden-Oosten'), waarvan de productie echter gestopt is na de islamitische revolutie van 1979.

thumb|left|De Koranpoort, gebouwd als onderdeel van de stadsmuur van de Buyiden

In 933 maakte de Buyidische heerser Imad al-Dawla (Ali ibn Buya) Shiraz tot zijn hoofdstad. Hij en zijn opvolgers bouwden er moskeeën, paleizen en een bibliotheek. Literatuur, wetenschap, kunst en cultuur werden bevorderd en religieuze minderheden werden goed behandeld. Onder de Buyidische ministers en afgevaardigden waren ook christenen, joden en zoroastriërs. Rond 950 liet de broer van Imad, Rokn-al-Dawla een qanat (ondergronds kanaal) graven van de bergen naar de stad om deze van zoet water te voorzien. Deze qanat wordt nog altijd gebruikt en is vereeuwigd in de gedichten over de stad. Rond het jaar 1000 werd na aanvallen door de (door het Damasceense restant van het Abbasidische kalifaat van Baghdad gesteunde) Turkmeense Seltsjoeken door de Buyiden een stadsmuur opgetrokken rond Shiraz. In dezelfde periode werd ook de Vakilbazaar gebouwd. De daaropvolgende 50 jaren werden echter gekenmerkt door oorlogen met de Seltsjoeken en interne Buyidische twisten, waarbij een groot deel van de stad werd verwoest. In 1062 wisten de Seltsjoeken de stad uiteindelijk toch te veroveren, maar tot afkeer van het kalifaat namen de nieuwe heersers al snel de Perzische cultuur over en velen van hen vestigden zich in Shiraz. Uiteindelijk werden de Seltsjoeken zelfs belangrijke beschermheren van de Perzische kunst en cultuur. Rond 1075 lieten de Seltsjoekse heerser Attabak Jalal-ed-din en zijn zonen Shiraz herbouwen en herstelden het tot haar oude grandeur. De ontwikkeling van de nieuwe stad trok vele nieuwe immigranten, die uit alle delen van Perzië en ook uit Centraal-Azië kwamen.

Aan de macht van de Seltsjoeken kwam echter al snel een einde, toen met steun van het kalifaat oproeren uitbraken in het Seltsjoekse leger en de Eerste Kruistocht de militaire macht van de Seltsjoeken verzwakte. Songhoridische Turkse rebellen maakten hiervan gebruik door in 1090 de macht te grijpen in de stad en rond 1100 de stad uit te roepen tot hoofdstad van de Songhoridische dynastie. Aanvankelijk verkondigden zij in opdracht van Baghdad vooral het soennisme, maar na verloop van tijd raakten ook zij verperzischt en bleef de invloed van de Baghdadse kaliefen hoofdzakelijk beperkt tot ceremoniële handelingen. Rond 1105 werd een nieuwe stadsmuur met acht poorten gebouwd rond de stad. De stad en haar omgeving werden daarop geregeerd door soennitische hanafieten, maar ondertussen werden het jodendom, christendom en zoroastrisme ongemoeid gelaten. Deze tolerante opstelling leidde tot een nieuwe golf van migratie naar de stad en haar omstreken vanuit Turkse en Kaukasische gebieden. Een aantal van deze stammen, zoals de Quashqai en de Lors, wonen nog altijd rond Shiraz.

Rond 1115 groeide Shiraz uit tot een religieus centrum. Er werden in die tijd veel schrijnen gebouwd, waarvan een aantal nog steeds bestaat. De meest heilige hiervan is de rond 1130 gebouwde Sjah Tsjeragh, die de lichamen van de beide broers Achmed en Mohammed, zonen van de 7e imam (Moesa al-Kazim) en broers van de 8e imam (Ali ar-Rida) huisvest. In 1165 richtte sjeik Ruzbihan Baqli zijn eigen soefi-tariqa (religieuze orde) op in de stad.

thumb|De Tombe van Hafez, een belangrijke toeristische trekpleister

In de tweede helft van de 12e eeuw raakte de stad in verval als gevolg van vetes tussen de heersende stammen en door een hongersnood, maar in 1195 greep de lokale atabak (legerleider) Saad ibn Zangi de macht en herstelde de stad. In de 13e eeuw groeide de stad uit tot een belangrijk centrum voor kunst en letteren. Dit werd mede mogelijk gemaakt doordat de lokale heerser dit bevorderde en door de aanwezigheid van veel Perzische wetenschappers en kunstenaars in de stad. Vanwege deze positie werd de stad door klassieke islamitische geografen ook wel 'Dar al-‘Elm' ofwel "Huis van Kennis" genoemd. Bekende Iraanse personen die in de 13e en 14e eeuw in Shiraz werden geboren zijn de dichters Saadi en Hafez en mysticus Roozbehan (Baqli). Deze namen leverden Shiraz de bijnaam 'het Athene van Iran' op.

In 1280 vielen de Mongolen het gebied binnen. De lokale heerser Abu Bakr ibn Saad wist de stad echter te sparen door schatting te betalen en zich te onderwerpen aan Dzjengis Khan. Deze was zo gecharmeerd door de Perzische heerser dat deze hem 'Ktlug Khan' noemde en beschouwde als een vriend. De hoge belastingen die de Mongolen hieven berokkenden de stad echter grote schade. Ook corruptie en onderlinge vetes deden de stad geen goed. In de decennia erna volgden nog meer rampen. In 1287 zouden als gevolg van droogte en hongersnood volgens de 14e-eeuwse Perzische historicus Wassaf ongeveer 100.000 mensen zijn overleden en in 1297 zouden als gevolg van de mazelen en de pest nog eens 50.000 mensen zijn overleden in de stad en haar omgeving.Wassaf, 'Abd Allah (1327), Tajziyat al-amsar wa-tazjiyat al-a'sar. Ed. ‘Abd al–Muhammad Ayati, Tahrir-i ta'rikh-i Wassaf. Intisharat i-Bunyad-i Farhang-i. Teheran (Iran), §1346/1967, pp. 106-128, 359.

In 1304 kwam de stad kortstondig in handen van de Injuïden, die Shiraz herbouwden, maar door hun onderlinge twisten uiteindelijk meer kwaad dan goed voor de stad deden. Hun opvolgers, het Il-kanaat, die de stad vanaf ongeveer 1325 bestuurden, deden het niet veel beter. Kort nadat zij aan de macht kwamen bezocht Ibn Battuta de stad en schreef over een grote stad (ongeveer 60.000 inwoners) met tuinen, stromen, bazaars en net geklede mensen. In 1353 veroverden de Muzaffariden de stad en maakten haar tot hoofdstad van Perzië. In 1357 kwam de Muzaffaridische heerser Sjah Shuja aan de macht. Hij zorgde voor een opleving van de stad en was een groot liefhebber van Hafez. In 1382 wist hij de stad te sparen voor plundering door het leger van Timoer Lenk geschenken te sturen. Maar na zijn dood in 1384 ontstond ruzie tussen de Muzaffariden, die verschillende veldslagen uitvoerden in Shiraz, hetgeen grote schade veroorzaakte aan de stad. In 1387 werd de stad alsnog bezet door Timoer, hetzij voor een korte periode. Hij stelde sjah Yahya aan als zijn vazal.

In 1393 keerde hij terug en verbleef er een maand, tijdens welke hij zijn kleinzoon, die de Perzische cultuur had overgenomen, aanstelde als gouverneur. Bij zijn vertrek nam hij alle Muzaffaridische prinsen (behalve de zonen van Sjah Shuja) mee en liet ze ombrengen. Ook nam hij kunstenaars, handwerkslieden en wetenschappers met zich mee uit de stad naar Samarkand. Onder zijn kleinzoon werd de stad herbouwd. In het begin van de 15e eeuw telde de stad ongeveer 200.000 inwoners.