De Tweede Boerenoorlog van 1899 tot 1902 (ook bekend als de Tweede Vrijheidsoorlog, Zuid-Afrikaanse Oorlog of Anglo-Boerenoorlog) was een oorlog tussen enerzijds de Nederlandstalige Boeren van de Zuid-Afrikaansche Republiek (Transvaal) en de Oranje Vrijstaat en anderzijds het Britse Rijk.

De oorlog was het gevolg van jarenlange spanningen tussen de Boeren en de Britten. Hoewel het begon met conventionele oorlogvoering stapten de Boeren na de verovering van hun hoofdsteden over op guerrillatactieken, waarna de Britten terugsloegen met de tactiek van de verschroeide aarde en - als een van de eerste - het grootschalig gebruik van concentratiekampen, waardoor aan de zijde van de Boeren meer dan twintigduizend burgerslachtoffers zijn gevallen, meest vrouwen en vooral kinderen, die onder ellendige omstandigheden in de Britse concentratiekampen stierven.

Eerste moderne oorlog De strijd wordt wel geschetst als de eerste moderne oorlog, met aan beide kanten moderne wapens: geweren met een magazijn van minimaal vijf patronen en een bereik van (ruim) meer dan een kilometer, die rookloos waren zodat niet zichtbaar was vanwaar geschoten werd. Het werd door waarnemers wel beschreven als een onzichtbare oorlog, waar troepen naar voren oprukten om dan plots dood of gewond neer te vallen, zonder in het oog lopende oorzaak. Een harde les was dat militairen geen blinkende of fel afstekende kentekenen konden dragen zonder onmiddellijk letterlijk een mikpunt te worden. De Britten verloren in het begin buitenproportioneel veel officieren, totdat deze leerden hun kleding aan te passen.

Lessen die te leren waren (voor wie wilde leren) omvatten het gegeven dat artillerie-beschietingen op troepen die in kolommen oprukken heel effectief zijn, dat artillerie-beschietingen op geprepareerde stellingen (zoals loopgraven) vrijwel zinloos zijn (eerder contraproductief, een waarschuwing: "he, ze gaan aanvallen"), dat frontale aanvallen op geprepareerde stellingen zeer veel menslevens kostten, en dat de tijd van de cavalerie-charge met de lans wel voorbij was (behalve onder zeer bepaalde omstandigheden). Later bleek tijdens de Eerste Wereldoorlog dat veel officieren deze lessen niet geleerd hadden, met alle gevolgen van dien.

Ook maakte deze oorlog deel uit van de achtergrond voor de Eerste Wereldoorlog: ze veroorzaakte in Europa een sterk anti-Britse stemming. Ook het Britse besluit om Duitse passagiersschepen aan te houden en op militaire voorraden te doorzoeken zette kwaad bloed (er werd overigens niets gevonden). Het Duitse Keizerrijk besloot om de Duitse marine te verdubbelen in gevechtssterkte.

De oorlog resulteerde in een pyrrusoverwinning voor het Verenigd Koninkrijk en betekende het einde van de onafhankelijke Boerenrepublieken. Ondanks alles geldt deze oorlog in het Verenigd Koninkrijk niet zozeer als een schandvlek, maar juist als een hoogtepunt van het Britse Rijk. Toen Groot-Brittannië een beroep deed op haar koloniën trokken deze samen op, schouder aan schouder.

Voorgeschiedenis thumb|left|175px|Paul Kruger, staatspresident van de Zuid-Afrikaansche Republiek Boeren is de benaming voor afstammelingen van Nederlandse kolonisten (Afrikaners) die naar het noorden migreerden in de Grote Trek om aan de Britse heerschappij over de Kaapkolonie te ontkomen. Na de stichting van vele Boerenrepublieken bleven er uiteindelijk twee grote staten over: de Zuid-Afrikaansche Republiek (Transvaal) en Oranje Vrijstaat. Het Verenigd Koninkrijk had ondertussen al de kust van Zuid-Afrika in zijn bezit en zat midden in de Wedloop om Afrika.

Het langetermijnprobleem voor de Britten was dat ze Kaapstad nodig hadden als strategische haven (net als Gibraltar), maar dat er niet veel reden voor Britten was om zich in zuidelijk Afrika te vestigen. Het grootste deel van de kolonisten bestond uit "Boeren", terwijl de eigenlijke bevolking (die de overgrote meerderheid vormde) zwart was. Na 1834 was slavernij in Britse gebieden verboden (de reden dat een deel van de Afrikaners naar nieuwe gebieden vertrok, de Grote Trek), waarna de positie van de zwarte bevolking een punt werd van politieke zorg. Voor zowel de eigenlijke (zwarte) bevolking als voor het machtsevenwicht zagen de Britten het daarom als noodzakelijk om de Boeren kort te houden.

In de Britse politiek waren afwisselend diverse partijen aan de macht, met diverse opvattingen over hoe om te gaan met de koloniën. Het idee om veel geld te gaan investeren in een kolonie was bij niemand populair. Na de vondst van diamanten in Kimberley veranderde de financiële situatie: zuidelijk Afrika was niet langer arm.

In 1877 annexeerde het Verenigd Koninkrijk het failliete Transvaal van president Thomas François Burgers. Het idee was om naar voorbeeld van Canada een federatie van republieken onder Britse hegemonie te vormen, en dit was in 1877 bijna gelukt. Maar een wisseling van de Britse regering leidde tot een verandering van plan en de Eerste Boerenoorlog. De eerste slag werd gewonnen door Transvaal, en vóór het Britse leger de tegenaanval kon inzetten werd vrede gesloten. De republiek werd weer onafhankelijk verklaard, hoewel onder de suzereiniteit van de Britten.

Goud In 1885 werd in Transvaal bij Witwatersrand goud gevonden in een kilometerslange ertslaag. Hiermee verschoof ook het financiële zwaartepunt: de Britse Kaapkolonie was niet langer het rijkste deel van zuidelijk Afrika. De lucratieve mijnbouw trok een grote stroom van niet-Boerse immigranten (uitlanders) aan. De nieuwelingen werden niet met open armen ontvangen door de Boeren, die vreesden een minderheid in eigen land te worden. Zo ontstond een opmerkelijk demografische situatie: de Kaapkolonie bleef Brits maar met kolonisten die in meerderheid van Afrikaner-afkomst waren, terwijl Transvaal wel Boers bleef, maar nu met kolonisten die in meerderheid niet van Boerenafkomst waren (grotendeels Brits).

Engelse mijneigenaren (de gold bugs, goudkevers) oefenden druk uit om de regering van Transvaal over te nemen vanwege de voor hen nadelige monopolies op dynamiet en de kosten van de diepe goudmijnen. De kwestie van de politieke rechten van de uitlanders – wanneer ze stemrecht zouden krijgen voor de Volksraad – werd hoog opgespeeld. Aangezien de uitlanders het merendeel van 's lands belastingen betaalden wilden zij ook iets over de begroting te zeggen hebben (no taxation without representation). De Britten zetten in op stemrecht na vijf jaar verblijf; Kruger hield vast aan veertien jaar, maar ging later terug tot negen jaar, en nog weer later naar zeven jaar, daarbij wel steeds meer aanvullende voorwaarden stellend.

In hoeverre de uitlander-kwestie werkelijk de reden tot oorlog was (of enkel een excuus; de uitlanders waren eigenlijk nauwelijks geïnteresseerd in iets anders dan goudwinning) blijft een kwestie van debat. Alfred Milner wilde graag dat de Britten de wedloop om Afrika zouden winnen, en daarbij stonden de Boeren in de weg. Ook Cecil Rhodes speelde in vele capaciteiten (onder andere als eigenaar van de Zuid-Afrikaanse kranten) een rol.

Schermutselingen en hard optreden van de Transvaalse politie (de ZARP) leidden tot schandalen als de zaak-Edgar (het "voetsak"-incident) waarbij de politie in Johannesburg een Engelsman doodschoot, die van moord verdacht werd. De publieke opinie in Engeland werd bewerkt met berichten dat de uitlanders als heloten mishandeld werden.

Jameson Raid

In 1896 steunde Cecil Rhodes een mislukte staatsgreep, de Jameson Raid; deze was eigenlijk bedoeld als ondersteuning van een opstand in Johannesburg, maar toen deze uitgesteld werd besloot Jameson om het zelf maar in zijn eentje te doen. In reactie greep de regering in Pretoria fel in in Johannesburg. Nadat de bevolking (de uitlanders) zich (daartoe opgeroepen) ontwapend had, werden velen gearresteerd en veroordeeld, waarbij sommigen tot de dood veroordeeld werden (deze mochten zich later vrijkopen). Hierdoor werden de verhoudingen met de uitlanders echter niet beter.

In Transvaal leidde de mislukking van de Jameson Raid tot grote populariteit van Kruger, die dan ook herkozen werd. Op zijn beurt leidde dit weer tot een vertraging van hervormingen (Kruger was zeer conservatief). Wel werd door de Jameson Raid aan Kruger duidelijk hoe zwak de strijdkrachten eigenlijk waren. Hij kocht moderne geweren, Mausergeweren (het Mauser Gewehr 88) en artillerie in, van Krupp en uit le Creusot (niet zoveel artillerie als hij wilde, door binnenslandse obstructie); de republiek had geld genoeg, door de goudwinning. Ook werden zo de banden met Frankrijk en Duitsland verder aangehaald.

Ook zocht Transvaal toenadering tot Duits Zuidwest-Afrika, wat de Britten niet konden toestaan. Dit was een van de vele kleine stappen die zouden leiden tot het grote conflict tussen beide wereldmachten, de Eerste Wereldoorlog.

Britten De Britse regering beschouwde de Jameson Raid als blamage. De regering stelde een onderzoek in, maar benoemde de te onderzoeken bewindspersoon (Chamberlain) in de onderzoekscommissie. Verder werd van de twee personen die het contact tussen Chamberlain en Rhodes hadden onderhouden er één bereid gevonden de schuld op zich te nemen (uit vaderlandsliefde); de ander overleed op een geschikt moment.

De Britse publieke opinie zag het anders. Voor de Britten telde zwaar dat de Duitse keizer na de Jameson Raid een telegram aan Kruger gestuurd had om zijn steun uit te spreken. De Britse publieke opinie vond dit een provocatie en schaarde zich achter Jameson die tot held werd uitgeroepen.

Conferentie van Bloemfontein

Alfred Milner, de Britse gouverneur voor Zuid-Afrika, onderhandelde met Paul Kruger en diens minister Jan Smuts op het station van Bloemfontein over de Britse eisen voor versneld stemrecht voor de uitlanders van onder meer Johannesburg. Milner liet met opzet de onderhandelingen mislukken, waarschijnlijk tegen de wil van de Engelse Minister van Koloniën Joseph Chamberlain. Kruger merkte op: "U wilt mijn land."

Milner (volgens Pakenham) Na uitvoerige studie van overlevende (en gedeklassificeerde) documenten van de overheid, dagboeken van direct betrokkenen, persoonlijke correspondentie, etc voor zijn boek The Boer War kwam de historicus Pakenham tot de conclusie dat de oorlog niet uitgebroken zou zijn zonder Milner. Pakenham constateerde grote verschillen tussen wat er achter de schermen gebeurde en wat er in het openbaar gebeurde. Hij vindt het duidelijk dat Milner een hoofdrol speelde in het veroorzaken van een oorlog die noch de Britten, noch de Boeren gewild hadden.

Milner was aangesteld als gouverneur van de Kaapkolonie, en was voorstander van uitbreiding van het Britse Rijk. Dat kon in zuidelijk Afrika op twee manieren: door het inlijven van de Boerenrepublieken of door politieke veranderingen, te beginnen met stemrecht voor de Uitlanders.

In 1898 had Milner al toestemming gevraagd om een crisis te mogen organiseren, die de aanleiding zou kunnen worden om te mogen ingrijpen. Minister Joseph Chamberlain weigerde, maar Milner begreep dat zolang het buiten het zicht van de regering gebeurde, ver weg in zuidelijk Afrika, dat de zaak anders lag. Milner begon te plannen (hij had een groot netwerk in het Brits overheidsapparaat) en overleg te voeren met industriëlen (van de goudindustrie, de zogenaamde gold bugs).

Voorafgaand aan Bloemfontein had Milner al te kennen gegeven dat, linksom of rechtsom, het Britse Rijk in de toekomst aan de touwtjes zou moeten trekken in Transvaal: Kruger moest onder druk gezet worden om concessies doen op het gebied van het stemrecht van de Uitlanders (zodat uiteindelijk Britse onderdanen aan de macht zouden komen, die immers in de meerderheid waren), of er zou oorlog komen. Het politiek dier Kruger zag de conferentie als een onderhandeling waarbij hij langzaamaan concessies zou doen om zo de vrede te handhaven zonder al te veel toe te geven. Op dag drie kwam hij met een eerste voorstel.