thumb|Ets van een buste van Piranesi door Felice Polanzani (1750); de kunstenaar wordt half afgebeeld als een antiek personage, half als een modern architect

Giovanni Battista Piranesi (Mogliano Veneto, 4 oktober 1720 - Rome, 9 november 1778) was een Italiaanse graficus, die bekend werd door zijn stadsgezichten van Rome, gravuren en etsen van imaginaire kerkers.

Piranesi hield zich ook bezig met archeologie en huldigde daarbij denkbeelden die tegenwoordig niet meer worden aangehangen. Hij was bovendien werkzaam als architect, ontwerper en auteur.

Piranesi is bekend geworden door zijn grootformaat etsen van stadsgezichten van Rome en gesublimeerde studies van de antieke Romeinse architectuur. Zijn Carceri (kerkers) behoren door hun originele en fantasierijke uitwerking tot een novum in de etskunst. Hij wordt mede door zijn polemische geschriften gezien als een belangrijke intellectuele figuur uit het 18de-eeuwse Rome. Piranesi had een niet geringe invloed op het neoclassicisme.

Jeugd en opleiding Piranesi werd geboren in de buurt van Venetië. Zijn vader, Angelo Piranesi, was steenhouwer en meesterbouwer. Zijn broer was kartuizer en onderrichtte hem in de klassieke geschiedenis. Hij ging in opleiding bij Matteo Lucchesi, zijn oom langs moederskant, ontwerper en hydraulisch ingenieur, en leerde van hem architectuur en de ingenieurstechnieken. De heftige debatten in Lucchesi's vriendenkring over de Etrusken als stichters van de klassieke architectuur scherpten Piranesi's nieuwsgierigheid naar de oudheid. Ook de provocerende stellingen van de dominicaanse broeder Carlo Lodoli, die de geldigheid van de klassieke normen ter discussie stelde, hadden invloed op de jonge Piranesi. Na onenigheid met zijn oom zette hij zijn opleiding voort bij de Venetiaanse architect Giovanni Antonio Scalfarotto (1670-1764), die hem het technisch tekenen voor architecten aanleerde. Scalfarotto was een medewerker van Piranesi's oom Lucchesi en eveneens Magistrato alle acque van Venetië. Het is dan ook goed mogelijk dat Piranesi meegewerkt heeft aan de laatste bouwstadia van de kerk van San Simeone Piccolo en Giuda in Venetië, een der belangrijkste opdrachten die Scalfarotto ooit heeft gekregen. Piranesi kreeg vervolgens een architectuuropleiding van Tommasso Temenza, neef van Scalfarotto (en restaurateur van de boog van Augustus in Rimini).

Piranesi leerde de kunst van het podiumontwerp bij de gebroeders Giuseppe en Domenico Valeriano. De etser Carlo Zucchi gaf hem voortgezet onderricht in het gebruik van perspectief in composities.

Periode 1740-1747 : de vroege veduta’s en fantasieën thumb|Barokke architecturale fantasie, een vroeg werk van Piranesi miniatuur|Ets gemaakt door Giovanni Battista Piranesi. Getiteld Arco di Settimo Severo. In 1740 maakte hij als tekenaar deel uit van het gevolg van de Venetiaanse ambassadeur Marco Foscarini (1696-1763), en zo kwam hij voor het eerst in Rome. Tijdens het pontificaat van Benedictus XIV (1740-1758) was Rome een van de intellectuele centra van Europa. Rome was tevens de bestemming van menig reiziger van standing die de Grand tour over het Europese vasteland deed. Deze reizigers schiepen een vraag naar geïllustreerde reisgidsen van Rome.

Piranesi maakte er kennis met de artistieke milieus. Hij leerde de eerste beginselen van het graveren gedurende zijn kort verblijf bij Giuseppe Vasi, op dat ogenblik de belangrijkste graveur van Rome. Vasi bracht de tiendelige reisgids Magnificenze di Roma antica e moderna (De grootsheid van het antieke en het moderne Rome) uit, en een aantal gravuren van deze veduta's (gedetailleerde stadsgezichten) zijn door Piranesi gesigneerd. Hij zou toen ook reeds hebben meegewerkt aan Vasi's reusachtig panorama Prospetto d'alma città di Roma vista dal Monte Gianicolo (Zicht op de stad Rome gezien vanaf de Monte Gianicolo) , dat een totaalbeeld in vogelvlucht geeft van Rome (1741-1761). Hij werkte in 1743 met Vasi mee aan een kleinere versie van een reusachtig plan van Rome door de architect Giambattista Nolli (1701-1756) dat in 1748 verscheen samen met de grote versie Pianta Grande di Roma. In die periode maakt hij ook kennis met Giovanni Paolo Panini, de voornaamste veduteschilder in Rome.

Geïntroduceerd door zijn mecenas Nicola Giobbe, maakte Piranesi kennis met de vooraanstaande Romeinse architecten Nicola Salvi (ontwerper van o.a. de Trevifontein) en Luigi Vanvitelli. Dit toont nogmaals aan dat Piranesi toen reeds aanvaard werd in de hoogste artistieke kringen van Rome. Gedurende deze tijd geraakte Piranesi in de ban van de antieke ruïnen en bezocht hij archeologische opgravingen.

Fantasieën Een van Piranesi's vroegste en tijdens zijn leven steeds weer bewerkte serie prenten is die van de Carceri d'Invenzione ("Imaginaire Kerkers", 1745, tweede uitgave 1761). Hierin beeldde hij ruïnen af die hij in kerkers veranderde, gedomineerd door grootse arcaden in onmogelijke perspectieven, trappen die tot ongelofelijke hoogten oprijzen en bizarre galerijen die nergens heen leiden. De haken, raderen, hangkatrollen en kettingen zijn een expliciete verwijzing naar straf en kwelling.

Vanaf het begin van zijn verblijf in Rome concentreerde Piranesi zich op architectuurfantasieën en fantastische composities. De uitgeverij van de gebroeders Pagliarini publiceerde deze werken in zijn eerste uitgave, Prima parte di Architettura e Prospettive (Eerste deel van de architectuur en het perspectief), versierd met twaalf platen met monumentale structuren en verbluffende ruïnen. Dit geïllustreerd werk behandelde ook de bouwtechnieken van Nicola Zabaglia (1674 - 1750). Hij gebruikte hier reeds een onorthodoxe combinatie van de klassieke thema's, bovenmenselijk van schaal, met krachtig perspectief en weergave van de ruimte getemperd door een afgemeten lichtinval. Piranesi droeg dit boek op aan de Romeinse aannemer en mecenas Nicolà Giobbe, die hem toegang had gegeven tot zijn omvangrijke privéverzameling van architecturale prenten en publicaties.

De invloed van dit werk deed zich spoedig gelden in de festivalontwerpen van de neoklassieke Franse schilder Louis-Joseph Le Lorrain (1715-1759) en de architecturale fantasieën van Michel-Ange Challe (1718-1778). Zij verbleven beiden aan de Franse Academie in het Palazzo Mancini-Salviati, toentertijd een centrum van kunstonderzoek voor Franse kunstenaars. Daar verbleven jonge artiesten, en door hen werden vele van de veduta’s die hier ontstonden, geëtst. Toen deze kunstenaars terugkeerden naar hun land, verspreidden zij de vernieuwende opvattingen van Piranesi, die daarmee invloed had op de Europese neoklassieke architectuur.

Archeologie Geboeid door de opgravingen aan de basilica in Herculaneum, vertoefde Piranesi in de periode 1743-1744 in Napels. De opgegraven beelden en archeologische vondsten brachten hem ertoe om voortaan het archeologisch materiaal op een visueel vertellende wijze weer te geven.

In 1744 verbleef Piranesi opnieuw in Venetië, volgens sommige bronnenWilton-Ely, John (1996): Piranesi, Giovanni Battista in "Dictionary of Art" (ed. Jane Turner), om in de leer te gaan in het atelier van de laatbarokschilder Giambattista Tiepolo. Anderen verklaren zijn verblijf echter als ingegeven door geldgebrek. Hij kwam aan de kost door een aantal interieurontwerpen te maken voor Venetiaanse paleizen. Een zeldzaam voorbeeld hiervan wordt bewaard in de Pierpont Morgan Library in New York.Felice Stampfle, Giovanni Battista Piranesi : drawings in the Pierpont Morgan Library / Felice Stampfle ; with a foreword by Charles Ryskamp; New York : Dover Publications, 1978.

Vedutine thumb|Het Quirinaal in Rome (in de voorgrond : de standbeelden van Castor en Pollux)

In 1745 kwam Piranesi terug in Rome en hij vestigde zich aan de Via del Corso, nabij de Franse Academie. Hij tekende er ongeveer vijftig stadszichten op klein formaat, dergelijke kleine vedute werden vedutine genoemd. In 1745 bracht Fausto Amidei het boek Varie vedute di Roma antica e moderna (Verschillende stadsgezichten van het antieke en het moderne Rome) uit, waarin naast vedutine van enkele andere kunstenaars uit de Franse academie, zoals Jean-Laurent Legeay, Duflos en Bellicard, ook de eerste van Piranesi werden opgenomen.

Een dergelijk prentenboek op klein formaat was erg in trek bij toeristen. Verschillende auteurs (onder wie Ridolfino Venuti en Pietro Rossini) publiceerden reisgidsen voor Rome, en tot het midden van de jaren 1760 werden in verschillende van die gidsen Piranesi's vedutine als illustratiemateriaal gebruikt.

Losse vedute thumb|The Piazza di Spagna (Veduta di Piazza di Spagna)

Vanaf 1747 tekende Piranesi zijn veduta’s op een formaat dat tweemaal zo groot was als zijn vroegere vedutine. Deze stadsgezichten zouden uitgroeien tot een reeks van 135 platen, waarvan hij de afdrukken afzonderlijk verkocht, nu en dan ook in bundels met beperkte oplage. Elke ets was een opzichzelfstaand kunstwerk en vormde een betaalbaar alternatief voor de duurdere geschilderde veduta’s. In tegenstelling tot zijn voorgangers in dit genre, legde Piranesi nu al de nadruk op het technisch vernuft en de vaardigheden in het antieke Rome. Hij liet hierbij zijn verbeelding werken om de grootsheid van de gebouwen te benadrukken: het ging niet zozeer om de realistische weergave van het tafereel. Deze 135 etsen vormen door hun techniek en compositie een weergave van bijna elke fase in haar stilistische evolutie.

Zijn Capricci grotteschi (Groteske fantasieën) (c. 1747) bevatten onder andere vier etsen met fantasieën, die duidelijk de invloed van Tiepolo weergeven in de vrije etstechniek, de gewrongen lijnen en de dramatische toepassing van licht en schaduw.

Periode 1747-1760: het rijpere werk en de archeologie Antichità romane thumb|Het Colosseum, Piranesi en DanIël Vrijdag (graveur), 1761

Vanaf 1747 begon hij nauwkeurig notities te maken van alle aspecten van de ruïnen van het antieke Rome. Hij publiceerde in 1748 reeds zijn eerste reeks stadsgezichten, Antichità romane de’ tempi della Repubblica e de' primi Imperatori ("Het antieke Rome uit de tijd van de Republiek en de eerste keizers"). Dit boek zou uiteindelijk uitgroeien tot vier monumentale delen. Hij beschrijft in het bijzonder de graftomben langs de Via Appia en probeert via reconstructies hun vormenrijkdom weer te geven. Hijzelf zegt hierover in dit boek :Piranesi, de prentencollectie van de Universiteit Gent; pagina 40; tentoonstellingscatalogus, Museum voor Schone Kunsten, Gent, 2008,

"Ik heb de ruïnen afgebeeld met een weergave niet alleen van hun gevels, maar ook van de bouwplannen en hun interieurs in doorsnee en in profiel. Ik heb aangetoond welke materialen er gebruikt werden en hoe ze gebouwd werden, voor zover ik dit kon afleiden na vele jaren van nauwkeurige observatie, opgravingen en onderzoek."

In 1756 werd de Antichità romane aangevuld met volgende reeksen en gepubliceerd in vier monumentale delen met meer dan 250 platen. Zij vormen de neerslag van zijn uitgebreid onderzoek, en zijn voornamelijk gewijd aan de beschrijving van Romeinse circussen en graftomben langsheen de Via Appia. Piranesi etaleerde nu volop zijn ongeëvenaarde kennis van de vormenrijkdom der Romeinse architectuur. Er blijkt onafhankelijk inzicht uit: hij verwijst in deel II naar De architectura, het standaardwerk van de Romeinse architect en militair Vitruvius (± 85 — 20 v. Chr.), maar zegt datPiranesi, de prentencollectie van de Universiteit Gent; pagina 33; tentoonstellingscatalogus, Museum voor Schone Kunsten, Gent, 2008, "men niet steeds moet vertrouwen op de regels van Vitruvius als een onveranderlijke wet; want als men de antieke monumenten observeert, dan vindt men er een grote variatie in verhoudingen en vormen".