thumb|Het Duitse Keizerrijk, zijn provincies en 25 Bondslanden Het Duitse Keizerrijk (Duits: Deutsches Kaiserreich) is de onofficiële benaming voor het Duitse Rijk in de periode tussen 18 januari 1871 en 9 november 1918, waarin het Rijk in staatkundig opzicht een semi-constitutionele monarchie was.
Naam Het Duitse Keizerrijk heette officieel Duitse Rijk (Duits: Deutsches Reich), een benaming die verwees naar het oude Heilige Roomse Rijk. Ook na de val van de monarchie bleef deze naam gehandhaafd, tot 1945. In de geschiedwetenschap scheidt men met de toevoeging keizerrijk de jaren van 1871 tot 1918 af van de latere republikeinse tijd.
In de (buiten de Duitstalige wereld) gebruikelijke terminologie van Arthur Moeller van den Brucks boek Das dritte Reich (1923) geldt het keizerrijk als Tweede Rijk. Hij noemde het Heilige Roomse Rijk het Eerste Rijk en verwachtte een Derde Rijk. Het nationaalsocialistisch regime maakte van deze laatste term officieel alleen gebruik in de vooroorlogse periode.
Geschiedenis Voorgeschiedenis Aan het Heilige Roomse Rijk, dat reeds eeuwen in verval was, kwam met de stichting van de Rijnbond en de troonsafstand van keizer Frans II in 1806 definitief een einde. Door de Franse Revolutie en de napoleontische oorlogen had echter het nationalisme in Europa opgang gemaakt en na de Franse tijd kwam er, vooral vanuit de steeds belangrijkere burgerij, een roep om een nieuwe staat waarin de Duitse inwoners van het voormalige rijk opnieuw verenigd waren. Volgens de aanhangers van de Groot-Duitse richting diende deze ook Oostenrijk te omvatten, volgens de aanhangers van de Klein-Duitse richting niet. Deze laatsten waren meest Pruisische nationalisten die Oostenrijk als belangrijkste Duitse staat door koninkrijk Pruisen wilden vervangen. Over het algemeen waren deze Pruisische nationalisten burgers die tot belangrijke posities opgeklommen waren; de oude Pruisische adel was over het algemeen conservatief gezind en gunde Oostenrijk nog steeds zijn aloude leidersrol in de Duitse landen. Een, naar later bleek, belangrijke uitzondering hierop was Otto von Bismarck die weliswaar van adel was maar in allereerste plaats een rasechte nationalist.
Na het Congres van Wenen (1815) waren er 39 Duitse staten, die zich verenigden in de Duitse Bond maar die een grote mate van zelfstandigheid behielden. Een poging om in het kielzog van de Maartrevolutie (1848/1849) een constitutioneel keizerrijk op liberale grondvesten te stichten mislukte toen Frederik Willem IV van Pruisen de hem door het Frankfurter Parlement aangeboden keizerskroon afwees door te verklaren dat hij de keizerskroon slechts uit handen van de Duitse vorsten wenste te ontvangen, zoals gebruikelijk tijdens het Heilige Roomse Rijk, en niet uit handen van een volksvertegenwoordiging.
Toen Otto von Bismarck in 1862 premier van Pruisen werd, begon hij een actieve politiek om de Klein-Duitse optie te verwezenlijken door stelselmatig Oostenrijkse invloed in de Duitse Bond af te breken en tegelijkertijd die van Pruisen te vergroten. Die macht was overigens al behoorlijk vergroot na de Napoleontische tijd. Pruisen bezat sinds die tijd met de Rijnprovincie een grote industriële basis in het Rijnland en gebruikte deze om zijn al aanzienlijke leger nog verder te moderniseren. Oostenrijk was op dit gebied weinig vernieuwend en liep snel een militaire achterstand op ten opzichte van Pruisen.
De Pruisisch-Oostenrijkse Oorlog (1866), die Oostenrijk dan ook verloor, resulteerde in een verdere vergroting van het Pruisisch overwicht in de Duitse landen door de annexatie van de staten Sleeswijk, Holstein, Hannover, Hessen-Kassel, Nassau en Frankfurt en de stichting van de Noord-Duitse Bond. De zuidelijke staten Baden, Beieren, Württemberg, Oostenrijk, Liechtenstein en het zuidelijke deel van Hessen-Darmstadt waren daarvan geen lid.
In de Frans-Duitse Oorlog (1870/1871) streden de Zuid-Duitse staten wel mee aan Pruisische zijde tegen Frankrijk. Bismarck greep deze kans aan om uiteindelijk een Klein-Duitse vereniging te bewerkstelligen.
thumb|left|250px|De proclamatie van Wilhelm I tot Duits keizer te Versailles op 18 januari 1871.Uiterst links op de verhoging (in het zwart) kroonprins Frederik Willem (de latere Frederik III), daarnaast zijn vader Wilhelm I en groothertog Frederik I van Baden, die als eerste een toost op keizer Wilhelm uitbracht. In het midden (met het witte uniform) Otto von Bismarck, direct rechts van hem Helmuth von Moltke. Schilderij door Anton von Werner (1843-1915)
De Reichsgründung Op 18 januari 1871 vond de Reichsgründung (de oprichting van het keizerrijk) plaats: in de Spiegelzaal van het Kasteel van Versailles werd Wilhelm I van Pruisen door de Duitse vorsten tot Duits keizer uitgeroepen. Niet alles was hierbij van een leien dakje verlopen: Wilhelm aanvaardde de keizerlijke waardigheid slechts met tegenzin en de Beierse koning Lodewijk II was slechts na omkoping tot toetreden bereid gebleken.
Dit Duitse Rijk bestond uit de staten van de Noord-Duitse Bond, aangevuld met Beieren, Württemberg, Baden en het andere deel van Hessen-Darmstadt. Het was niet, zoals men in 1848 had gewild, een liberale en volledig constitutionele monarchie, maar anti-liberaal en onvolledig constitutioneel. Ook was het rijk sterk militaristisch van aard. Het keizerrijk was een vorstenbond onder Pruisische leiding, maar waarbij de afzonderlijke staten op cultureel en bestuurlijk gebied een grote mate van soevereiniteit genoten. Aan het zelfbewuste Beieren waren concessies gedaan.
Politiek stelsel De Grondwet van het Duitse Keizerrijk uit 1871 benadrukte het monarchale en conservatieve karakter van de staat, waarbij er zo min mogelijk concessies aan de liberalen werden gedaan.
Staatshoofd, met de titel 'keizer', was de koning van Pruisen uit het huis Hohenzollern. Bij de oprichting van het keizerrijk was dit Wilhelm I. Deze had het recht de Rijksregering te benoemen en af te zetten, de Bondsraad - bestaande uit 58 afgevaardigden van de Duitse staten - en de Rijksdag - met 382 (sinds 1873: 397) leden - bijeen te roepen en heen te zenden, internationale verdragen te sluiten, te bepalen over oorlog en vrede en hij had het opperbevel over het leger. In de Zuid-Duitse staten voerden in vredestijd de plaatselijke monarchen echter het opperbevel.
Onder de keizer stond de rijkskanselier, die tevens voorzitter van de Bondsraad en vrijwel altijd ook premier van Pruisen was. Onder de rijkskanselier stonden de diverse Staatssekretäre (staatssecretarissen), de titel van de leider van een ministerie (toen Amt of Reichsamt genoemd) die het beleid uitvoerden. De Rijksdag, die door middel van algemeen kiesrecht voor mannen werd verkozen (in de Duitse staten gold veelal een kiesstelsel op basis van drie inkomensgroepen), werd aanvankelijk elke drie jaar gekozen, sinds 1888 elke vijf jaar. Deze volksvertegenwoordiging had slechts beperkte controlerende bevoegdheden over het erfelijke staatshoofd. Ook had de volksvertegenwoordiging weinig controlerende invloed op het beleid: dat werd vastgesteld door de kanselier, die alleen aan de keizer verantwoording schuldig was. Wel keurde de Rijksdag de voorgestelde begroting al of niet goed en stelde wetten voor. Daarover had de keizer in principe niets te zeggen, maar over het algemeen, door de vrijwel altijd conservatieve meerderheid in de Rijksdag en de Bondsraad, werden zijn wensen en die van de aristocratie meestal toch gehonoreerd. In de grondwet werd verder vastgelegd dat de keizer alle belangrijke staatszaken zelf kon beslissen als hij dat wilde. Keizer Wilhelm I maakte er geen gebruik van en bemoeide zich ook niet met rijkskanselier Bismarck en diens regering, zodat deze zijn politiek kon uitvoeren en zodoende zijn stempel op het land kon drukken. De kleinzoon van Wilhelm I, keizer Wilhelm II, die erom bekend stond steeds zijn eigen zin te willen doordrijven, maakte echter wel volop gebruik van zijn grondwettelijke rechten en toen Bismarck niet aan zijn wensen wilde voldoen kon hij Bismarck terzijde schuiven en vervangen door de onervaren Leo von Caprivi. In combinatie met het gebrek aan meer controlerende bevoegdheden van het parlement kon Wilhelm II daardoor zijn eigen wil opleggen aan de politiek.
Uit de aanzienlijke rechten voor de keizer bleek dat het rijk nog geen volledige constitutionele monarchie was (zoals al het geval was in Nederland en Engeland), waarbij de monarch meer in zijn macht wordt beperkt en gecontroleerd door de regering. Dit werd vooral duidelijk na 1888: tot dan werd de politiek nog gedomineerd door Bismarck, maar daarna meer en meer door Wilhelm II.
Zie ook de integrale tekst van de grondwet op Wikisource: Verfassung des Deutschen Reiches (1871) (Duits) Constitution of the German Empire (Engels)
thumb|right|Otto von Bismarck met op het hoofd een pickelhaube
De bismarckiaanse periode (1871-1890) Keizer Wilhelm I werd in feite gedomineerd door de krachtige persoonlijkheid van Bismarck en verzette zich zelden tegen diens beleid. Op zijn beurt was Bismarck, een conservatief edelman in hart en nieren, trouw aan zijn monarch en behandelde Wilhelm met groot respect. Zodoende had Bismarck de vrije hand om zijn beleid naar eigen inzicht uit te voeren.
Bismarck, een piëtistische protestant, trachtte ten eerste, met hulp van de liberalen, de culturele invloed van het katholicisme te beperken. Bismarck wantrouwde de parlementaire democratie en oppositiepartijen in het bijzonder. Daarnaast won de katholieke Deutsche Zentrumspartei aan invloed onder dissidenten in Polen. Bismarck wantrouwde de partij en hij vond dat de Katholieke Kerk te veel invloed uitoefende op de Duitsers van katholieken huize. Aan deze Kulturkampf, waarin verschillende antiklerikale maatregelen werden genomen zoals sluiting of onteigening van scholen en ziekenhuizen die door kloosterordes werden geleid en zelfs sluiting van kloosters, kwam een einde toen Bismarck de steun van de katholieken nodig had voor andere doelen en de in 1878 verkozen paus Leo XIII zich verzoenend opstelde.
Toen het voorheen agrarische Duitsland in snel tempo industrialiseerde, sloeg Bismarck een protectionistische richting in om de prille industrie te beschermen, die hem echter met de liberalen, die vrijhandel voorstonden, in conflict bracht.
Hij bestreed ook de socialisten fel, enerzijds door de onderdrukkende Socialistenwet van 1878, anderzijds door de sociale zekerheid te vergroten en hun aldus de wind uit de zeilen te nemen: in 1883 werd een ziekteverzekering ingevoerd, in 1884 een ongevallenverzekering en in 1889 een pensioenverzekering. Het Duitse Keizerrijk was daarmee het eerste land in Europa dat dergelijke sociale voorzieningen invoerde.
Bismarck poogde een snelle modernisering van het rijk te bewerkstelligen en, door middel van supraregionale wetten (die dus voor het hele Rijk golden), de enorme verschillen tussen de Duitse staten te verkleinen. Dit leidde in 1872 tot het nationaal invoeren van het metrieke stelsel en op 1 januari 1900 tot het Bürgerliches Gesetzbuch, dat heden ten dage nog steeds geldt.
Wat betreft de internationale politiek stuurde Bismarck niet aan op verdere uitbreiding van Duitsland. Hij trachtte het nieuwe machtsevenwicht te bewaren. Door verschillende bondgenootschappen lukte het hem erfvijand Frankrijk te isoleren. Na het Congres van Berlijn (1878), dat Duits-Russische spanningen tot gevolg had, sloot hij met Oostenrijk de Tweebond, die in 1882 door het toetreden van Italië tot Driebond werd. In 1887 kwam op Bismarcks aandringen het Herverzekeringsverdrag met Rusland tot stand, dat voor een periode van drie jaar wederzijdse neutraliteit in een eventuele Europese oorlog garandeerde.
De wilhelminische periode (1890-1918) left|miniatuur|Een theatraal poserende Wilhelm II op een portret van Max Koner