Als Oostgebieden van het Duitse Rijk, historisch oostelijk Duitsland of ook de voormalige Duitse gebieden in het oosten worden de gebieden ten oosten van de Oder-Neissegrens aangeduid, die op 31 december 1937 tot het territorium van Duitsland behoorden, en in 1945 na het einde van de Tweede Wereldoorlog door de Conferentie van Potsdam en voorafgaande geallieerde politieke overeenkomsten werden afgescheiden van Duitsland en sindsdien voor het overgrote deel tot Polen behoren. Alleen het noorden van voormalig Oost-Pruisen behoort nu tot Rusland en voorheen de Sovjet-Unie.
In ruimere zin wordt het begrip ook gebruikt voor de oostelijke territoria die op 1 januari 1914 tot het Duitse Keizerrijk behoorden en door het Verdrag van Versailles voor Duitsland verloren gingen en toen aan het nieuw opgerichte Polen toegewezen werden. Het begrip dient niet gebruikt te worden voor de uitgestrekte delen van Polen die geannexeerd werden door het Groot-Duitse Rijk van 1941 tot 1945, en evenmin voor het zogenaamde Sudetenland dat vanaf de 15de eeuw Oostenrijks, en sinds 1919 Tsjecho-Slowaaks was, en alleen van 1938 tot 1945 op grond van het Verdrag van München bij het Groot-Duitse Rijk behoorde. Hlučínsko was een klein deel van de Duitse provincie Silezië dat in 1920 aan Tsjecho-Slowakije werd toegewezen.
Na 1918 lang=en|thumb|500px|Afgestane Duitse gebieden na 1919 (geel en oranje) en 1945 (groen en paars) In ruimere betekenis wordt ook het (grotere) gebied tot de Oostgebieden van het Duitse Rijk gerekend, gebieden die op 1 augustus 1914 tot het Duitse Keizerrijk behoorden, bestaande uit de provincies Posen, het grootste deel van West-Pruisen, oostelijk Oost-Opper-Silezië en het Oostpruisische Memelland. Deze gebieden moesten na het einde van de Eerste Wereldoorlog in het kader van het Verdrag van Versailles door het Duitse Rijk (Weimarrepubliek) afgestaan worden ten behoeve van de Tweede Poolse Republiek, het nieuwe Tsjecho-Slowakije, deels met een tussenperiode onder gezag van Volkenbond (Memelland kwam op die wijze in 1923 bij Litouwen). Sommige delen van de desbetreffende, na de Eerste Wereldoorlog afgestane, gebieden, waaronder Posen en West-Pruisen, hadden tot de Poolse deling van 1795 bij het koninkrijk Polen behoord. De etnische samenstelling van deze laatstgenoemde gebieden verschilde per regio van overwegend etnisch Pools tot vrijwel geheel etnisch Duits, waarbij vooral de stedelijke gebieden Duitse, althans Duits- of tweetalige meerderheden kenden. De twee kaarten met Duitstaligen rsp. Poolstalige geven een etnische en niet een nationale categorie aan. Zij houden geen rekening met enkele miljoenen tweetaligen. Met name veel tweetaligen met een etnisch Poolse achtergrond hadden een Duitse nationale identificatie aangenomen en werden na 1945 ook als zodanig behandeld.
Verschuiving van Polen naar het westen thumb|300px|Verschuiving van Polen naar het westen in 1945 Volgens de besluiten van de geallieerden tijdens de Tweede Wereldoorlog, zouden de oostelijke delen van Duitsland na de oorlog ingelijfd mogen worden door de Sovjet-Unie en Polen. In een verdrag na de definitieve nederlaag van Duitsland zou in detail over het lot van deze gebieden beslist worden. Echter, omdat de Sovjet-Unie deze gebieden bezette, had het de facto de vrije hand om deze territoriale veranderingen naar eigen goeddunken te regisseren. Op de conferentie van Potsdam konden de andere geallieerden daarmee alleen maar stilzwijgend instemmen. De definitieve regeling werd op de conferentie vooruitgeschoven naar een definitief vredesverdrag, dat er overigens nooit is gekomen. Over de verdeling van de provincie Oost-Pruisen onder de Sovjet-Unie en Polen waren de geallieerden het al in een vroeg stadium, voor de conferentie van Potsdam, eens. De VS wilden echter het grootste deel van Pommeren en Silezië bij Duitsland laten. Engeland maakte alleen wat westelijk Silezië (Neder-Silezië) betreft ook voorbehoud en pleitte voor de Oder-Neisse als nieuwe grens. Daarbij was begripsverwarring over de loop van de rivier de Neisse als nieuwe grens. Twee rivieren droegen die naam en de oostelijke lag enkele honderden kilometers verder oostwaarts en zou overeenkomstig het Britse idee als nieuwe grens Neder-Silezië bij Duitsland laten. Vermoedelijk zou het intrekken van de Sovjetclaim op overbrenging van de industriële capaciteit van het Ruhrgebied naar de Sovjet-Unie, tot het besluit hebben geleid om de discussie verder te laten rusten en te accepteren dat gedane zaken hun keer niet zouden kunnen nemen. In 1947 was de kwestie van de agenda afgevoerd van de tussenconferenties die tot het vredesverdrag moesten voeren. De Koude Oorlog zou een eind maken aan deze conferenties. Duitsland bleef daarom spreken van 'Duitse provincies onder Pools bestuur' en pas in 1990 zou het zich, in ruil voor de hereniging, bij de feitelijke situatie neerleggen en de Poolse soevereiniteit over deze gebieden erkennen als onderdeel van het Verdrag inzake de afsluitende regeling met betrekking tot Duitsland. In de voorgeschiedenis heeft de Sovjet-Russische dictator Stalin een dubbelrol gespeeld omdat hij in 1939 in het zogenaamde Molotov-Ribbentroppact met Hitler eerst Polen had verdeeld en daarbij de oostelijke Poolse provincies had geannexeerd. In 1945 wilde hij deze internationaal nooit erkende buit behouden. Maar om het heropgerichte Polen niet tot een kleine randstaat te marginaliseren en van zich te vervreemden, gaf hij op Duitse kosten compensatie voor Polen in de annexatie van de Duitse oostelijke provincies. Bijkomend voordeel was de verkleining en strategische marginalisering van Duitsland, in het bijzonder door het verlies van het belangrijke Opper-Silezische industriegebied en de Oostzeekusten. De Duitse annexatiegebieden moesten 'schoon' opgeleverd worden want Polen zou anders met een enorme Duitse minderheid opgezadeld worden. De helft van de Duitse bevolking was inmiddels voor het Sovjetleger uit gevlucht. De andere helft werd nu geïnterneerd in afwachting van uitwijzing. De massale uitwijzingen zouden tot eind 1948 voortduren. De Polen in de oostelijke Poolse provincies werden tegelijkertijd voor de keus gesteld om het Sovjet-staatsburgerschap aan te nemen of te vertrekken. In dat laatste geval werd hun compensatie gegeven ten koste van de te verdrijven Duitsers in de westelijke annexaties. Veel van deze Polen vestigden zich daarop in de door de Duitsers verlaten nieuwe Poolse gebieden. Het gebied om Koningsbergen (Königsberg in noordelijk Oost-Pruisen) was in het voorjaar van 1945 al onmiddellijk geannexeerd door de Sovjet-Unie en werd nu herbevolkt door Russen. Het heette sindsdien Kaliningrad. Sedert het uiteenvallen van de Sovjet-Unie is dit gebied een geïsoleerde Russische exclave.
In het Poolse taalgebruik werden de van Duitsland geannexeerde gebieden na de Tweede Wereldoorlog gebruikelijk aangeduid met de naam "Herwonnen Westelijke en Noordelijke Gebieden" of gewoon "Herwonnen Gebieden". Dit refereert aan de status van sommige van deze gebieden - Pommeren en Silezië - als delen van het eerste Poolse koninkrijk van de 10e eeuw tot de 13e eeuw. In de nationalistische historiografie werden sommige gebieden aangeduid als recentelijk door Pruisen derhalve door Duitsland bezet, geannexeerd en geassimileerd. Hierbij werd verzwegen dat ze vóór die tijd dan weliswaar niet Pruisisch waren, maar wel al vanaf het begin van de 13de eeuw in het Duitse Rijk waren opgenomen, namelijk als hertogdom (Pommeren) of als provincie (Silezië) van het koninkrijk Bohemen, dat later opgenomen werd in het Habsburgse Rijk. De oorspronkelijke bewoners werden in het Pools-nationale geschiedenisbeeld aangeduid als Duitse kolonisten of immigranten die 'terug naar huis gestuurd' werden, wat hun gedwongen 'emigratie' na 1945 een schijn van legaliteit gaf. Dit manipulerende taalgebruik imiteerde de vooroorlogse nationalistische Duitse retoriek, die anderzijds het recht op grote delen van Polen, en hun annexatie in 1941, meende te kunnen rechtvaardigen door de argumentatie dat ze tot in de 6de eeuw, voordat de voorouders van de Polen kwamen, bewoond waren geweest door Germanen, zoals de roemruchte Vandalen en Goten.
Erkenning van de afscheiding Op de Conferentie van Potsdam, keurden de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk de Poolse annexatie van deze gebieden in principe goed, maar zonder een definitieve grens te bepalen. Die zou pas in een toekomstig vredesverdrag vastgelegd moeten worden. Wel werden op deze conferentie de aantallen Duitsers vastgesteld die verdreven mochten worden uit de onderhavige gebieden maar daarbij ging men ervan uit dat het alleen om de nog aanwezige bevolking zou gaan. Zo werd in het midden gelaten of de miljoenen die inmiddels op de vlucht waren geslagen, zich nog als rechthebbende konden beschouwen. In de praktijk werden zij als statenlozen (displaced persons) beschouwd. De geallieerde bezettingsautoriteiten droegen de Duitse ambtenaren onder hun gezag op om deze mensen te integreren in de Duitse samenleving. Polen besloot om alleen bewoners in de annexatiegebieden, die de Poolse taal voldoende machtig waren, de mogelijkheid te geven om in hun woonplaatsen te blijven en het Poolse staatsburgerschap aan te vragen. Dat waren er in principe één op de tien: een miljoen. Maar een deel was inmiddels al gevlucht; de achterblijvers kregen een nationale heropvoeding en in het geval van gepleegde nazistische collaboratie, eerst een veroordeling tot gevangenisstraf.
In de Bondsrepubliek vóór 1990 vormde de rechtsstatus van de Ostgebiete een groot deel van de zogenaamde Open Duitse Vragen. De Ostpolitik van de Bondsduitse overheid was tot het midden van jaren 1960 geconcentreerd op de niet erkenning van de rechtmatigheid van de verdrijving van de Duitse inwoners en de afscheiding van de Duitse Oostgebieden. Deze moesten nog steeds in een definitief vredesverdrag tussen de geallieerden en Duitsland vastgelegd worden. Men beriep zich nadrukkelijk zowel op de regels van het Internationaal Recht als op verschillende internationale verdragen (namelijk in het bijzonder de Vredesconferentie van Den Haag en het Atlantisch charter). De Neue Ostpolitik van de sociaaldemocratisch-liberale coalitie vanaf 1969 gaf opening voor een erkenning van de nieuwe grens.
Sinds 1970, erkende de Bondsrepubliek Duitsland met het Verdrag van Warschau feitelijk, hoewel niet formeel, de status van deze gebieden als Pools grondgebied. Nochtans was het de Bondsrepubliek, vanwege het tot 1990 geldende voorbehoud van de geallieerden voor kwesties, die Duitsland als geheel en de status van Berlijn betreft, niet eens toegestaan om de Oder-Neissegrens als de nieuwe Duits-Poolse grens internationaal te erkennen.
Voor het eerst in het kielzog van de Duitse Hereniging, werd de afscheiding van de Oostgebieden van Duitsland in 1990 door de Bondsrepubliek formeel erkend en de Oder-Neissegrens vastgelegd als de grens tussen Polen en Duitsland. De DDR had al in 1950 met de ondertekening van een “Vriendschappelijk Verdrag” met Polen (Verdrag van Görlitz) de Oder-Neissegrens als een zogenaamde “Vredesgrens” erkend, uiteraard onder druk van de Sovjet-Unie. De DDR had namelijk nog wel korte tijd een machteloos voorbehoud gemaakt tegen de annexatie van de belangrijke havenstad Stettin door Polen, formeel omdat ze ten westen van de Oder ligt, en materieel omdat ze voor Berlijn als zeehaven fungeerde.
Oppervlakte van de Oostgebieden thumb|350px|Duitse territoriale verliezen na 1945 ten opzichte van gebied op 1 januari 1937. De Oostgebieden (op een enkele uitzondering na) omvatten bijna alleen voormalige Pruisische provincies: Oost-Pruisen: 36.966 km² Silezië (zonder een klein, tegenwoordig tot Saksen behorend, en ten westen van de Neisse gelegen deel van Neder-Silezië): 34.529 km² Oostelijk Pommeren (Achter-Pommeren) en een klein deel van Voor-Pommeren met de havenstad Stettin: 31.301 km²