De Universiteit Maastricht (afgekort: UM) is een van de jongste universiteiten van Nederland, gevestigd in Maastricht. De universiteit werd in 1976 opgericht onder de naam Rijksuniversiteit Limburg en werd omgedoopt tot Universiteit Maastricht in 1996. Sinds 2008 wordt Maastricht University als internationale naam gebruikt. De UM heeft in haar korte bestaan een solide reputatie opgebouwd en wordt thans tot de beste jonge universiteiten ter wereld gerekend.Zie artikelen 'Maastricht University in top 10 young universities worldwide' en 'UM In The Top 10 Of Prestigious THE 100 Under 50 Ranking' op maastrichtuniversity.nl.

De UM is de meest internationale universiteit van Nederland en profileert zich sinds 2021 als "de Europese universiteit van Nederland". The European university of the Netherlands. A caring and sustainable university. Strategic programme 2022-2026, p. 25. In 2024 studeerden er ruim 23.000 studenten, van wie 61% afkomstig uit het buitenland. De studentenpopulatie bestreek 134 nationaliteiten. De universiteit telde in 2024 ongeveer 4.600 medewerkers. Circa 49% van de wetenschappelijke staf kwam uit het buitenland. Het onderwijs aan de universiteit is grotendeels Engelstalig.'Meest internationale universiteit van Nederland - Fast facts' op maastrichtuniversity.nl.

Naast de reguliere opleidingen kent de UM een tweetal liberal arts colleges (University College Maastricht en University College Venlo) en het Maastricht Science Programme, in dezelfde interdisciplinaire, liberal arts-traditie.

Geschiedenis Voorgeschiedenis: (semi-)academisch onderwijs in Maastricht Jezuïetencollege en illustere school Van 1575 tot 1639 en van 1673 tot 1773 bestierden de jezuïeten in Maastricht zowel de Latijnse Stadsschool als het eigen Jezuïetencollege. Dit laatste bereidde studenten voor op wetenschappelijk onderwijs (onder andere Latijn, Grieks en retorica), hoewel men voor vervolgstudies altijd naar elders moest uitwijken (Leuven, Keulen). Beide scholen waren gevestigd op het uitgestrekte kloosterterrein van de jezuïeten tussen de Bredestraat en Achter het Vleeshuis. De opheffing van de orde door de paus in 1773 betekende het einde van het Maastrichtse college.Ubachs/Evers (2005), pp. 255-256: 'jezuïetencollege'; Ubachs/Evers (2006), p. 153.

In 1682 werd in Maastricht een illustere school (Atheneum Illustre) gevestigd, waarmee de stad een van de laatste grotere steden in de Republiek der Verenigde Nederlanden was dat een dergelijk instituut voor hoger onderwijs kreeg toegewezen. De reden daarvoor was dat de financiering van de school in het tweeherige Maastricht problematischer was dan elders. Het Atheneum Illustre was vooral bedoeld als protestantse tegenhanger van het Jezuïetencollege. De school deelde een pand in de Sint-Jacobstraat met de Gereformeerde Latijnse Stadsschool. Oraties vonden plaats in de Sint-Janskerk. De school telde aanvankelijk drie studierichtingen en evenveel hoogleraren: theologie, filosofie en Grieks (gecombineerd met retorica). De Franse predikant Jaques du Rondel was de eerste regent. In 1764 werd een vierde hoogleraar aangesteld in de aardrijkskunde en sterrenkunde; in 1779 een vijfde in de oosterse talen. Daarnaast was er een ereprofessoraat voor anatomie en geneeskunde, gecombineerd met de functie van militair arts van het garnizoen. De Leidenaar Adrien Pelerin werd in 1736 de eerste hoogleraar geneeskunde.Harry Hillen, 'Adrien Pelerin (1698-1771), de eerste hoogleraar geneeskunde in Maastricht'. In: Royen (2011), pp. 91-107.

In tegenstelling tot vergelijkbare instituten in steden als Utrecht, Harderwijk en Nijmegen verkreeg de Maastrichtse school nooit het ius promovendi (promotierecht) en kon dus niet uitgroeien tot een volwaardige universitaire instelling. Na de komst van de Fransen (en de verwoesting van het gebouw tijdens het voorafgaande beleg van 1794) hield de school op te bestaan. De opleiding had op dat moment slechts tien tot twaalf studenten.Ubachs/Evers (2005), p. 243: 'Illustre School'; Ubachs/Evers (2006), p. 133.

École centrale en collegium maximum thumb|École centrale, van 1800-1802 gevestigd in het Dominicanenklooster In 1797 ging in het door Frankrijk geannexeerde Maastricht de École centrale du Département de la Meuse-Inférieure van start. Een was een para-universitair opleidingsinstituut, dat tijdens de Eerste Franse Republiek werd opgericht in alle 95 Franse departementshoofdsteden. De Maastrichtse école centrale was de enige in het gebied van het huidige Nederland. De school bestond slechts vijf jaar en was aanvankelijk gevestigd in het door de overheid genaaste Tweede Minderbroedersklooster op de Minderbroedersberg, vanaf 1800 in het voormalige, deels verbouwde Dominicanenklooster aan de Helmstraat. Een van de acht hoogleraren was Jan Pieter Minckelers (natuur- en scheikunde). In 1802 sloot de École centrale, twee jaar later opgevolgd door een , in feite een gewone middelbare school.Ubachs/Evers (2005), pp. 159-160: 'École Centrale' en 'École Secondaire'; Ubachs/Evers (2006), p. 180.

Van 1852 tot 1967 was aan het klooster van de heropgerichte jezuïetenorde een zogenaamd collegium maximum of theologische faculteit verbonden. Vanaf 1934 bezat deze het pauselijk promotierecht. Vanaf 1940 was de faculteit gevestigd in het Canisianum aan de Tongersestraat, het gebouw van de huidige Economische Faculteit. Grote bekendheid genoot de bibliotheek van het Canisianum met meer dan een kwart miljoen banden, vooral op het gebied van de geesteswetenschappen. Na opheffing van de faculteit viel de bibliotheek uiteen. Een deel van de collectie, zo'n 135.000 merendeels oudere werken, ging vanaf 1971 deel uitmaken van de universiteitsbibliotheek van de in oprichting zijnde UM. De kostbaarste handschriften, sommige uit de vijftiende eeuw, gingen aanvankelijk naar het Berchmanianum in Nijmegen, maar kwamen uiteindelijk toch in de Universiteitsbibliotheek Maastricht terecht.Ubachs/Evers (2005), p. 128: 'collegium maximum'; pp. 492-493: 'Sociëteit van Jezus, bibliotheek'.

Rijksuniversiteit Limburg (1976-1996) Voorbereidingen: Achtste Medische Faculteit en SWOL Gedurende de twintigste eeuw heeft men vanuit Maastricht herhaaldelijk gepoogd wetenschappelijk onderwijs naar de stad te halen. In 1911 al, toen er sprake was van de oprichting van een katholieke universiteit in Nederland, stelde Maastricht zich kandidaat, maar de keuze viel in 1923 op het meer centraal in katholiek Nederland gelegen Nijmegen. In 1947 werden pogingen gedaan een technische hogeschool in Zuid-Limburg te vestigen, maar deze ging naar Eindhoven. De in de Verenigde Staten werkzame, Maastrichtse Nobelprijswinnaar Peter Debye werd ingeschakeld om een dépendance van een gerenommeerde Amerikaanse universiteit naar Maastricht te halen, maar ook dat mislukte. Ook bestonden er plannen voor een Belgisch-Nederlandse universiteit, bedoeld voor studenten uit Belgisch en Nederlands Limburg.Pieter Caljé, 'Maastricht en zijn universiteit. Interacties tussen universiteit, stad en regio'. In: Royen (2011), pp. 234-235.

Vanaf 1951 werd ingespeeld op het voornemen van de Nederlandse overheid om een achtste medische faculteit op te richten. Toen deze plannen in 1965 concreter werden, richtte men in Maastricht de Stichting Wetenschappelijk Onderwijs Limburg (SWOL) op. Een van de stuwende krachten achter de SWOL was de Maastrichtenaar Sjeng Tans, van 1965 tot 1969 partijvoorzitter van de Partij van de Arbeid. In 1969 viel de beslissing om "de achtste" in Maastricht te vestigen. Een belangrijke beweegreden voor het kabinet-De Jong was de wens van het parlement om de door de mijnsluitingen zwaar getroffen provincie Limburg nieuwe kansen te bieden. De aankondiging van het nieuws in de Troonrede van 1969 ontketende in Maastricht en Limburg een ongekende golf van enthousiasme: vlaggen gingen in top, kerkklokken luidden en mensen gingen de straat op om feest te vieren., 'De actie tot vestiging van een universiteit in Limburg 1957-1970'. In: Stouthart/Jenniskens (1985), p. 251.

Stichting, aarzelend begin en stormachtige groei

Na een korte periode van voorbereiding startte in september 1974, ruim een jaar vóór de officiële oprichting, het onderwijs aan de medische faculteit met een vijftigtal studenten, die om juridische redenen − de universiteit was nog in oprichting − 'cursisten' werden genoemd. Huisvesting werd gevonden in het enkele jaren eerder leeggekomen, uit de late jaren 1930 daterende Canisianum, het klooster en theologische faculteit van de jezuïeten aan de Tongersestraat.Ubachs/Evers (2005), pp. 539-540: 'Universiteit Maastricht'.

Met de ondertekening van de oprichtingsoorkonde tijdens een plechtigheid in de Sint-Servaaskerk, verrichtte koningin Juliana op 9 januari 1976 de openingshandeling en was de Rijksuniversiteit Limburg (RL of RUL) een feit. Drie leden van de oprichtingscommissie vormden het college van bestuur van de nieuwe, door het rijk bekostigde universiteit: Sjeng Tans werd de eerste voorzitter, DSM-kopstuk Ton Rottier werd vicevoorzitter en Harmen Tiddens werd de eerste rector magnificus., 'De Rijksuniversiteit Limburg en haar betekenis voor stad en streek'. In: Stouthart/Jenniskens (1985) p. 255. Als medeoprichter van de universiteit wordt Tans jaarlijks geëerd met de Tanslezing en de uitreiking van de Tanspenning voor belangrijke verdiensten voor de UM.

Na de oprichting van de medische faculteit in 1974, werd al snel duidelijk dat de jonge universiteit door de economische crisis van de jaren 1970 op minder geld kon rekenen dan aanvankelijk gedacht. Dit remde in de beginjaren de ontwikkeling tot volwaardige universiteit. De universiteit kende aanvankelijk slechts twee faculteiten; naast de faculteit Geneeskunde moest de Algemene Faculteit een soort broedplaats voor nieuwe ontwikkelingen worden. In juni 1979 ontvingen de eerste 43 studenten hun doctoraalbul. In 1980 ging de voor Nederland nieuwe opleiding Sociale Gezondheidkunde van start. Hieruit zou later de faculteit der Gezondheidswetenschappen ontstaan. Omdat het aantal studenten aan deze relatief dure opleidingen beperkt bleef, stagneerde de groei. In de jaren 1980 werd daarom ingezet op goedkopere, populaire studierichtingen die grote aantallen studenten zouden trekken. Deze ontwikkeling werd gesteund door de Tweede Kamer, die op 21 december 1978 een motie had aangenomen waarin de minister werd opgedragen ervoor te zorgen dat de RL in 1990 een volwaardige universiteit met 6000 studenten zou zijn.Offermans (1985), op.cit., pp. 260-266.

thumb|165px|left|Hal Rechtenfaculteit