De hazelworm (Anguis fragilis) is een pootloze hagedis uit de familie hazelwormen (Anguidae). – Anguis frailis
De hazelworm heeft een grote verspreiding binnen Europa en is daar een van de meest voorkomende reptielen. (2009) Ook in België en Nederland komt deze hagedis voor. De hazelworm is een bodembewoner die een verborgen leven leidt tussen de bladeren en takken in de strooisellaag. Hij eet kleine ongewervelden, voornamelijk regenwormen en naaktslakken.
De hazelworm is doorgaans bruin van kleur en kan een lengte van ongeveer 45 centimeter bereiken. Jongere dieren zijn lichter van kleur en hebben donkere lengtestrepen, oudere exemplaren zijn soms gevlekt. Net als andere soorten uit de familie hazelwormen lijkt de hazelworm oppervlakkig meer op een slang dan op een typische hagedis. Het lichaam draagt geen poten en is langwerpig en cilindrisch van vorm. Door de gewoonte vaak de tong uit te steken wordt de gelijkenis met een slang nog eens versterkt. Belangrijke verschillen tussen een hazelworm en een slang zijn de relatief stijve voortbeweging, de tong die niet sterk gevorkt is, en de beweegbare oogleden van de hazelworm. Net als andere Europese hagedissen is de hazelworm volkomen ongevaarlijk en bovendien erg schuw: bij verstoring vlucht het dier snel weg.
De hazelworm is eierlevendbarend, de jongen komen in een dun vliesje ter wereld maar gaan direct hun eigen weg. De hagedis kan in vergelijking met andere reptielen erg oud worden maar heeft ook veel vijanden. Dieren die op de hazelworm jagen zijn onder andere vogels, zoogdieren en andere reptielen.
Naamgeving en taxonomie thumb|left|De zuidelijke alligatorhagedis (Elgaria multicarinata) is sterk verwant aan de hazelworm maar heeft duidelijke poten De Nederlandstalige naam hazelworm verwijst vermoedelijk naar de hazelbruine kleur van het dier. Het voorvoegsel hazel- is een oudere naam van de hazelaar die in meerdere samenstellingen voorkomt: hazelhoen, hazelmuis, hazelwortel en hazelaarde (humeuze rode kleigrond). Van Lier suggereerde dat het mogelijk erop terug te voeren was dat ze vaak onder hazelaars gevonden werden. De twijfel die hij hierover verwoordde is bij latere auteurs niet meer terug te vinden. Het achtervoegsel -worm in 'Hazelworm' en het synoniem hartsworm stuitte onder vroeg-negentiende-eeuwse geleerden op bezwaren omdat gedacht werd dat het dier tot de slangen behoorde. Zij gaven daarom de voorkeur aan de naam blindslang (vanwege de kleine ogen).
De wetenschappelijke naam van de hazelworm, Anguis fragilis, werd in 1758 gepubliceerd door Carl Linnaeus. (1758). Systema naturae ed. 10: 229. Gearchiveerd op 2 juli 2023. Linnaeus vermeldde daarbij dat Ulisse Aldrovandi de soort in 1640 noemde als "Caecilia vulgaris", (1640). Serpentum et draconum historiae: 245 en verwees verder naar zijn eigen Fauna svecica van 1746, waar referenties naar zes andere auteurs te vinden zijn, die de soort eerder beschreven of een naam gaven. (1746). Fauna svecica: 96, n° 258 De soort heeft een vrij groot verspreidingsgebied in Europa, en is als gevolg daarvan nog door enkele andere auteurs opnieuw benoemd: Anguis orvet , 1789 en Anguis gamma , 1825 zijn daar voorbeelden van. In vergelijking met andere algemeen voorkomende reptielen zijn er weinig synoniemen en is de literatuur zeer eenduidig over de naam van de hazelworm. Enkele taxa die in het verleden wel als ondersoorten van de hazelworm werden beschouwd, hebben tegenwoordig de status van soort. Het gaat om Anguis cephallonica , 1894, van de Peloponnesos, Anguis colchica (, 1840), uit het oosten van Europa en aangrenzend Azië, Anguis graeca , 1881, uit Albanië en Griekenland, en Anguis veronensis , 1818, uit Italië en het aangrenzend deel van Frankrijk.
De wetenschappelijke naam Anguis fragilis betekent vrij vertaald breekbare slang (uit het Latijn: fragilis, broos).
De hazelworm behoort tot de familie van de hazelwormen of pootloze hagedissen (Anguidae), een familie die ongeveer tachtig soorten telt. De meeste vertegenwoordigers komen voor in Noord-, Midden- en Zuid-Amerika. Een aantal soorten komt voor in Azië en naast de soorten van het geslacht Anguis komt slechts een andere soort voor in Europa.
Hazelwormen zijn bodembewonend. Net als slangen, die afstammen van een oude groep van hagedissen, hebben ze een langwerpig lichaam en bewegen ze zich voort op de buik. Dit is te danken aan de terrestrische en deels gravende levenswijze waardoor de poten nutteloos werden en verloren zijn gegaan. Hazelwormen en slangen vormen een voorbeeld van convergente evolutie.
Uiterlijke kenmerken thumb|De hazelworm moet zijn bek openen om de tong uit te steken thumb|Mannetjes hebben blauwe vlekjes op de rug De hazelworm heeft een langwerpig lichaam en een bruine kleur, poten ontbreken en daarom wordt de hagedis vaak verward met een slang.
Kop Anders dan bij veel hagedissen is de kop nauwelijks te onderscheiden van het lichaam. De ogen zijn relatief klein, maar vallen duidelijk op doordat ze een geelrode tot dieprode kleur hebben; de bek is duidelijk hagedisachtig. De hazelworm gebruikt de tong om geuren op te pikken die vervolgens worden uitgelezen door het orgaan van Jacobson, een vomeronasaal orgaan in het gehemelte van de bek. Dit zogenaamde tongelen doet denken aan slangen, maar er zijn ook veel hagedissen die op een dergelijke manier de lucht 'proeven'. De hazelworm heeft in tegenstelling tot slangen geen opening aan de voorzijde van de bek en moet telkens als de tong wordt uitgestoken de bek een stukje openen. De tong is niet zo sterk gevorkt als bij slangen maar heeft een verbreed uiteinde dat voorzien is van een duidelijke inkeping.
De hazelworm heeft relatief grote en lange tanden die echter moeilijk te zien zijn bij een levend exemplaar. Het gebit is gericht op het eten van slakken en wormen; zie ook de paragraaf Voedsel. Een bijzonderheid is de aanwezigheid van een externe gehooropening bij hazelwormen in het oostelijke deel van het verspreidingsgebied die bij exemplaren in het westen ontbreekt.
Lichaam De hazelworm wordt ongeveer 35 tot 45 centimeter lang; soms wordt een lengte van 50 cm bereikt. (2007) Meer dan de helft tot twee derde van het lichaam bestaat uit de relatief lange staart. De grens tussen het lichaam en de staart is aan de bovenzijde moeilijk te zien maar is aan de onderzijde juist makkelijk te bepalen aan de hand van de positie van de cloacale opening. De staartpunt van de hazelworm is opvallend stomp. De hazelworm heeft een glanzend lichaam, door de relatief kleine schubben. Vooral de juvenielen glanzen sterk; de volwassen dieren doen enigszins metaalachtig aan. Onder de schubben zijn kleine beenplaatjes of osteodermen aanwezig die ter bescherming dienen en de hagedis een enigszins stijf voorkomen geven.
De hazelworm heeft meestal een bruine kleur die vergelijkbaar is met de schil van de hazelnoot; de buikzijde is bij volwassen exemplaren lichter. De bovenzijde is bruin tot grijs met op de rug meestal enkele dunne donkere strepen van de nek tot de staart, meestal duidelijker zichtbaar bij de vrouwtjes, en soms bestaand uit rijen zeer kleine vlekjes. De flanken zijn bij de vrouwtjes vaak donkerder. Binnen het enorme verspreidingsgebied zijn de kleuren variabel; sommige exemplaren zijn roestbruin, geel of zelfs zwart. In de paartijd krijgen vooral de mannetjes blauwe vlekken op de rug maar ook bij vrouwtjes kan dit voorkomen. Het belangrijkste verschil tussen mannetjes en vrouwtjes zijn de donkere flankstrepen van de vrouwtjes, die bij mannetjes ontbreken. Daarnaast hebben de mannetjes een bredere en grotere kop. Mannetjes zijn ook variabeler van kleur en kunnen roodbruin, koperbruin of grijs zijn.
Juvenielen De juvenielen hebben een afwijkende kleur, maar zijn verder miniatuurversies van de volwassen dieren. Ze zijn ongeveer zeven tot tien centimeter lang en doen denken aan een regenworm. Na twee jaar zijn ze meer dan twintig centimeter lang. Juveniele dieren zijn helder geelbruin tot zilverachtig gekleurd en hebben een donkere vlek achter de kop die in een donkere dorsale streep doorloopt tot de staartpunt. De flanken van jonge exemplaren zijn zeer donkerbruin, de buik is zwart. Na enkele jaren krijgen ze dezelfde kleuren als de volwassen dieren, waarbij de zwarte buik steeds lichter wordt en de goudgele rug donkerder.
Onderscheid met andere soorten thumb|Anguis cephallonica werd lange tijd als ondersoort beschouwd en lijkt sprekend op de hazelworm De hazelworm is voornamelijk moeilijk te onderscheiden van de andere soorten uit het geslacht Anguis. Die werden lange tijd beschouwd als ondersoorten van de hazelworm. Deze soorten zijn genetisch verschillend genoeg om ze als zodanig te onderscheiden. De soorten zijn uiterlijk echter nauwelijks uit elkaar te houden. Ze hebben echter allemaal een kleiner verspreidingsgebied dan de hazelworm.
De hazelworm vertoont daarnaast uiterlijk sterke overeenkomsten met de scheltopusik (Pseudopus apodus), de enige andere soort uit de familie hazelwormen die in Europa voorkomt. De scheltopusik kan echter tot 1,4 meter lang worden en is daarnaast duidelijk te herkennen aan de schubben die als ringvormige banden over het lichaam liggen. In Europa lijken ook sommige skinken van enige afstand op de hazelworm, zoals de hazelskink (Chalcides chalcides). Deze soort heeft echter vier zeer kleine pootjes die van dichtbij goed te zien zijn.
Omdat de hazelworm op een slang lijkt, worden hazelwormen met zekere regelmaat dood getrapt door mensen die vrezen met een gevaarlijke slang te maken te hebben. Toch zijn er enkele kenmerken die ook vanaf een veilige afstand laten zien dat het om een onschuldige hagedis gaat. Het belangrijkste verschil is de bek die geen opening aan de voorzijde heeft, slangen kunnen hierdoor met een gesloten bek hun tong uitsteken. De hazelworm echter moet steeds zijn bek openen wat duidelijk te zien is. Een ander verschil met slangen is de aanwezigheid van oogleden, die bij slangen altijd ontbreken. De kop van slangen is daarnaast vaak driehoekig van vorm en anders dan bij de hazelworm duidelijk afgetekend van het lichaam. Slangen zijn daarnaast veel leniger dan de hazelworm, zeker de West-Europese soorten. Een ander duidelijk onderscheid, dat echter alleen waarneembaar is als de dieren op de rug gedraaid worden, zijn de buikschubben. Slangen hebben altijd een enkele rij brede, stugge schubben aan de buikzijde, bij de hazelworm (en alle andere hagedissen) heeft de buikzijde meerdere rijen schubben. Buiten Europa komen ook wormslangen (Typhlopidae) voor die niet altijd de voornoemde typische slangenkenmerken hebben maar juist meer op hazelwormen lijken.
Verspreiding en habitat thumb|Verspreiding binnen Europa in het rood De hazelworm komt voor in delen van westelijk, zuidelijk en centraal- Europa, uitgezonderd Ierland en noordelijk Scandinavië. Het verspreidingsgebied omvat de volgende landen: Albanië, Andorra, Azerbeidzjan, België, Bosnië, Bulgarije, Duitsland, Estland, Frankrijk, Georgië, Griekenland, Hongarije, Kroatië, Italië, Liechtenstein, Moldavië, Montenegro, Nederland, Noord-Macedonië, Noorwegen, Oekraïne, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Rusland (alleen de enclave Oblast Kaliningrad en uiterst zuidelijk Dagestan), Servië, Slovenië, Spanje, Tsjechië, Turkije, Zweden en Zwitserland. (2014)
Van de hazelworm waren tot 2010 verschillende ondersoorten bekend die voorkwamen in andere landen, zoals Tunesië, Iran en delen van Rusland. Omdat deze ondersoorten tegenwoordig als aparte soorten worden beschouwd, komt de hazelworm de facto hier niet meer voor.