thumb|Bos in de winter thumb|Lente in de Wkrzanska Wildernis, Police, Polen thumb|Bos in de Eifel, Duitsland thumb|Beukenbos (Zoniënwoud, Brussel) thumb|Bospad in de herfst Een bos is een begroeiing - een aanplant of een formatie - met bomen die een dominante boomlaag vormen.

Vegetatielagen Afhankelijk van de overheersende groeivormen en de afmetingen van de plantengroei, zijn, van beneden naar boven, de volgende vegetatielagen te onderscheiden: de moslaag, kruidlaag, struiklaag en de altijd aanwezige boomlaag (of boomlagen). Niet alle lagen zijn altijd, of even sterk aanwezig in de begroeiing. Er kan een ondergroei aanwezig zijn van mossen, kruiden en struiken, en de bodem kan rijk zijn aan schimmels. Ook kunnen de stammen, takken en bladeren als substraat dienen voor epifytische planten, korstmossen en andere schimmels.

Definities van het begrip bos Er bestaan veel definities van wat een bos is, omdat er in de wereld vele bostypen bestaan, en omdat de mens uitdrukking wil geven aan tal van verschillende gebruiksmogelijkheden van het bos. Elementen uit de definities zijn abundantie, boomhoogte, minimumoppervlak (bijv. 0,5 ha) en de bedekking van de lucht door de gezamenlijke boomkruinen (in verschillende definities uiteenlopend van minimaal 10% tot minimaal 60%).Convention on Biological Diversity. Gearchiveerd op 12 december 2022.Website Museum Illinois: Introduction - Definition of a Forest geraadpleegd op 10 oktober 2020. Gearchiveerd op 20 oktober 2020.

Natuurlijk bos In de natuurlijke Europese bossen kwamen oorspronkelijk grote grazers zoals wisent, oeros, tarpan, edelhert en eland voor, die terreinen open hielden, totdat er struwelen met stekelige of doornige struiken als meidoorn, sleedoorn, rozen en braam opkwamen. Dieren als gaaien of eekhoorns zorgen voor verspreiding van zaden en vruchten (zoals eikels) door aan de randen van bossen deze als wintervoer te verstoppen. De achtergebleven vruchten en zaden konden kiemen en het begin vormen van nieuw bomen.

Bosbeheer Modern bosbeheer betekent vaak de omvorming van productiebos tot meer natuurlijk - niet gestoord of weinig door de mens beïnvloed - gemengd bos met inheemse loofbomen.

Soorten bossen Per klimaat of vegetatiezone in de bergen worden bossen ruwweg in drie types onderverdeeld: naaldbossen, loofbossen en tropische bossen. Er bestaan ook gemengde bossen waar naaldbomen en loofbomen door elkaar heen staan. Naaldbossen komen voor in de gematigde gebieden waar het 's winters koud is en de bodem minder voedzaam is: op zandgronden, op voedselarme gronden en hogere berghellingen tot aan de boomgrens. Naaldbomen hebben geen vlakke, maar naaldvormige bladeren. Vaak zijn in dezelfde koude klimaatzones ook veel berkenbossen. Berken zijn loofbomen die zeer goed bestand zijn tegen kou en arme grond. Loofbossen komen ook in de gematigde gebieden voor, waar het minder koud is en op lagere berghellingen. In de herfst verliezen ze hun bladeren. Mediterrane bossen komen in de subtropen voor en zijn bestand tegen extreme droogte en hitte, maar ook tegen gematigde temperaturen en grote neerslaghoeveelheden. Tropische bossen vindt men in de tropische gebieden. De bomen hebben net als loofbossen vlakke bladeren. Er zijn boomsoorten waarvan de bladeren het hele jaar aan de boom blijven zitten, maar andere laten bij het begin van de droge tijd hun bladeren vallen. De bladen die het hele jaar door aan de boom blijven hangen, zijn meestal dik en giftig als bescherming tegen insectenvraat. Alle plantmaterie die op de grond valt, verteert snel en de vrijgekomen voedingsstoffen worden door de planten snel opgenomen. Door het snelle verteringsproces wordt er geen humus opgebouwd en blijft de grond arm aan voedingsstoffen. De planten concurreren om licht en om voedingsstoffen. Er zijn veel plantstrategieën, zoals "wurgplanten" die rond de boomstam van boven naar beneden groeien en uiteindelijk de boom wurgen en zijn plaats innemen. In een tropisch bos zijn de bomen met elkaar verbonden via lianen die vanaf de grond om een boomstam heen naar boven groeien en vervolgens vanaf bovenaf naar andere bomen.

Er is een onderscheid tussen natuurlijke bossen en productiebossen. Een ander onderscheid is op basis van het milieu waarop ze voorkomen zoals moerasbossen op veengronden (elzenbroekbossen) en de ooibossen bossen langs rivieren.

Functie van bossen thumb|Hakhoutbos met wilde hyacint, daslook en hazelaar

Flora en vegetatie Bosflora

Naaldbossen zijn vaak armer aan plantensoorten dan loofbossen, omdat ze gewoonlijk zijn aangeplant op arme grond, omdat de bomen dicht op elkaar staan, waardoor er, met uitzondering van larixbossen in de winter, weinig licht door de boomkruinen op de grond terechtkomt. Kruiden komen dan vaak niet tot volle wasdom. En op de grond onder het vrij dikke naaldenpakket kan geen humusrijke bodem ontstaan. De zure grond die zo ontstaat is voor veel planten niet geschikt om te kunnen groeien. Wel komen er in naaldbossen verschillende soorten mossen en korstmossen voor, zoals bekertjesmos en rendiermos.

Loofbossen zijn vaak rijk aan diverse kruiden en struiken, omdat er tussen de kruinen van de bomen vrij veel licht op de grond valt, waar planten zich goed kunnen ontwikkelen. Een uitzondering vormt het beukenbos, waar ook weinig licht op de bodem terechtkomt, en doordat de afgevallen bladeren maar langzaam verteren en weinig kruiden en mossen toelaten op de bodem.

Vegetatielagen In min of meer natuurlijke bossen kunnen vaak meerdere vegetatielagen worden onderscheiden. Deze indeling is relevant omdat veel organismen zich bij voorkeur in een van die lagen ophouden. Boven de strooisellaag (geen echte vegetatielaag) kunnen zich bevinden: Moslaag (bodemmossen en zeer lage planten; naast de mossen op stammen en takken) Kruidlaag, eventueel onderscheiden in een lage en een hoge kruidlaag Struiklaag, eventueel een lage en een hoge struiklaag; zelden aangeplant Boomlaag, eventueel een lage en een hoge boomlaag; deze vegetatielaag kan ook aangeplant zijn

Dierenleven In het bos komt een rijk insectenleven voor, afhankelijk van het vegetatietype. Insecten zijn actief in de bodem, maar ook op en in de kruidlaag, struiklaag en de bomen zelf. Voor veel vogels vormen ze een voedselbron.

Vooral in loofbossen komen veel vogelsoorten voor, zoals de gekraagde roodstaart, verschillende spechtensoorten, mezen als koolmees en pimpelmees, merel, tjiftjaf, roodborst, goudhaantje. In het overgangsgebied van bos naar akker of naar grasland komen vogels voor als bosuil, buizerd, havik, boomvalk en torenvalk.

Dieren vinden in een bos beschutting, nestgelegenheid en voedsel. Kenmerkende zoogdieren van het bos zijn de egel, mol, eekhoorn, bosspitsmuis, konijn, de hermelijn, wezel, soms boommarter, haas, ree en vos. In de oudere bossen komen verschillende soorten vleermuizen voor.

Bossen als zuurstofleverancier Bomen maken door de aanwezigheid van groene planten en algen zuurstof vrij als hij koolzuur gebruikt om koolstof te binden voor zijn groei en ontwikkeling of als reservestof.

Bomen kunnen, als ze doodgaan, ter plaatse door reducenten wegrotten of verbrand worden. Bij het verbranden en wegrotten wordt even veel zuurstof verbruikt als bij de groei is afgegeven.

Bomen kunnen gekapt worden voor bouwhout, brandhout of papier. Zolang het hout intact blijft is er een nettoverschil op de zuurstofbalans, dat wil zeggen zolang het bouwhout blijft bestaan of als de boom of vegetatie fossiliseert tot veen, bruin- of steenkool.

Als men een bos plant op een plaats waar het er voor die tijd niet was, is er een netto zuurstofeffect, maar alleen zo lang tot het bos in evenwicht is en er meer groeit dan er verteert. Bossen zijn dus niet zonder meer de belangrijke netto-leverancier van zuurstof, waarvan al het leven op Aarde afhankelijk zou zijn.

Menselijk gebruik van bossen Mensen oogsten hout uit bossen voor het maken van constructies, het produceren van papier en om te verstoken als brandhout en biomassa. In veel ontwikkelingslanden zijn brandhout en houtskool de grootste energiebronnen voor verwarming en koken, maar ook voor commerciële activiteiten zoals het drogen van vis en tabak en het bakken van stenen. In geïndustrialiseerde landen, wordt hout als energiebron voor zowel huishoudelijke als industriële doeleinden gebruikt.FAO rapport "Forests&Energy: Key Issues (2008), Samenvatting in het Nederlands door GreenFacts Voor sommige samenlevingen zijn bosproducten een belangrijke voedselbron.

Bossen worden ook voor recreatieve doeleinden en ontspanning gebruikt. Veel voorkomende activiteiten zijn wandelen, joggen, mountainbiken, de hond uitlaten en natuurstudie (veldbiologie, het bestuderen van dieren en planten).

Bosaanplant thumb|Een gemengde opstand in de dichte fase. Hoewel niet alle bomen wintergroen zijn, is te zien dat de opstand sluitende is. Weinig licht kan de bodem nog bereiken. De fases die kunnen worden onderscheiden in de bosontwikkeling vanuit een aanplant zijn: De open fase: deze fase ontstaat na velling van de voormalige opstand of na een natuurlijke verstoring. De jonge fase: jonge bomen hebben zich gevestigd op de vlakte. De dichte fase: de kronen van de bomen raken elkaar. De stakenfase: het verschil met de dichte fase is dat de onderste 2-3 meter van de bomen geen levende takken meer hebben. De boomfase: de gemiddelde diameter op borsthoogte is nu boven de 20 cm. De aftakelingsfase: door de sterfte van grote bomen vallen er gaten in het bladerdek.

Bos in Nederland thumb|Percentage bedekt met bos per land - Eurostat 2010 In Nederland is een periode geweest dat het land grotendeels bedekt was met bossen. De naam Holland ('Holtland' of 'Houtland') verwijst hier ook naar. Anno 2002 beslaat bos in Nederland 10,6% van de totale landoppervlakte. Daarmee is Nederland een van de dunstbeboste landen van Europa. Alleen Cyprus en IJsland hebben minder bos. Dat komt doordat de bossen al heel vroeg in de geschiedenis voor allerlei doeleinden zijn gekapt. Vooral de hoge bevolkingsdruk in Nederland heeft een grote rol gespeeld, waardoor veel ruimte nodig was voor akkerbouw en veeteelt (zo zijn de heidevelden in het zuiden en oosten van Nederland ontstaan), voor bewoning, voor wegen en voor industrie. Ook werd er veel bos gekapt ten behoeve van menselijk gebruik: koken en verwarming (brandhout), meubels en houtproducten (bijvoorbeeld papier), scheepsbouw en later mijnbouw. Anderzijds hebben soms natuurlijke processen gezorgd voor ontbossing. Zo raakten veel bossen door veenvorming verstikt, waardoor veenmoerassen ontstonden.

In Nederland worden in de 21ste eeuw theorieën over het ontstaan van oerbos in de lage landen aan de praktijk getoetst in projecten als de Gelderse Poort en de Oostvaardersplassen, waar het bosbeheer bestaat uit weinig ingrijpen en er geen aanplant is van bomen. Ook kent men in de eerste twee decennia van de 21ste eeuw een zestigtal bosreservaten, grote en kleine gebieden met verschillende typen bos waar niet meer wordt ingegrepen in de natuurlijke successie.

Oppervlakte Het laatste Nederlandse 'oerbos', het Beekbergerwoud, werd tussen 1869 en 1871 gekapt. Het areaal aan bos in Nederland bereikte midden 18e eeuw een dieptepunt. Destijds was in wat nu Nederland is nog 50.000 ha bos over. Sindsdien nam de oppervlakte naar schatting als volgt toe: 1750: 50.000 ha (2%) 1850: 100.000 ha (3%) 1950: 250.000 ha (7%) 2002: 360.000 ha (10,6%) In 1994 formuleerde het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij de doelstelling om in 2020 420.000 ha bos te hebben, wat uitzicht zou bieden op 500.000 ha bos (15% van de landoppervlakte) in 2050. Het kabinet-Balkenende II veranderde echter het beleid ten aanzien van natuurontwikkeling, door meer nadruk te leggen op particulier initiatief, bijvoorbeeld van boeren. Hierdoor is de aangroei van het bosareaal gestagneerd.