thumb|Vestdijk als jongen (foto Simon Vestdijk sr.) thumb|Vestdijk rond 1940 Simon Vestdijk was een Nederlandse romanschrijver, dichter, essayist, vertaler, muziekcriticus en arts. Hij stond tussen 1950 en 1967 twaalf keer op de shortlist voor de Nobelprijs voor Literatuur.
Vestdijk groeide in Harlingen op als enig kind van een leraar gymnastiek en toonde al jong interesse in muziek, lezen en beeldende kunst. Hij ging naar de Rijks HBS in Leeuwarden, waar Slauerhoff een klas hoger zat. In deze periode dienden zich zijn eerste depressies aan. Na zijn eindexamen ging hij in 1917 geneeskunde studeren in Amsterdam.
Levensloop 1898-1927: Jeugd en opleiding thumb|Herinneringsbord op het geboortehuis van Simon Vestdijk, Voorstraat 61a in Harlingen
Jongste jaren (1898-1905) Op 17 oktober 1898 om vijf voor twaalf 's ochtends werd Simon Vestdijk III geboren in de bovenverdieping Voorstraat 61a (nu 57) in Harlingen. Hij was de zoon en enig kind van Simon Vestdijk II, gymnastiekleraar aan de HBS in Harlingen, en de remonstrantse Amsterdamse Anne (Anna Margaretha Clazina Catharina) Mulder, dochter van de eigenaar van een kapperszaak en schoonheidssalon aan het Amsterdamse Koningsplein. De achternaam Vestdijk was ontstaan nadat op 9 juni 1830 de gelijknamige grootvader van de schrijver (Simon Vestdijk I) als te vondeling gelegde baby door een arbeider van een brouwerij werd aangetroffen op de hoek van de Haarlemse Korte Dijk en de Papentorenvest; de naam 'Vestdijk' was daarvan een contaminatie.
Harlingen telde zo'n tienduizend inwoners en telde een haven, een scheepswerf, en overslag van aardappelen en zuivelproducten. Vader aardde goed in Harlingen, maar moeder bleef heimwee naar Amsterdam houden. Aan de tussenpositie die die dubbele oriëntatie van de stad op zee en op het land betekende, schreef Vestdijk toe dat '"de Harlinger voorzichtig, afwachtend, sceptisch"' was en beschikte over '"een trek van wegwerpend ongeloof die verbiedt om je aan 'eeuwige waarheden' te onderwerpen."'Geciteerd in
Op 3 april werd Vestdijk gedoopt in de doopsgezinde kerk. In 1902 verhuisde het gezin naar een etagewoning boven een sigarenwinkel, een hoekpand op Lanen 822. Hij had dezelfde lengte van zijn vader, maar was ziekelijk. Op de zondagen werd Vestdijk door zijn vader voorgelezen uit David Copperfield en Barnaby Rudge van Charles Dickens, Jules Verne en Robinson Crusoe van Daniel Defoe. Ook de illustraties uit de boeken maakten indruk op Vestdijk. Toen hij zelf kon lezen, nog voor hij naar school ging, las hij kinderbewerkingen van de Griekse mythologie en sagen en de indianenverhalen van Gustave Aimard. Van de kinderboeken las hij de boeken over Dik Trom van C.J. Kieviet. Van de Sprookjes van Moeder de Gans maakten de gruwelijke illustraties van Gustave Doré en de afbeeldingen uit het tijdschrift De Aarde en haar Volken indruk.
Zo vaak mogelijk logeerde het gezin bij de grootouders aan het Amsterdamse Koningsplein. In de zomer van 1905 werd Simon met acute blindedarmontsteking opgenomen in het Luthers Diakonessenhuis aan de Koninginneweg.
Lagere school (1905-1912) In 1905 ging Simon naar de Eerste Gemeenteschool vlak bij zijn ouderlijk huis, op de hoek van de Simon Stijlstraat en de Grote Kerkstraat. Hij was de oudste van de klas, een half tot een jaar ouder dan de medeleerlingen, waarvan er volgens biograaf Wim Hazeu velen model stonden voor de personages in de eerste delen uit de Anton Wachter-cyclus. Levenslang bleef hij contact houden met Sent van den Berg, die model stond voor het personage Murk Tuinstra. Vestdijk was een stille leerling, die met zijn in de gemeenschap van Harlingen zeer actieve vader het uiterlijk vertoon beleefde en bij zijn moeder op schoot met pianospel kennismaakte, waaronder Beethoven en Chopin. Zelf werd hij op pianoles gedaan bij kerkorganist, pianist, componist en dirigent Willem Zonderland; toen deze het Pianoconcert in a mineur van Grieg speelde, werd deze componist een muzikale held voor het leven. Meer muziek leerde Vestdijk kennen doordat zijn vader hem de pianola liet bedienen in de door hemzelf opgerichte bioscoop.
Met beeldende kunst kwam Vestdijk in aanraking doordat zijn Amsterdamse familie hem meenam naar het Rijksmuseum. De schilderijen en prenten ontvonkten een drang om zelf te gaan tekenen. Hij was technisch getalenteerd en observeerde scherp, maar bracht het niet verder dan natekenen. Creativiteit in het tekenen ontbrak.
In 1909 verhuisde het gezin naar de Zuid-Ooster Singel 43, waar moeder de tuin verzorgde en waar vader een serre aanbouwde. Het onvermogen van Vestdijks moeder om zich in Harlingen thuis te voelen, zorgde voor spanningen tussen de ouders. Vestdijk trok meer naar zijn vader, van wie hij naar eigen zeggen het vermogen had geërfd om zich energiek op één zaak te concentreren. Nadat in 1910 zijn grootvader Mulder overleed, was Vestdijk een tijd bang dat de dood ook zijn vader zou halen.
Vestdijk was een goede leerling: lagere rapportcijfers dan een 8 kwamen nauwelijks voor; hij blonk uit in gymnastiek.
HBS (1912-1917) In 1912 ging Vestdijk naar de driejarige HBS in Harlingen, waar zijn vader gymnastiekleraar was. Op nog geen veertig leerlingen telde de school vijftien leraren. Op het curriculum stonden dierkunde, aardrijkskunde, geschiedenis, Nederlands, Engels, Frans, Hoogduits, gymnastiek, handtekenen en exacte vakken. Voor de meeste vakken haalde hij een 8 en voor slechts enkele een 7.
In de vakantie las Vestdijk onder meer De hond van de Baskervilles, een detectiveboek uit de Sherlock Holmes-reeks van Arthur Conan Doyle en de realistische roman De bruidstijd van Annie de Boogh van Herman Robbers. Een nieuwe leerling die er in de tweede klas bijkwam, Lies Koning uit Franeker, werd de eerste liefde van Vestdijk - twintig jaar later werd zij het titelpersonage van Terug tot Ina Damman. Volgens biograaf Hazeu hield Vestdijk aan zijn eerste onbeantwoorde liefde 'een "ideaalbeeld" van een geliefde' over. Zelf schreef Vestdijk haar:
De volgende HBS-verliefdheden van Vestdijk duurden nooit langer dan enkele weken. Het leren ging hem makkelijk af. Zijn ouders deden hem op catechisatieles, niet omdat zij erg gelovig waren maar omdat zij de confrontatie met het geloof bij de opvoeding vonden horen. Hoewel de dominee doopsgezind was en niet remonstrants, merkte Vestdijk niets van dogmatische verschillen, die hijzelf beschouwde als '"volkomen onwezenlijk."'Geciteerd bij Bij deze dominee volgde hij na de lestijd ook gesprekken over filosofie: Plato, Hegel en Kant.
In deze tijd lichtte vader Vestdijk hem erover in dat zijn grootvader een vondeling was, wat Vestdijk niet schokte. Op school had hij kennisgemaakt met de poëzie van Perk, Gorter en Van de Woestijne. Ook las hij het proza van Van Looy en de roman Het ivoren aapje van Teirlinck. Volgens de biograaf was zowel de psychologiserende benadering van Teirlinck als de 'versierende beeldenrijkdom' van Van Looy een invloed op Vestdijk.> Een andere invloed was een schoolgenoot van een klas hoger, aan wie Vestdijk een cahier met sonnetten in de stijl van Perk ter beoordeling gaf. Deze vond de beeldspraak soms niet meer dan '"retoriek, dat heb je zelf niet zo gezien."'Geciteerd bij Volgens Vestdijk hield hij daar zijn '"schuwheid voor overgeleverde beeldspraak"' aan over.Geciteerd bij
Daarna ging hij naar de vijfjarige Rijks HBS in Leeuwarden, die 250 leerlingen telde. De schoolvereniging, de in 1911 ter bevordering van de welsprekendheid opgerichte Burgerscholierenclub 'Eloquentia', bracht op 15 november 1915 een lezing over de Russische letterkunde van een leerling die een jaar hoger zat, de latere dichter Slauerhoff. Vestdijk herinnerde zich Slauerhoff 'als ongewoon fascinerend. Onder schooljongens is dat geen reden om vriendschap te zoeken, vooral niet wanneer ze een jaar verschillen, en in Friesland wonen.'Geciteerd bij Hij moest nu harder werken om de beste van de klas te zijn, maar liep achterstand op omdat hij rond Sinterklaas 1916 aan een klinische depressie leed, die zich volgens Hazeu uitte in 'een totale lusteloosheid en de angst alles van school te vergeten.'
Op een feestavond voerde Eloquentia het toneelstuk De candidatuur van Bommel van Johannes de Koo op, met Vestdijk als figurant en Slauerhoff als souffleur. Hij beschreef de leraren en leerlingen later uitvoerig in de roman De andere school. Hij droeg verder bij aan debatten, hield een lezing over de opera Parsifal van Richard Wagner en trad ook op als pianist, zij het alles in beperkte mate vanwege de ziekteperioden. Ook werkte hij met poëzie en naar eigen zeggen '"agressief aesthetisch proza"' mee aan de schoolkrant.Geciteerd bij Ook had hij een cahier waarin hij citaten en aforistische oprispingen van eigen makelij noteerde.
Zijn depressie resulteerde voor december 1916 in een leeg schoolrapport en in februari 1917 kreeg hij nogmaals een depressie, waarvoor hij van een Amsterdamse arts opium kreeg. Zijn vader vroeg zich af of zij 'verstand en inzicht genoeg' hadden om deze situatie het hoofd te bieden: 'Je waart steeds een ijverig en lijdzaam kind dat schitterende karaktertrekken had en dat ons, je lieve Moeder en mij nooit teleurgesteld heeft.'Geciteerd bij Tot dan reisde Vestdijk per trein van Harlingen naar Leeuwarden, maar in februari 1917 ging Vestdijk in Leeuwarden op kamers wonen aan de Willemskade F4, bij klasgenote Jeanette Wiersma. Zo kon hij de anders aan reizen te besteden tijd voortaan wijden aan het wegwerken van de leerachterstand, opdat het eindexamen in juni door kon gaan. Het paasrapport liet voor de helft van de vakken resultaten zien. Een nieuwe interesse was aardrijkskunde, waarbij in de lessen veel aandacht uitging naar de Alpen
Op zaterdag en in de vakantiedagen diende Vestdijk bij de Vrijwillige Landstorm, onder bevel van zijn vader. Hij marcheerde er en leerde er schieten.
In juni behaalde hij zijn schooldiploma, met een 9 voor mechanica, natuurkunde en boekhouden en een 4 voor plant- en dierkunde. Omdat hijzelf geen toekomstplannen had gemaakt, bedachten zijn ouders dat de studie medicijnen in Amsterdam een goede keuze zou zijn.
Studie geneeskunde in Amsterdam (1917-1927) In 1917 begon Vestdijk aan de studie geneeskunde aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn eerste studentenkamer was op de vierde verdieping van de nabij de Weesperzijde gelegen Grensstraat 24, bij de zuster van zijn vader en haar man, die chef bij een wijnhandel was en in zijn vrije tijd schilderde. De medische faculteit telde honderd eerstejaars studenten, waarvan dertien vrouwen; Slauerhoff zat een jaar boven hem. Colleges werden gegeven in en rond de Oudemanhuispoort en de Mauritskade.
Vestdijk bracht veel tijd door in de universiteitsbibliotheek aan de Prinsengracht, in het Leesmuseum aan het Rokin 102, dat over tienduizenden boeken en abonnementen op honderden kranten en tijdschriften beschikte. In schriften noteerde Vestdijk alles wat hem uitzonderlijk voorkwam of anderszins opviel, aantekeningen over hoogleraren en studenten die model zouden staan voor personages uit zijn romans De rimpels van Esther Ornstein en De vrije vogel en zijn kooien.De hoogleraar anatomie professor L. Bolk ('Bolt' in de romans), hoogleraar histologie J. van Rees ('Reetra'), hoogleraar algemene ziektekunde Isidore Snapper ('Cohen'), de Zwitserse hoogleraar chirurgie Otto Lanz ('Lenz'), hoogleraar pathologische anatomie W.M. de Vries ('De Jong').