Styracosaurus albertensis is een uitgestorven plantenetende ornithischische dinosauriër, behorend tot de groep van de Ceratopia, die 75 miljoen jaar geleden tijdens het Laat-Krijt leefde in het gebied van het huidige Canada.

Het eerste fossiel van Styracosaurus werd in 1913 in Alberta gevonden. Het geslacht kreeg datzelfde jaar zijn naam, die 'stekelsauriër' betekent, toen de typesoort Styracosaurus albertensis benoemd werd. Daarna werden nog eens vier soorten benoemd maar daarvan denken de geleerden nu dat het toch om S. albertensis gaat of om andere Centrosaurinae. Van Styracosaurus zijn drie vrij complete skeletten gevonden en een aantal gedeeltelijke schedels. Hoewel veel details nog onduidelijk zijn, kregen de wetenschappers zo toch een redelijk beeld van de bouw van het dier.

Styracosaurus was een zwaargebouwde dinosauriër met een lengte van ruim vijf meter en een gewicht van twee ton die stevig op vier sterke poten stond. Zijn kop was heel groot en droeg voor op de neus een lange recht omhoogstekende hoorn waarmee roofsauriërs als Daspletosaurus afgeweerd konden worden. Boven de ogen had het dier echter geen wenkbrauwhoorns. Achteraan groeide op de kop een grote schedelkraag waarvan de rand bezet was door lange stekels. Misschien dienden die om nek en rug te beschermen maar ze zijn vermoedelijk ook gebruikt om mee te pronken. De kop had vooraan een grote tandeloze snavel waarmee planten konden worden afgebeten. Die werden door opeengepakte rijen tanden verder verknipt en daarna ingeslikt om in de grote buikholte verteerd te worden.

Vondst en naamgeving In de zomer van 1913 vond Charles Hazelius Sternberg — vaak wordt ten onrechte diens zoon Charles Mortram Sternberg als ontdekker genoemd omdat die de expeditie vergezelde — in het gebied van het huidige Dinosaur Provincial Park in Alberta, in de Sternberg Quarry 106 bij Happy Jack Ferry, een schedel van een grote ceratopide. De Sternbergs waren dat seizoen ingehuurd door de Geological Survey of Canada. left|thumb|C.H. Sternberg graaft het holotype op Hetzelfde jaar nog werd de typesoort Styracosaurus albertensis benoemd en beschreven door Lawrence Morris Lambe. De geslachtsnaam is afgeleid van het Oudgriekse στύραξ, styrax, 'stekel aan het ondereinde van een speerschacht'. De soortaanduiding verwijst naar Alberta.

Het holotype NMC 344 (eerder NMC 25441) is gevonden in een laag van de bovenste Dinosaur Park Formation die dateert uit het late Campanien, ongeveer 75,5 miljoen jaar geleden. Het bestaat uit de schedel die door C.H. Sternberg zelf gerestaureerd was. Hierbij werd door hem, om het belang van het exemplaar te verhogen, de door erosie vrijwel verdwenen rechterzijde met gips zo bekwaam aangevuld dat Lambe meende dat die slechts licht beschadigd was. In 1935 werd de vindplaats in opdracht van de University of Toronto weer opengelegd door een andere zoon, Levi Sternberg die nog bij de oorspronkelijke opgraving aanwezig was geweest, en die ontdekte toen ook de onderkaken en een belangrijk deel van de rest van het skelet, verspreid over een vrij groot gebied; de bedekkende aarde was weggespoeld door een stroompje dat zijn koers verlegd had. Enige jaren later werden de aanvullende elementen geruild met het National Museum of Canada, het huidige Canadian Museum of Nature, voor het fossiel van een gepantserde dinosauriër zodat ze met de schedel verenigd konden worden. Het geheel wordt nu als één skelet tentoongesteld; een groot deel daarvan is met gips gerestaureerd. In 1935 vond L. Strernberg ook specimen ROM 1436: een stuk wandbeen. thumb|AMNH 5372 zoals in 1937 tentoongesteld in het AMNH In 1915 vond Barnum Brown in Alberta een tweede skelet, specimen AMNH 5372. Twintig jaar lang werd dit aangezien voor een exemplaar van Monoclonius maar toen het eindelijk geprepareerd werd, bleek die identificatie onjuist. Het skelet, dat min of meer in de positie waarin het gevonden was, werd opgesteld, benoemde Brown in 1937 samen met Erich Maren Schlaikjer als een tweede soort van Styracosaurus: Styracosaurus parksi, nadat eerst voor een tijdje informeel de naam Styracosaurus borealis gebruikt was. De soortaanduiding eert wijlen William Arthur Parks omdat die specimen NMC 344 aan het American Museum of Natural History uitleende ter vergelijking. Brown en Schlaikjer meenden allerlei verschillen met S. albertensis ontdekt te hebben in het squamosum maar later onderzoek wees uit dat die voornamelijk veroorzaakt waren door een onjuiste restauratie van dit achterste schedelbot; van het specimen was alleen de achterste onderkant van de schedel bewaard gebleven. S. parksi wordt daarom tegenwoordig beschouwd als een jonger synoniem van S. albertensis waarvan dus minstens twee skeletten bekend zijn.

Tegen het eind van de twintigste eeuw zijn nog enkele fragmentarische fossielen ontdekt. Daartoe behoren de specimina TMP 86.126.1: een gedeeltelijke schedel; TMP 88.36.20: een stuk wandbeen; en TMP 89.97.1: een vrij compleet skelet met schedel van een jongvolwassen dier dat nog slechts gedeeltelijk is geprepareerd, gevonden bij de Sage Creek. Verder is er in Alberta een groot aantal losse botten opgegraven in het zogenaamde Bone Bed 42. Twee schedels die in 1917 door de Sternbergs aan het British Museum of Natural History waren verkocht en daar werden gedetermineerd als Styracosaurus, zijn in 2011 benoemd als het aparte geslacht Spinops.

In 1930 benoemde Charles Whitney Gilmore een derde soort: Styracosaurus ovatus, op basis van een in 1928 in Montana (VS) gevonden schedel. In 2010 echter werd S. ovatus hernoemd tot een eigen geslacht Rubeosaurus. Ook in 1930 hernoemde Oliver Perry Hay Monoclonius sphenocerus Cope 1890 tot een vierde soort: Styracosaurus sphenocerus. Vaak wordt abusievelijk aangegeven dat Lambe in 1915 de naamgever was; in feite had deze slechts dat jaar deze soort in Styracosaurus geplaatst zonder de nieuwe combinatienaam te gebruiken — wat hij overigens ook al in 1913 gedaan had. Dit specimen bestaat uit een gebroken hoorn die weinig onderscheidend is en de soort wordt daarom tegenwoordig beschouwd als een nomen dubium. Stephen en Sylvia Czerkas vermeldden in 1990 in een fotobijschrift een Styracosaurus makeli maar gaven geen beschrijving zodat dit een nomen nudum bleef; later werd het materiaal benoemd als Einiosaurus.

Van Styracosaurus albertensis was lange tijd alleen de schedel enigszins nauwkeurig beschreven, eerst door Lambe op een moment dat de onderste zijkant nog niet geprepareerd was en in 2007 door Michael Ryan, die zich echter sterk op de structuur van hoorns en stekels concentreerde. Het overige, postcraniale, skelet werd slechts oppervlakkig behandeld door Brown die daarbij de vondsten van Levi Sternberg grotendeels verwaarloosde. In 2013 echter beschreef Ryan ook de postcrania. In 2019 beschreef een studie de variatie in schedelvorm naar aanleiding van de vondst in mei 2015 van een zeer compleet skelet met schedel tot 2018 opgegraven bij Duchess, specimen UALVP 55900. De studie concludeerde dat Rubeosaurus toch een jonger synoniem is van Styracosaurus albertensis. In 2020 werd een skelet met schedel van een jong dier beschreven, specimen TMP 2009.080.0001, gevonden in 2008 door James Wood.

Beschrijving thumb|350px|Het skelet van het holotype in het Canadian Museum of Nature

Algemene bouw, grootte en onderscheidende kenmerken Styracosaurus is een middelgrote centrosaurine. Gregory S. Paul schatte in 2010 de lichaamslengte op vijfhonderdtien centimeter, het gewicht op 1,8 ton. Dit is lager dan eerdere schattingen. Dale Russell gaf het holotype als vijfhonderdvijftig tot vijfhonderdtachtig centimeter lang met een heuphoogte van honderdvijfenzestig centimeter; Peter Dodson mat bij het skelet in het AMNH een lengte van vijfhonderdveertig centimeter en een heuphoogte van honderdvijfenzeventig centimeter. Het verschil wordt veroorzaakt doordat volgens Paul de skeletten met te lange staarten gereconstrueerd zijn. left|thumb|240px|Vooraanzicht schedel in het AMNH met een te lange neushoorn Net zoals andere ceratopiërs, zoals de chasmosaurinen Triceratops en Chasmosaurus, heeft Styracosaurus een hoorn op de neus en een nekschild. Hij heeft een wat gedrongen bouw met een zelfs voor een ceratopiër relatief grote kop en een vrij slanke staartbasis. Zijn geslachtsnaam vindt haar oorsprong in het meest opvallende kenmerk: de naar achter gerichte stekels die zich op de achterzijde van het nekschild bevonden. Volgens Brown maakten deze stekels Styracosaurus tot de meest bijzondere van alle ceratopiërs en het dier heeft naast Triceratops bij het grote publiek uit die groep de meeste bekendheid verworven. Volgens Dodson was de ontdekking van C.H. Sternberg 'een van de meest spectaculaire schedels die ooit gevonden is'. Rubeosaurus die vroeger bij het geslacht Styracosaurus ingedeeld werd, bezit in een grovere bouw in wezen dezelfde trekken.

Lambe gaf in 1913 een diagnose in de vorm van een opsomming van opvallende kenmerken. De schedel is massief gebouwd, langwerpig en eindigt in een puntige snuit. Het nekschild bezit lange, robuuste en puntige stekels die schuin naar achteren en bezijden uitsteken van de achterrand. De wandbeenderen zijn vergroeid en hebben matig grote openingen. De squamosa zijn rechthoekig en beperken zich tot het voorste gedeelte van het schild. De fontanel achter de voorhoofdsbeenderen is groot. Het bovenste slaapvenster loopt achteraan wijd uit. De neushoorn is groot en staat recht overeind vanuit de achterkant van de neusbeenderen. De wenkbrauwhoorns zijn zwak ontwikkeld. Deze kenmerken zijn naar huidige inzichten nog steeds onderscheidend ten opzichte van de naaste verwant Centrosaurus, met uitzondering van de overeenkomende vorm van de hoorns.

Ryan stelde in 2007 een moderne diagnose vast die zich volledig concentreerde op de stekels van de schedelkraag. Styracosaurus vertoont het volgende unieke patroon. De eerste groeikern voor een stekel of osteoderm op het wandbeen bevindt zich naast de middenlijn van het nekschild onder de bovenrand en neemt de vorm aan van een kort uitsteeksel dat naar voren of achteren steekt. De tweede groeikern heeft de vorm van een klein uitsteeksel op de binnenkant van de middelste inkeping van de schedelkraag; het is naar binnen gekromd of soms lipvormig naar achteren en beneden gebogen. Groeikernen drie en vier zijn gevormd als lange, schuin naar boven en zijwaarts gerichte, stekels. Deze 'derde' stekels lopen ten opzichte van elkaar links en recht uiteen en nemen de hoogste positie op de schildrand in. Ze zijn langer dan de 'vierde' stekels. Posities vijf, zes en zeven op het wandbeen, lager en meer naar voren op het nekschild, hebben de vorm van kortere stekels of driehoekige huidverbeningen.

Skelet Schedel en onderkaken thumb|350px|Zijaanzicht schedel in het AMNH. Alleen de donkere elementen zijn echt, de lichtbruine bestaan uit gips