De Slag bij Hastings werd op 14 oktober 1066 uitgevochten tussen een Normandisch-Frans leger onder leiding van hertog Willem I van Normandië en een leger onder leiding van de Angelsaksische koning Harold II. De slag is vernoemd naar de Engelse plaats Hastings, maar vond in werkelijkheid tien kilometer ten noordwesten van Hastings plaats, in het naar de slag genoemde plaatsje Battle. De uitkomst van de Slag bij Hastings was een beslissende Normandische overwinning, de eerste en belangrijkste stap in de Normandische verovering van Engeland. De 19e-eeuwse Britse historicus Edward Creasy rekende deze overwinning onder zijn vijftien meest beslissende veldslagen in de wereld.

Hoewel er ook later nog opstanden en verzet tegen Willems heerschappij voorkwamen, was de Slag bij Hastings beslissend in de Normandische verovering van Engeland.

Aanleiding In 911 stond de Karolingische heerser Karel de Eenvoudige een groep Vikingen onder hun leider Rollo toe om zich in Neustrië in de Vexin, de monding van de Seine, te vestigen., Normandy Before 1066, blz. 8-10 Deze kolonie bleek succesvol. Normans, blz. 15-16De Vikingen werden in de regio bekend als "Noordmannen" vanwaaruit de woorden "Normandië" en "Noormannen" zijn afgeleid. Men paste zich snel aan de inheemse cultuur aan, deed afstand van het heidendom en bekeerde zich tot het christendom, Normandy Before 1066, blz. 12 ook waren er veel gemengde huwelijken met de lokale bevolking. Het resultaat was al na enige decennia het hertogdom Normandië., Normandy Before 1066 , blz. 20-21 Na verloop van tijd breidden de grenzen van dit hertogdom zich uit naar het westen richting Bretagne., Capetian France, blz. 53 In 1002 trad koning Æthelred II van Engeland in het huwelijk met Emma, de zus van Richard II van Normandië., Æthelred the Unready, blz. 54 Hun zoon Eduard de Belijder, die vele jaren in ballingschap in Normandië doorbracht, verkreeg in 1042 de Engelse troon., Ruling England, blz. 3 Dit leidde tot het ontstaan van een krachtige Normandische factie in de Engelse politiek, aangezien Edward zwaar op zijn vroegere gastheren leunde voor ondersteuning. Hij stelde Normandische hovelingen, soldaten en geestelijken aan op machtsposities.

Kinderloos en in conflict verwikkeld met Godwin van Wessex en zijn zonen, kan Edward mogelijk ook hertog Willem van Normandië aangemoedigd hebben in zijn ambities voor de Engelse troon., Unification and Conquest, blz. 86-99 Voordat hij stierf beloofde de koning Eduard de Belijder de Engelse troon aan Willem de Veroveraar, hertog van Normandië. Maar nadat hij gestorven was greep Harold echter de macht. Dat accepteerde Willem niet en verklaarde Harold daarop de oorlog.

Opvolgingscrisis in Engeland Na de dood van koning Eduard op 5 januari 1066, et alia, Handbook of British Chronology, blz. 29Er bestaat in de oorspronkelijke bronnen een lichte verwarring over de exacte datum; het was waarschijnlijk 5 januari, een paar bronnen uit die tijd geven echter 4 januari als overlijdensdatum., 'Edward the Confessor, blz. 250 en voetnoot 1 had het ontbreken van een duidelijke erfgenaam tot gevolg dat verschillende kandidaten aanspraak maakten op de Engelse troon:, 'Death of Anglo-Saxon England, blz. 167-181

Edwards directe opvolger was de graaf van Wessex, Harold Godwinson, de rijkste en machtigste van de Engelse aristocraten en de zoon van Godwin, Edwards eerdere tegenstander. Harold werd door de Witenagemot van Engeland tot koning gekozen. Hij werd gekroond door de aartsbisschop van York, Ealdred, hoewel de Normandische propaganda beweerde dat de ceremonie werd geleid door Stigand, de onkanoniek verkozen aartsbisschop van Canterbury. Harold werd meteen uitgedaagd door twee krachtige naburige heersers:

Hertog Willem van Normandië beweerde dat hem de troon was beloofd door koning Edward en dat dat Harold zijn instemming had bezworen., William the Conqueror, blz. 73-77 Harald III van Noorwegen, algemeen bekend als Harald Hardråda, betwistte de opvolging ook. Zijn aanspraak op de troon was gebaseerd op een overeenkomst tussen zijn voorganger Magnus I van Noorwegen, en de vroegere koning van Engeland Harthacanute, waarbij was afgesproken dat - als een van beide zonder erfgenaam stierf - de andere zowel Engeland en Noorwegen zou erven., Death of Anglo-Saxon England, blz. 188-190

Willem en Harald begonnen onmiddellijk met het bijeenbrengen van troepen en schepen voor afzonderlijke invasies., Ruling Engeland, blz. 12-14Andere kanshebbers kwamen later in actie. De eerste was Edgar Ætheling, een achterneef van Edward de Belijder en van vaderskant een afstammeling van koning Edmund Ironside. Hij was de zoon van Edward de Banneling, zoon van Edmund Ironside, en werd geboren in Hongarije, waar zijn vader naartoe was gevlucht na de verovering van Engeland door Knoet de Grote. Na zijn families uiteindelijke terugkeer naar Engeland en de dood van zijn vader in 1057, had Edgar veruit de sterkste erfelijke aanspraak op de troon, maar hij was op het moment van overlijden van de Edward de Belijder niet ouder dan dertien of veertien jaar en was niet in het bezit van een uitgebreide familie die hem kon steunen. Zijn claim op de troon werd door de Witan terzijde geschoven. Een andere kanshebber was Sven II van Denemarken, die als kleinzoon van Sven Gaffelbaard en neef van Knoet de Grote, aanspraak op de troon kon maken. Hij kon zijn aanspraken op de toon echter pas in 1069 doen gelden. Tostig Godwinsons aanvallen in het begin van 1066 kunnen het begin van een poging zijn geweest om de troon te bemachtigen, maar na een nederlaag tegen de broers Edwin van Mercië en Morcar van Northumbria en de desertie van de meeste van zijn volgelingen, verbond hij zich met Harald Hardrada.

De invasies van Tostig en Hardrada In het begin van 1066 voerde Harolds verbannen broer Tostig Godwinson raids uit in Zuidoost-Engeland. Hij maakte daarbij gebruik van een vloot die hij in Vlaanderen had gerekruteerd; later kreeg hij gezelschap van andere schepen uit Orkneyeilanden. Bedreigd door de vloot van Harold, voer Tostig naar het noorden waar hij raids uitvoerde in East Anglia en Lincolnshire. Hij werd echter door de broers Edwin van Mercië en Morcar van Northumbrië terug naar zijn schepen gedreven. In de steek gelaten door de meeste van zijn volgelingen, trok hij nu naar Schotland, waar hij het midden van het jaar doorbracht met het werven van verse troepen., Harold, blz. 144-145

Koning Harald III van Noorwegen viel Noord-Engeland in begin september binnen. Hij leidde een vloot van meer dan 300 schepen met daarop misschien wel 15.000 man. Haralds leger werd verder versterkt door de troepen van Tostig, die nu de claim van de Noorse koning op de Engelse troon ondersteunde. Optrekkend naar York, bezetten de Noren deze stad na het verslaan op 20 september van het noordelijke Engelse leger onder Edwin en Morcar in de Slag bij Fulford., Harold, blz. 154-158

Aanloop Op 28 september 1066 landde Willem de Veroveraar zonder tegenstand bij Pevensey met mogelijk 500 tot 776 schepen volgeladen met ongeveer 10.000 manschappen, materieel en paarden.

De Angelsaksische koning Harold had op 25 september het Vikingleger van koning Harald Hardråde vernietigd in de Slag bij Stamford Bridge in Yorkshire. Toen Harold het nieuws van Willems landing vernam, haastte hij zich naar het zuiden, onderweg zo veel mogelijk manschappen (ongeveer 7.000) verzamelend. Hij nam op 13 oktober positie in op Senlac Hill, ongeveer tien kilometer van Hastings.

Het Engelse leger bestond bijna in zijn geheel uit infanterie; men beschikte maar over een klein aantal boogschutters; Harolds voetvolk en boeren hadden nauwelijks beschermende middelen als harnassen voorhanden en hun wapens waren vaak geïmproviseerd. De invasiemacht bestond voor ongeveer de helft uit infanterie, de rest was gelijkelijk verdeeld tussen cavalerie en boogschutters. Het bestond uit Normandische leenmannen, baronnen, ridders en avonturiers. Naast Normandiërs waren ook Fransen, Bretons en Vlamingen op het slagveld aanwezig

Harold lijkt te hebben geprobeerd om Willem te verrassen, maar Normandische verkenners konden Harolds leger lokaliseren. Het Normandische leger marcheerde nu vanuit Hastings naar het noordwesten. Het ontmoette het leger van Harold bij de latere Battle. Vroege pogingen van de invasiemacht om de Engelse linies te doorbreken hadden weinig effect; daarop maakten de Normandiërs gebruik van de tactiek om zogenaamd in paniek te vluchten, om zich daarna om te draaien en zich op achtervolgers te storten.

Begin van de slag Willem de Veroveraar verscheen op het slagveld in de ochtend van 14 oktober. Willems leger was veel sterker en beter uitgerust dan de Angelsaksen. Niettemin was het een uitputtende slag, met wisselend succes.

Voor de strijd begon, gebeurde er iets merkwaardigs. Ivo Taillefer, de minstreel van Willem de Veroveraar, reed op zijn paard naar de open plek tussen de twee legers en begon met zijn zwaard en lans kunstjes te maken. Hij gooide zijn speer tweemaal in de lucht en ving hem op bij de punt. Daarna galoppeerde plots zijn paard naar voren, recht in de voorste gelederen van de Angelsaksen. Taillefer hakte met zijn zwaard op hen in. De Engelsen schoten zijn paard neer en Taillefer kreeg een speer in de borst. Hij was de eerste Normandische dode die dag. Vervolgens schoten de Vlaamse en Franse boogschutters een langdurige pijlenregen af op de Angelsaksen. Maar weinig van hen werden dodelijk getroffen, omdat vele pijlen bleven steken in een dak van schilden. thumb|Plattegrond van de Slag bij Hastings

Aanvankelijk verloop De Angelsaksen hielden goed stand onder de hevige beschieting van Willems boogschutters in diens eerste linie. Een aanval van de geharnaste Normandische infanterie, de tweede linie, slaagde er evenmin in om de niet-geharnaste Angelsaksen te verdrijven. Zelfs een charge van de Normandische cavalerie verbrak de Engelse verdediging niet. De zware Deense bijl, het zwaarste wapen van de Angelsaksen, werd vooral gehanteerd door de Housecarls, een gevreesd en uitgelezen korps in vaste dienst van de Engelse koning. Zij hadden maliënkolders aan tot kniehoogte. Hun bijlen doorkliefden elk houten schild. Ze richtten een ware slachting aan onder het Normandische voetvolk en volgens het tapijt van Bayeux kon ook een ruiter te paard met een goede slag neergehaald worden. Ook de Thengs, de geharnaste Angelsaksische cavalerie, bleken geduchte tegenstanders. De aanvallende Normandiërs moesten ook nog tegen de helling van Senlac Hill oplopen en weer aflopen, wat zeer vermoeiend was.

Verder verloop van de slag Op een gegeven moment dachten de Normandiërs dat hun hertog gesneuveld was en de strijd verloren. Maar de hertog duwde zijn helm naar achteren, waardoor hij zijn gezicht liet zien en riep; "Kijk, ik ben er nog. Ik ben nog in leven en met Gods hulp zal ik overwinnen!" De Normandiërs veinsden alsof ze van de helling wegvluchtten, achtervolgd door de Angelsaksen, die eindelijk in beweging kwamen en hun stellingen verlieten. Maar Normandische ridders wierpen zich op de Angelsaksische infanteristen die net de achtervolging van de Bretons hadden ingezet. Ze doodden velen van hen, maar de Engelse linies stonden nog op de heuvel.

Willem herhaalde de succesvol gebleken geveinsde vlucht van de Bretons en lokte zodoende nog een paar maal Angelsaksische soldaten uit de linies. Deze ongetrainde milities trapten er telkens weer in en velen sneuvelden. Maar de Housecarls stonden nog pal achter een muur van schilden, vol met afgeweerde pijlen en speren.