De oejezd Tiflis (Russisch: , ; Georgisch: , ) was een bestuurlijke eenheid in het gouvernement Tiflis van het onderkoninkrijk van de Kaukasus van het Russische Rijk.

Geschiedenis miniatuur|Tiflis was de zetel van de onderkoning van de Kaukasus. De provincie werd op 12 september 1801 (O.S.) onder de naam oejezd Lore opgericht, als een van de vijf bestuurlijke deeleenheden van het eerder dat jaar gevormde gouvernement Georgië. Dit gouvernement was de Russische bestuurlijke opvolger van het Georgische koninkrijk Kartli-Kachetië. Tbilisi werd de hoofdstad van de oejezd Lore. Per decreet werd de provincie op 23 september 1803 hernoemd in Tiflis. Later was de provincie onderdeel van het gouvernement Georgië-Imeretië (1840-1846) en het gouvernement Tiflis (1846-1917).

De provincie omvatte oorspronkelijk Kvemo Kartli, de streek Gare Kacheti (Sagaredzjo), Lore en andere delen van het latere Armenië en Azerbeidzjan. In latere jaren werden delen van de provincie afgesplitst. In 1880 kreeg de provincie haar definitieve omvang, toen oejezd Bortsjalo afgesplitst was, en bestond ze voornamelijk uit het noordelijke deel van Kvemo Kartli en Gare Kacheti. Na de val van het tsaristische bewind hielden de gouvernementen op te bestaan, maar de provincie bleef tot de bestuurlijke hervorming van de Sovjet-Unie in 1929-1930 bestaan, ook tijdens de Democratische Republiek Georgië (1918-1921).

Economie miniatuur|Fabrieksarbeid in Tiflis. De economische activiteit concentreerde zich rond de agrarische sector. Alleen in de hoofdstad Tbilisi was industriële activiteit. Ruim een kwart van het land was in gebruik door boeren op op het platteland. De belangrijkste gewassen waren winter- en zomertarwe, gerst, maïs, gierst, rogge en aardappelen. Deze laatste twee werden voornamelijk verbouwd in Russische en Duitse nederzettingen. In het zuidelijke deel van de provincie dat geïrrigeerd werd door het Mariinsky-kanaal, werd op kleine schaal katoen en rijst verbouwd.

In warmere gebieden werd meer aan tuinbouw gedaan, met name wijnbouw en wijnbereiding dat langs de rivier de Iori gedaan werd door de aanwezige irrigatie. Er werden kersen, abrikozen, pruimen, peren, perziken, granaatappels, wijnbessen, appels en moerbeien verbouwd. In hogere delen van de provincie groeiden alleen appels, peren en kersen. Er zijn meestal geen speciale boomgaarden, maar in alle wijngaarden wordt een deel van het land ingenomen door fruitbomen.

Geografie miniatuur|De Koera door Tiflis. De provincie Tiflis lag in het centrale deel van het gouvernement Tiflis. In 1912 was het gebied 4.004 vierkante werst groot (4557 km²). Het omvatte sinds 1880 naast de hoofdstedelijke regio Tbilisi ook de moderne gemeentes Tetritskaro, Gardabani en het grootste deel van Sagaredzjo. Sinds de laatste afsplitsing van gebied in 1880 grensde de provincie in het gouvernement Tiflis van zuidwest naar zuidoost aan de oejezden Bortsjalo, Gori, Doesjeti, Tioneti, Telavi en Signagi. In het uiterste zuiden grensde de provincie aan het gouvernement Jelizavetpol.

De oejezd Tiflis werd van noord naar zuid doorkruist door de Koera (Mtkvari), de grootste rivier van Oost-Georgië. Door het plateauland van Kvemo Kartli in de provincie stroomden verschillende zijrivieren van de Koera, zoals de Algeti en Chrami. Parallel aan de Koera stroomt in het oosten van de provincie de Iori. Aan de noordgrens van de provincie stroomde de Aragvi in de Koera. Ondanks de aanwezigheid van verschillende rivieren liet de geografie irrigatie van het land moeilijk toe, waardoor veel gebieden een watertekort hadden. In 1867 werd het Mariinsky-kanaal geopend dat vanaf de linkeroever van de Koera de vallei nabij Gardabani irrigeerde.

Het noordwesten van de provincie werd afgebakend door het Trialetigebergte. In het noordoosten markeerde het Gomborigebergte de grens. Het zuidoosten van de provincie werd gemarkeerd door laagliggende steppes. De bergen rond Tbilisi waren boomvrij, maar in de bergen in het noorden en westen waren bossen te vinden met op verschillende plaatsen staatsplantages, die voornamelijk bestonden uit loofbomen zoals eiken, haagbeuken, beuken, esdoorns, peren, essen. Ongeveer 29 procent van de provincie was bedekt met bossen.

Bestuurlijke indeling De provincie was ingedeeld in gemeentelijke districten (oetsjastok), ook wel politiedistricten genoemd. De provincie bestond sinds 1880 uit de districten Sartatsjali, Tiflis en Karajaz. De nummers I tot III in de tabel verwijzen naar de nummers op de etnografische kaart in de infobox en de bijbehorende census van 1886. In latere jaren werd het district (rajon) Prigorodni (suburbaan) opgericht. Dit was het suburbane gebied van de stad Tbilisi.

Bestuurlijke onderverdeling oejezd Tiflis vanaf 1880 District Centrum Opp.(werst²) Inwoners 1886 1912 Tiflis (stad) 78.445 156.508 I Sartatsjali Sartitsjala 1.074 30.373 31.905 II Tiflis 1.504 30.950 33.313 III Karajaz Karajaz 1.426 5.054 7.724 Prigorodni - - 12.168 Totaal 4.004 144.822 241.618Verantwoording data: Volkstelling Transkaukasus 1886; Kaukasische kalender 1913;

Belangrijkste wijzigingen De oejezd Tiflis wijzigde door de jaren door afsplitsingen, toevoegingen en interne herschikking van bestuurlijke eenheden. Met de fusie in 1840 van het gouvernement Georgië met de oblast Imeretië tot het gouvernement Georgië-Imeretië werden zuidelijke gebieden afgesplitst voor de vorming van de oejezd Jelizavetpol in het nieuwe gouvernement.

Tegelijkertijd werd in 1840 de oejezd Doesjeti opgeheven en werd het district Ksani (Achalgori) aan Tiflis toegevoegd. De provincie werd in vier districten ingedeeld, Otchgori, Doesjeti, Tbilisi en Bortsjalo. In 1862 werden de districten Lori en Trialeti in de provincie opgericht. De oejezd Doesjeti werd in 1867 weer hersteld, waardoor het district Ksani/Doesjeti weer afgesplitst werd. In 1880 vond de laatste grote wijziging plaats, toen de districten Bortsjalo, Lori en Trialeti als de oejezd Bortsjalo werden afgesplitst, meer dan een halvering van de provincie Tiflis.

Demografie Volgens de Russische volkstelling van 1897 woonden er op dat moment 234.632 mensen in de provincie, waarvan 159.590 in hoofdstad Tbilisi, oftewel 68 procent. Demografie van oejezd Tiflis Jaar Totaal Georgiërs Armeniërs Tataren Osseten Grieken Joden Duitsers Russen 1886 144.822 58.349(40,3%) 49.364(34,1%) 7.724(5,3%) 902(0,6%) 2.452(1,7%) 1.578(1,1%) 3.446(2,4%) 19.806(13,7%) 1897 234.632 81.489(34,7%) 57.933(24,7%) 13.764(5,9%) 1.712(0,7%) 4.554(1,9%) 3.336(1,4%) 5.417(2,3%) 55.225(23,5%)Verantwoording data: Volkstelling Transkaukasus 1886; Russische volkstelling van 1897; Kaukasische kalender 1913;

Etniciteit en religie miniatuur|Als gevolg van de Russisch-Turkse Oorlog (1877-1878) trokken veel Armeniërs naar Georgië. De provincie Tiflis kende een gemengde bevolkingssamenstelling. Georgiërs waren de grootste groep, maar waren niet in de meerderheid (34,7% in 1897). Armeniërs en Russen vormden de andere twee grote groepen met respectievelijk 24,7 en 23,5 procent. Tataren (Azerbeidzjanen) waren de vierde grote groep. In hoofdstad Tbilisi waren de drie grootste gemeenschappen van Armeniërs, Russen en Georgiërs in die volgorde vrijwel gelijkelijk verdeeld tussen de 29,5 en 26 procent, met de Armeniërs als grootste groep.

In de volkstelling van 1897 gaf ruim 56 procent aan tot een orthodoxe kerk te behoren (Russisch en Georgisch). Ruim 27 procent behoorde tot de Armeens-Katholieke Kerk, bijna zeven procent was moslim en 3,5 procent was rooms-katholiek. Andere geloofsovertuigingen waren in geringere mate aanwezig.

Zie ook Onderkoninkrijk van de Kaukasus (1801-1917)

Referenties

Categorie:Onderkoninkrijk van de Kaukasus (1801-1917)