thumb|Huidige verspreidingsgebied van het West-Vlaams Het West-Vlaams is de verzamelnaam voor de groep van dialecten of streektalen die gesproken wordt in de provincie West-Vlaanderen, het westen van Zeeuws-Vlaanderen en door een deel van de bevolking van de Waalse gemeenten Moeskroen en Komen-Waasten en in het noorden van Frankrijk. Ook in het westen van Oost-Vlaanderen worden op West-Vlaams gelijkende overgangsdialecten gesproken, bijvoorbeeld rond Maldegem in het Meetjesland of Zulte. Het dialect dat gesproken wordt in het westen van Zeeuws-Vlaanderen lijkt sterk op het West-Vlaams, maar wordt bij het Zeeuws gerekend.
Onderverdeling Het West-Vlaams wordt verdeeld in het Kust-West-Vlaams in het noorden en het westen van de provincie (de Polders, het Houtland en de streek van Veurne-Ieper-Poperinge) en het Continentale West-Vlaams in het zuidoosten van de provincie (Kortrijk, Roeselare, Tielt). Sprekers van het West-Vlaams kunnen gemakkelijk Vlaemsch of Zeeuws verstaan. Het in Frans-Vlaanderen gesproken Vlaemsch, een andere variëteit van het West-Vlaams, wordt met uitsterven bedreigd; slechts enkele duizenden ouderen op het platteland spreken het nog.
Deze dialecten gebruiken allemaal voor het overgrote deel dezelfde grammatica, maar verschillen in het gebruik van (leen)woorden, waar in het Zeeuws meer woorden uit het Standaardnederlands worden verdialectiseerd of overgenomen, terwijl Frans-Vlaams dit met Franse woorden doet.
Geschiedenis thumb|Het historische taalgebied van het West-Vlaams in het huidige Noord-Frankrijk. Tot in Stapel en mogelijk zelfs tot de kustnederzettingen van Berck, werd het West-Vlaams of haar voorgaande dialecten gesproken. In Willeman en Wail (Wael) in Pas-de-Calais werd zeker Oudfrankisch gesproken, gebruik van West-Vlaams heeft er echter geen schriftelijke bewijzen meer. Het West-Vlaams bevat invloeden uit het Picardisch, een Frans dialect, omdat de handel met Artesië in de middeleeuwen bloeide; Atrecht (Arras) maakte in de vroege middeleeuwen deel uit van het graafschap Vlaanderen en in de late middeleeuwen van De Nederlanden. Het West-Vlaamse dialect, vooral dat van de handelsstad Brugge (het Brugs), leverde de eerste bijdrage aan de standaardisering in het Middelnederlands: uit de West-Vlaamse vormen weggevaagd en waagschaal ontwikkelden zich bijvoorbeeld weggeveegd en weegschaal, nu deel van de Nederlandse standaardtaal. Het West-Vlaams wordt door sommigen - onder andere door Stijn Streuvels - beschouwd als het Nederlandse dialect dat de meeste kenmerken van Middelnederlands heeft behouden., De taal van Streuvels in zijn Reinaertherschrijvingen van 1910, 1921 en 1969, in (edd.), De vos en het Lijsternest. Jaarboek 2 van het Stijn Streuvelsgenootschap, Tielt, 1996, pp. 121, 155. Vgl. , West-Vlaams, Tielt, 2005, pp. 24, 43 (passim).
Hoewel het West-Vlaams grotendeels Nederfrankisch is, kent het veel ingveonismen, mogelijk afkomstig van de Kustsaksen uit de late oudheid en vroege middeleeuwen. Deze hebben in het verleden aanleiding gegeven tot speculatie dat er sprake is van een Fries of Nedersaksisch substraat. Dat zou de lastige vraag kunnen beantwoorden waarom er een tweedeling bestaat tussen West-Vlaams en Oost-Vlaams: er blijkt verder namelijk geen enkele geografische of politieke reden voor te zijn. Sommigen hebben de mogelijkheid dat het West-Vlaams niet volledig Nederfrankisch is als voldoende reden gezien om zelfs te spreken van een aparte taal. Dit wordt over het algemeen door de taalkunde verworpen omdat er wel degelijk een dialectcontinuüm bestaat met het Oost-Vlaams. Bovendien is het Hollands, waarop de standaardtaal (samen met Brabants) gebaseerd is, evenmin geheel Nederfrankisch, maar in Noord-Holland sterk door de taal van de Friezen (met name Oudfries, in West-Friesland ook Middelfries) beïnvloed. Omdat het West-Vlaams zich na de late middeleeuwen anders ontwikkelde dan het Hollands en het Brabants, spreken sommigen op grond van de klankafwijkingen van een aparte taal.
Deze gedachtegang werd onderschreven door de beweging van de West-Vlaamse taalparticularisten in de tweede helft van de negentiende eeuw. Zij verzetten zich tegen de invoering van het half joodsch, half heidensch Hoog-Hollandsch (Guido Gezelle)., Inleiding, in (edd.), De manke usurpator: over Verkavelingsvlaams, Gent, 2012, p. 12. Ze streden tegen de standaardisering van het Nederlands in België en voor het behoud van het Vlaams der Vaderen, in dit geval het West-Vlaams. De katholieken rond de dialectoloog De Bo en de dichter Guido Gezelle vreesden het binnendringen van het protestantisme via een Nederlandse standaardtaal.
De vorming van het Standaardnederlands ging wel door en de positie van de dialecten in het algemeen werd vooral op het einde van de twintigste eeuw zeer penibel. Onder meer door de perifere ligging van de streek wist het West-Vlaams, in tegenstelling tot andere dialecten, wél een comfortabele positie te behouden. Het is het meest vitale dialect in Vlaanderen, het wordt nog algemeen door alle lagen van de bevolking gesproken, ook door jongeren. Vrijwel alle informele conversaties gebeuren er in het West-Vlaams. Een enquête in 1993 naar de dialectkennis van studenten door het Institut für Deutsche und Niederländische Philologie van de Freie Universität van Berlijn gaf aan dat 88% van de West-Vlaamse studenten nog dialect sprak, tegenover bijvoorbeeld 62% voor Antwerpen en slechts 40% voor Limburg., Dialectcompetentie en functionaliteit van het dialect in Vlaanderen anno 2013, in TNTL 130 (2014), pp. 117-137 netdidned.be (gearchiveerd)
Ingveoonse kenmerken In het West-Vlaams zijn veel sporen te vinden van het dialect van de Saksen, die tijdens de Germaanse volksverhuizingen - in de vierde en vijfde eeuw - in Vlaanderen aankwamen. Reeds in de tijd van het West-Romeinse Rijk werd de litus Saxonicum aangelegd tegen Saksische zeepiraten die ook de West-Vlaamse kusten bezochten. De Kustgermaanse, Noordzee-Germaanse of Ingveoonse kenmerken van het West-Vlaams vindt men niet alleen terug in andere Nederlandse dialecten als het Zeeuws en Hollands, maar ook sterk in het Nedersaksisch, Fries en Engels. Hoe westelijker in West-Vlaanderen, hoe meer men ze tegenkomt - dit geldt bijzonder voor de Saksische kenmerken die ook in plaatsnaamgeving van de Westhoek en het al langer verfranste gebied rond Boulogne-sur-Mer (Bonen) terugkomen.
Fonetiek De Ingveoonse invloeden op de fonetiek van het West-Vlaams blijken uit woorden als pit (put), rik (rug), dinne (dun) en ouder brigge (brug). Korte u-klanken werden ontrond tot i, wat ook in het Engels (pit, ridge, thin, bridge) het geval was. De open uitspraak van de korte e, i en u, zoals in bek, in en tusschen (tussen) komt voor in meerdere oude kustdialecten zoals onder andere het Hollands. Dit staat tegenover de gesloten Brabantse uitspraak: bik, ien en tuusse. Het AN volgt een middenweg en het hedendaagse Hollands doet mee.
De voornaamste klanken zijn de uu, de oe en de ii (geschreven ie) op de meeste plaatsen waar het Nederlands ui, ou en ij heeft. Dientengevolge verschijnt uit er als uut, buiten als but(e)n, koud als koed, zwijgen als zwieg(e)n en tijd als tied.
Een ander Kustgermaans fenomeen is h-deletie aan het begin van een woord. Dit is allesbehalve exclusief West-Vlaams, ook het Brabants doet dit. Men zegt èpen (helpen), òòlen (halen) en ard (hard). De analogie met de Engelse dialecten gaat op, maar zowel in het Standaardengels als in het Standaardnederlands werd de h in ere hersteld.
Ook typisch West-Vlaams is de uitspraak van de letter g waarbij die voortgebracht wordt door vernauwing van de stemspleet. Deze laryngalisering van g tot h is een zeer typisch kenmerk van het dialect. De combinatie met de uitspraak van de h zorgt ervoor dat een oeëd (hoed) hoeëd (goed) kan zitten in het West-Vlaams.West-Vlamingen en het muggengeheugen: feiten en fictie, Anne-Sophie Ghyselen In het dialecttaalgebruik is dit onderscheid duidelijk. Vooral bij West-Vlamingen die Algemeen Nederlands spreken kan dit tot problemen leiden, zoals het gebruik van dezelfde klank (h) voor de twee letters, of hypercorrectie.
Uitzonderlijk is het gedrag van de eind-n in het suffix -en, zoals in werkwoorden, meervouden, bijvoeglijke naamwoorden, enz. Terwijl in een groot deel van het Nederlandstalige gebied de e wel, maar de n niet uitgesproken wordt, wordt de n in het West-Vlaams, uitgezonderd in het Brugs, rechtstreeks aan het stamwoord geplakt in combinatie met syncope: zotn (zotten), hurtn (luisteren) en bustn (borsten) dus (iets soortgelijks gebeurt in het Nedersaksisch en met name in het Gronings). Soms wordt ook de medeklinker voor deze doffe e verder ingeslikt, en vervangen door een glottisslag (zie verder).
Het niet uitspreken van de doffe e in –en treft men ook aan in het Engels (beaten, listen) en Nedersaksische dialecten (luustern).
Hurtn en bustn, evenals bus (bos), mussels (mosselen), vul (vol) en zunne (zon) e.a. brengen dan weer een ander typisch klankkenmerk naar de oppervlakte: de spontane palatalisatie (verplaatsing van de uitspraakbasis naar het harde verhemelte zonder echte fonetische reden; spontaan dus) van o tot u. Weer vindt men hetzelfde bij cognaten in het Engels (hoewel de uitspraak daarin ook al wat geëvolueerd is): bush, mussels, full, sun. Nadat dit was gebeurd in het West-Vlaams (evenals in andere kustdialecten), werden in het Vroeg-Nederlands korte os tot oo gerekt, bijvoorbeeld tot zoon (Engels: son), boter en vogel. In het West-Vlaams daarentegen werd de gepalataliseerde u gerekt tot eu, wat zeune, beuter en veugel opleverde. In het Kust-West-Vlaams werd de eu in enkele van die woorden dan wederom verkort tot u; zie onder meer butter (versus beuter), schuttel (vs scheutel, schotel) en kuttel (vs keutel).
Nog een klankkenmerk dat veel dialecten rond de Noordzee gemeenschappelijk hebben, is de "verdonkering" van a tot o in bepaalde woorden. Vergelijk bijvoorbeeld zochte (zacht), of (af) en brocht (bracht) met het Engels: soft, off, brought.
Ook kenmerkend voor het Kustgermaans is de omvorming van de Oudwestgermaanse tweeklank iu tot ie, waar de continentale dialecten een uu hebben ontwikkeld, die later op zijn beurt gediftongeerd werd tot ui. Zo staan de West-Vlaamse vormen van kieken, vier en stieren, zoals Engels chicken, fire en steer, tegenover de Brabantse vormen kuiken, vuur en stuur (want vóór een r werd daarin de uu behouden en niet tot ui vervormd).
Grammatica Voor wat betreft de meervoudsvorming is de uitgang –s in de grammatica van het West-Vlaams (en zeker in het archaïsche Frans-Vlaams) veel algemener dan in die van andere dialecten en het Standaardnederlands, waarin de meeste meervouden met –en worden gevormd. Deze algemenere meervoudsvorming op –s deelt het West-Vlaams met het Nedersaksisch, waarin het verschijnsel echter veel sterker op zijn retour is. Het Engels heeft de meervoudsvorming op –s nog veel verder doorgetrokken, waardoor de –en-vormen zeer zeldzaam zijn geworden (met als een van de laatste getuigen bijvoorbeeld oxen, voor ossen). In het West-Vlaams eindigen, in tegenstelling tot het Engels, veel meervouden wel nog op –en. Die winnen ook veld onder invloed van de standaard- of tussentaal, maar vooral in het westen zijn de –sen nog alom aanwezig. Men zegt er dus trings (treinen), keuns (konijnen), brils (brillen), kleers (kleren), kinders (kinderen) enzovoort.
Woordenschat thumb|Tielts Qua Kustgermaanse woordenschat zijn er enerzijds woorden die verder leven uit de Saksische erfenis en anderzijds leenwoorden die later vooral via de handel met Engeland in het West-Vlaams zijn beland. Voorbeelden van de laatste, de hedendaagse Amerikaanse 'wordflow' buiten beschouwing gelaten, zijn onder meer riftje-raftje (of kotjevolk, 'schorriemorrie' uit Engels riff-raff), nowers (zuidelijk nievers, voor 'nergens', uit Engels nowhere) en agèèn ('alweer', uit Engels again).