'Een veelbelovende jongeman' is een in 1957 gepubliceerde, autobiografische novelle van de Nederlandse schrijver Willem Frederik Hermans, geschreven in 1948 en 1949. Sebastiaan Klok, een veelbelovende dichter, werkt bij een firma in de Canadese provincie Nova Scotia als hij op een dag driehonderd dollar uit de kas steelt en afreist naar de Niagarawatervallen. In 1950 en 1951 probeerde de auteur tevergeefs de novelle te publiceren, onder meer door die in te zenden als kandidaat voor het Boekenweekgeschenk van 1951. Het is veruit het langste verhaal in de novellebundel Een landingspoging op Newfoundland en andere verhalen, maar toch trokken enkele van de vijf andere verhalen meer aandacht in de contemporaine recensies. De bundel verscheen in november 1957 en was sindsdien altijd verkrijgbaar; de novelle staat sinds 2006 in deel 7 van de Volledige werken, waarin Hermans' eerste drie novellebundels zijn verzameld.
Vanwege de passages over het literaire leven in Nederland wordt het verhaal gedeeltelijk beschouwd als een satirische sleutelnovelle: achter enkele fictieve namen zijn zonder moeite bekende literatoren als Menno ter Braak, Adriaan Morriën, Adriaan Roland Holst en Fokke Sierksma te herkennen en de auteur zelf treedt op als de psychiater Herman F. Williams. De verhaalgebeurtenissen volgen de tocht die de auteur in 1948 van Nova Scotia naar de Niagara maakte nauwgezet, zonder dat het verhaal realistisch aandoet. Zo worden vrijwel alle personages op karikaturale wijze beschreven in de gemeenplaatsen van hun beroep of nationaliteit. Thema's zijn de positie van een schrijver in een klein taalgebied, de irrationaliteit van handelingsbeslissingen, het verlangen naar ontsnapping aan bewustzijn. De thematiek krijgt gestalte door middel van motieven die tot het vaste repertoire van Hermans behoren, waaronder freudiaanse, en taalverschillen als factor die het onbegrip tussen mensen bevordert. De schrijfstijl houdt het midden tussen realistisch en surrealistisch, waarbij een realistische, gedetailleerde beschrijving samengaat met opzichtige cliché', surrealistische elementen en originele beeldspraak.
Motto Aan het verhaal gaat het volgende motto vooraf:
Je suis un chien qui ronge l'os en le rongeant je prends mon repos un jour viendra qui n'est pas venu que je morderay qui m'avra mordu
Onder het motto staat de vertaling van de auteur:
Ik ben een hond die op een bot knaagt en ondertussen uitrust. Eenmaal zal er een dag komen, maar het is nog niet zover, dat ik wie mij gebeten heeft terug zal bijten
Als bron voor het motto wordt opgegeven: 'Oude gevelsteen te Quebec'.Hermans (2006), 422Een alternatieve vertaling staat in Otterspeer (2010a), 157 Biograaf Otterspeer heeft de gevelsteen aangetroffen 'in een achterafstraatje in een muur' op het eilandje Île d'Orléans.Otterspeer (2010a), 156-157
Samenvatting
De twintigjarige dichter Sebastiaan Klok, die op zijn vierde voor het eerst over de Niagarawatervallen hoorde vertellen. was op de Muloschool een veelbelovende leerling die, ondanks zijn als geheel middelmatige rapporten, voor elk vak wel eens een tien haalde. Op zijn zestiende, vlak voor het einde van de oorlog, dichtte hij zijn eerste sonnet. Daarna moest hij onderduiken bij een boer in Drenthe. Daar maakt hij kennis met Bralle Piekerma, een voormalig student theologie, van zijn geloof gevallen door het lezen van de essays van Otto Verbeek, voor hem "de enige intelligente man die Nederland ooit heeft voortgebracht". De lievelingsauteur van Sebastiaan is de dichter E. Beyaard Blom, "de enige dichter die Nederland bezit". Nog tijdens de onderduik stencilen Sebastiaan en Bralle hun eigen tijdschrift, Stellage geheten.
Na de oorlog verschijnt Stellage bij een echte uitgeverij. Bralle schrijft essays over Otto Verbeek. De dichtbundel waarmee Sebastiaan debuteert heet Op Doorvlucht en telt acht sonnetten. Hij wordt een veelbelovend talent genoemd door de critici Keuvelkerk, Lichtevaart en Van de Muize. Maar Sebastiaan dicht niets meer en ook de oplage van Stellage gaat achteruit, door de concurrentie van andere tijdschriften. Sebastiaan legt de schuld van de stagnatie bij het in zijn ogen armoedige culturele klimaat in Nederland en verlangt ernaar inspiratie op te doen in het buitenland. Een kennis van zijn vader heeft een importzaak en regelt een betrekking voor Sebastiaan bij een zakenrelatie van hem in Nova Scotia te Canada.
Sebastiaan verblijft in het plaatsje Musquodoboit, waar hij binnen twee uur alle bezienswaardigheden gezien heeft. De omgeving verveelt hem, maar hij verdient onvoldoende om een auto te kunnen kopen en erop uit te trekken. Hij houdt het niet uit en op een zomerdag in 1948, zijn twintigste verjaardag, steelt hij driehonderd dollar uit de kantoorkas en gaat liften naar Quebec, Toronto en de Niagarawatervallen. Hij heeft alleen een fototoestel, scheerapparaat en tandenborstel bij zich. De eerste automobilist die hem meeneemt 'leek sprekend op de voorstelling die men zich in ons land gewoonlijk van "de" Amerikaan maakt'. Deze John, een dikke, sigaren rokende Amerikaanse verzekeringsagent vertelt dat hij in Nederland pakketten voor krijgsgevangenen verdeelde en de pakketten voor verdwenen soldaten ruilde tegen horloges, naaimachines en Leica's. Ook heeft hij de werkkamer van Hitler van binnen gezien, waarvan hij foto's toont. Gevraagd waar hij naartoe gaat, antwoordt Sebastiaan dat hij de Niagara wil zien en een paar dagen in Quebec zal doorbrengen. "Ik houd veel van de Fransen." Daarop waarschuwt John: "De Fransen, dat zijn schurken. Ze hangen de Engelse vlag ondersteboven, zitten onder de plak van hun priesters (priestridden) en slaan hun paarden half dood." John adviseert Sebastiaan om altijd te slapen in een lokale vestiging van de YMCA en bij het liften zijn fototoestel zichtbaar te dragen: "Dan zien de automobilisten dat je een toerist bent en geen gangster."
In de namiddag van de vierde dag arriveert hij in Quebec. Gedurende de reis is het landschap eentonig en lijken de plaatsen allemaal op 'onthoofde buitenwijken van een stad'. Per telegram stelt hij zijn firma op de hoogte van zijn verblijfplaats. In enkele dagen bekijkt hij Quebec en reist dan liftend naar Montreal. Een intellectueel die veel leest, neemt hem mee. Sebastiaan vertelt dat hij veel van Frankrijk houdt. "Wij hier niet, zei de intellectueel, de Fransen zijn vermengd met Arabieren, Negers, Polen en Joden. Ze zijn verrot, decadent en goddeloos." In Donnacqua ziet Sebastiaan armoedige Indianen die langs de weg prullaria verkopen. Twee uit Detroit (Michigan) afkomstige Amerikaanse jongens van zeventien nemen hem mee naar Montreal, waar hij een dag blijft. De volgende dag bereikt hij de grens van Ontario.
Naar Cornwall rijdt hij met een presbyteriaanse dominee die in Heidelberg gestudeerd heeft en toen Winterswijk bezocht heeft. "Holland is heerlijk!" vindt hij. Gerekend vanaf Halifax heeft Sebastiaan nu duizend mijl afgelegd, ongeveer zestienhonderd kilometer. Zijn horloge heeft hij al een uur achteruit moeten zetten, terwijl hij nog niets bijzonders gezien heeft: 'De St. Laurens zou de IJssel kunnen zijn of de Lek, wanneer je er dijken bij fantaseerde.'
In het plaatsje Carnaval overnacht hij in een 'touristhome' waar hij wordt afgezet. De volgende dag staat hij vergeefs te liften en overdenkt intussen zijn verblijf in Canada:
Hij kon over niets dat zijn belangstelling had van gedachten wisselen, hij kon niet praten over E. Beyaard Blom en evenmin de theorieën van Sartre op losse schroeven zetten. Dan pas zou hij hier gelukkig kunnen zijn, wanneer hij heloemaal alleen was, als een ontdekkingsreiziger tussen wilden van wie hij de taal niet verstaat.
Een oude en bijna blinde man die niet harder dan veertig rijdt, neemt Sebastiaan mee over The King's Highway nummer twee. Ook zijn Chevrolet 1927 is oud en versleten, en het volledige interieur is eruit gehaald, tot de hendels om de raampjes mee open te draaien aan toe. Tijdens deze rit komt Sebastiaan op de gedachte voor weinig geld zelf een oude auto te kopen. Hij zou daarin dan ook kunnen overnachten en zo een hotel uitsparen. Wel heeft hij een Schotse reisdeken nodig en tangen voor als er onderweg iets gebeurt. 'Wat hij in zo'n geval met dit gereedschap moest uitvoeren, zou hij wel zien als 't zover was.' Eindelijk in Toronto gearriveerd, bezoekt hij enkele occasions en koopt voor 375 dollar een lichtblauwe Pontiac uit 1932 (zie afbeelding).
Zonder rijbewijs rijdt Sebastiaan naar Hamilton, waar hij tegen een geparkeerde motor met zijspan rijdt. Hij probeert door te rijden, maar de eigenaar van de motor en de politie achterhalen hem. Sebastiaan moet mee naar het politiebureau.
-Is er iets niet goed aan mijn wagen? vroeg Sebastiaan. -Is er iets wèl goed aan? vroeg de agent.
De agenten en de motoreigenaar lachen hem uit als Sebastiaan vertelt hoeveel hij voor zijn auto betaalde. Volgens hen is die nog geen 75 dollar waard. De politie geeft hem een week om zijn rijbewijs te halen, zolang blijft de auto bij het politiebureau staan.
Sebastiaan probeert een slaapplaats te krijgen bij de YMCA, maar die zit vol vanwege de opening van een tentoonstelling in Toronto. Hij vindt een ander goedkoop adres, maar heeft geldnood: hij heeft nog maar 158 dollar en daar gaan de schadevergoeding voor de motor en de kosten van zijn rijbewijs nog vanaf. Hij moet zuinig zijn, leeft alleen nog op zakjes pinda's van 5 cent en rekent uit dat hij na het behalen van zijn rijbewijs geen geld meer over zal hebben voor benzine.
Enkele dagen later heeft het YMCA plek, voor een week. Sebastiaan verkoopt zijn fototoestel en legt het rijexamen af met veel te weinig uren rijles op zijn conto. Hij slaagt niet. De instructeur is bereid voor vijftig dollar de Pontiac te kopen, maar Sebastiaan wijst dit voorstel af. Via een advertentie in de courant Toronto Star biedt hij de auto aan voor $350,-. Gegadigden dienen zich niet aan. Op zijn kamer vergelijkt hij zijn advertentie met andere, die meer aan beschrijving van de aangeboden auto bieden. Hij hoort zijn buren ruzie maken en verbeeldt zich dat ze boos zijn omdat zijn auto in de weg staat. Was hij er maar van af: 'Dan ben ik eindelijk vrij,' denkt hij.
De volgende ochtend verslaapt Sebastiaan zich voor de bus naar de Niagara. Onder het scheren vergeet hij bijna dat hij van plan is erheen te gaan. Daarna bekijkt Sebastiaan zijn auto voor de eerste keer eens goed. Bij aanschaf dacht hij dat een reservewiel ontbrak, maar nu ziet hij dat dit onder de achterruit gemonteerd is, met een nieuwe band erom. Hoewel oude auto's vaak olie lekken, is onder deze geen spatje op het grint te zien. De vering 'als van een rijtuig', de mooie blauwe kleur, het glanzende nikkel van de radiator en de bumpers, de spaken van de wielen 'keurig als het kant van japonnen van bejaarde dames.' 'Slechts aristocratische, Europese merken hadden tegenwoordig nog spaakwielen.' De spatborden zelf zijn 'gebogen vol waardigheid en toch met entrain' en laten de spaakwielen geheel zichtbaar: 'Een fin-de-siècle décolleté!' De enige beschadiging die hij waarneemt, is het gevolg van zijn eigen botsing met het zijspan van de motor.
Zonder een koper voor zijn auto gevonden te hebben, besluit Sebastiaan de bus naar de Niagara Falls te nemen. In de wachtruimte overweegt hij dat hij de auto niet eens zorgvuldig bekeken heeft voor aankoop: hij heeft er niet in of onder gekeken, bij de proefrit de eigenaar niet de vering laten testen door hem te vragen eens over spoorrails te rijden. In de vier maanden dat hij in Canada is, hebben de inwoners die hij sprak vooral over auto's gepraat en die kennis was hij niet vergeten bij aankoop. 'Hij had het geweten maar er niet om gegeven. Eigenlijk had hij maar één werkelijke fout gemaakt: hij had niet vermoed dat hij er binnen zó korte tijd weer wèl om geven zou.'