De geschiedenis van de keramiek gaat terug tot in de laatste ijstijd. miniatuur|Jomon-aardewerk, ca. 2000 v.Chr.

Prehistorie Paleolithicum De oudste keramische figuren, de Venus van Dolní Věstonice en verschillende dierfiguren uit het laatpaleolithische Gravettien (25.000 tot 29.000 jaar BP) werden gevonden bij een kampvuur van mammoetjagers, in een 80 centimeter dikke aslaag, naast een aantal ruw gevormde brokken klei. De natte klei was gemengd met gebrand en gemalen ivoor en bot. Deze magering diende misschien om het materiaal verwerkbaarder te maken, maar kan ook culturele redenen gehad hebben. Andere dierfiguren zijn uit Pavlov en Krems-Wachtberg bekend.

Epipaleolithicum Noord-Azië miniatuur|fragment uit de Xianren-grot gedateerd op ±20.000 BP De ouderdom van vondsten uit de grot van Xianrendong in de provincie Jiangxi wordt geschat op 20.000 jaar. Deze datering valt in het laatste glaciale maximum. Een verslechtering van het klimaat kan geleid hebben tot nieuwe methoden om intensiever gebruik te maken van het verminderde aanbod aan voedsel. Het oudste keramische vaatwerk in het Russische Verre Oosten komt uit de oostelijke regio Amoer van Siberië. Aardewerk van de Gromatoechacultuur is gedateerd op 15.000 BP. Bij de Jomoncultuur van Japan (12.350 ± 700 BP) werd laaggestookt ceremonieel vaatwerk met rijke plastische versieringen gemaakt. Dit vroege aardewerk was wijdverspreid onder de jager-verzamelaars in Korea, China en Mantsjoerije, zonder verband met een landbouweconomie.

Vaatwerk met een puntige bodem werd gemaakt door jagers en verzamelaars in grote delen van Noord-Eurazië. In Europa is het te vinden van Noord-Rusland, Finland en Karelië (kamkeramiek) tot in Scandinavië (Pitted-warecultuur), en vanuit het oostelijke Oostzeegebied over Noord-Polen en Noord-Duitsland tot in Denemarken (Ertebøllecultuur) en Noord-Nederland (Swifterbantcultuur).

Afrika miniatuur|Wavy Line Pottery in het British Museum Bij Ounjougou in Mali is aardewerk gevonden dat gedateerd is op rond 11.500 BP. Hier hield het waarschijnlijk verband met veranderingen in het milieu, een nieuwe samenstelling van de bejaagde fauna die daaruit voortkwam en het verzamelen van eetbare wilde grassen. In Soedan werd vanaf 10.000 BP aardewerk (Wavy Line Pottery) gemaakt door de semi-sedentaire jagers en verzamelaars van de Khartoemculturen.

Neolithicum Lange tijd werd aardewerk gezien als een kenmerkend element van een zogenaamde neolithische revolutie, en onderdeel van het "neolithische pakket". Inmiddels is echter duidelijk geworden dat het neolithicum in het Midden-Oosten begon met een pre-keramische fase, die werd gekenmerkt door sedentarisme en veeteelt.

West-Azië miniatuur|aardewerk met ingesneden en beschilderde decoratie uit Tell Hassuna, 8500 - 8000 BP In El-Khiam in de woestijn van Judea op de Westelijke Jordaanoever werden vroege, nog ongebakken kleivaten gevonden (9.600-8.300 BP). Vanwege hun hoge droge buigsterkte hadden ze de millennia overleefd. De eerste laag-gebrande eenvoudige vormen werden gevonden van 9.000 tot 8.000 BP in Karim Shahir bij Jarmo in het Zagrosgebergte. Bij een hogere temperatuur gebakken en beschilderd aardewerk met een gekleurde strook fijne kleislib (engobe) werd tussen 8.000 en 7.600 BP vervaardigd in Tell Hassuna in het noorden van Mesopotamië.

Tussen 5.400 en 4.900 BP begon men het aardewerk op een draaibaar plateau te maken. Bij de Halafcultuur vindt men driekleurig beschilderd aardewerk, bijvoorbeeld in Tell Halaf en Tell Arpachiyah in het noorden van Syrië. Uiteindelijk kwam het tijdens de Urukperiode in het zuiden van Mesopotamië omstreeks 5.250 ± 250 BP tot de uitvinding van de pottenbakkersschijf. In deze periode werden in Mesopotamië al baktemperaturen bereikt rond 1000-1100 °C, en soms zelfs hoger.

Het hoge niveau van aardewerk in deze tijd wordt aangetoond door het Noord-Mesopotamische steengoed of metallic ware uit de vroeg-dynastieke en Akkadische periodes, zoals gevonden in Tell Brak en Tell Chuera. Dit was een met grofkorrelige kalk gemagerd en sterk gesinterd aardewerk, zo vlambestendig dat je het in een open vuur kon plaatsen.

Noord-Afrika Bij de Merimdecultuur in de Nijldelta verscheen het eerste aardewerk rond 7.000 BP. Karakteristiek voor de Badaricultuur (6.400 tot 6000 BP) is een zwartgetopt aardewerk dat zich zou verspreiden tot in Nubië.

China miniatuur|Late Yangshao-/vroege Majiayaocultuur Bij de Yangshaocultuur aan de Gele Rivier in het 8e millennium v.Chr. was het vaatwerk meestal gemaakt van rode, zelden witte klei, vaak versierd met koordpatronen en ingesneden lijnen, alsook zwarte geometrische patronen en zelfs beschilderd met afbeeldingen van dieren en mensenhoofden. Het was handgevormd uit een blok klei of opgebouwd uit ringen. Er was ook een zwarte keramiek, wat betekent dat het reducerend (zuurstofarm) stoken bekend was. Er werden aardovens gebruikt met een voorgelegen verbrandingsput en een ovenrooster.

Europa Aardewerk was in Europa bekend sinds het vroege neolithicum (7e millennium v.Chr.). De techniek wordt verondersteld te zijn geïntroduceerd door immigranten uit Anatolië. Veel neolithische culturen zijn vernoemd naar hun karakteristieke aardewerk (bijv. bandkeramische cultuur, cardiaal-impressocultuur, etc.). In de Balkan werd al sinds het vroege neolithicum (Karanovo I / II) beschilderd keramiek vervaardigd. Verder in het westen kwam beschilderd vaatwerk slechts sporadisch voor. Het vroeg-neolithische cardiaal aardewerk van het Middellandse Zeegebied was voornamelijk versierd met schelpimpressies. Ook het aardewerk van de La Hoguettecultuur is versierd met afdrukken.

In delen van Noord-Europa gebruikte men vaatwerk met puntige bodem in de Noord-Euraziatische traditie (zie hierboven).

Precolumbiaans aardewerk miniatuur|Moche-aardewerk De vroegste keramiek die uit Amerika bekend is, is gevonden in het lagere Amazonebekken. Aardewerk uit de Caverna da Pedra Pintada, nabij Santarém, Brazilië, is tussen 7.500 en 5.000 BP gedateerd. Keramiek uit Taperinha, ook in de buurt van Santarém, is gedateerd op 8.000 tot 7.000 BP.https://www.researchgate.net/publication/6058745_Eighth_Millennium_Pottery_from_a_Prehistoric_Shell_Midden_in_the_Brazilian_Amazon/download Sommige van de scherven bij Taperinha waren met schelpen gemagerd, waardoor men de scherven zelf kon koolstofdateren. Deze eerste aardewerk-producerende culturen waren vissers en schaaldieren-verzamelaars.

Aardewerk verscheen vervolgens in het noorden van Zuid-Amerika, daarna langs de westkant van Zuid-Amerika en noordwaarts door Meso-Amerika. Keramiek van de Alakacultuur in Guyana is gedateerd op 6.000 tot 4.500 BP. Aardewerk van de San Jacintocultuur in Colombia is gedateerd op 6000 tot 5000 BP, en in Puerto Hormiga, ook in Colombia, op ongeveer 5.800 BP. Keramiek verscheen in de Valdiviacultuur in Ecuador rond 5.200 BP en in de Pandanchecultuur in Peru rond 4.460 BP.

De verspreiding van aardewerk in Meso-Amerika kwam later. Keramiek uit Monagrillo in Panama is gedateerd rond 4.140 BP, van Tronadora in Costa Rica tot rond 3.890 BP, en van Barra in Soconusco, Chiapas tot rond 3.900 BP. Aardewerk van de Purróncultuur in zuid-centraal Mexico is gedateerd rond 3.805 BP, en van de Chajilcultuur in noord-centraal Mexico tot ongeveer 3.600 BP.

Het verschijnen van aardewerk in het zuidoosten van de Verenigde Staten past niet deze chronologie, en lijkt daarom een zelfstandige ontwikkeling. Aardewerk van de middelste Savannah River in Georgia en South Carolina (bekend als Stallings, Stallings Island of St. Simons) is gedateerd op ongeveer 4.500 BP, en keramiek uit de Orange- en Norwoodcultuur in Noord-Florida tot ongeveer 4.300 BP, allemaal ouder dan enig ander gedateerd keramiek uit het noorden van Colombia. Aardewerk verscheen later elders in Noord-Amerika. Keramiek bereikte Zuid-Florida (Mount Elizabeth) tegen 4.000 BP, Nebo Hill in Missouri tegen 3700 BP, en Poverty Point in Louisiana tegen 3.400 BP.

Klassieke Oudheid Sinds de Minoïsche tijd was de pottenbakkersschijf op Kreta in gebruik. In de vroege Europese ijzertijd kwam zwartfigurig Grieks aardewerk en Etruskisch vaatwerk naar het noorden, en beïnvloedden het lokale aardewerk van de La Tène-periode. Vanaf het La Tène-tijdperk was ook de pottenbakkersschijf bekend in Midden-Europa, en de eerste ovens met meerdere kamers. Buiten het Grieks-Romeinse culturele gebied bereikte de Europese keramiek echter niet dezelfde technische perfectie.

Terracotta

De productie van terracotta's (terra cotta, Italiaans voor verbrande aarde) gaat terug tot het paleolithicum. Vanaf het neolithicum zijn er talloze mens- en dierfiguren uit Zuidoost- en Midden-Europa bekend, meestal tussen de 10 en 20 cm hoog. Ook op het Minoïsche Kreta werden beeldjes van mensen en dieren gemaakt. De hoogtijdagen van de Griekse terracotta waren in de 4e eeuw v.Chr., met delicate en rijk beschilderde meisjesbeeldjes uit de werkplaatsen van Tanagra in Boeotië, gebaseerd op Attica.

Het Romeinse rijk zag ook een rijke terracottaproductie, deels van hoge kwaliteit, zoals de architectonische Campana-reliëfs (1e eeuw v.Chr. tot midden-2e eeuw n.Chr.).

Oud-Grieks aardewerk miniatuur|Achilles and Ajax playing dice, Attic black-figured amphora, signed by Exekias as both painter and potter, 540-530 BC, inv. 16757 - Museo Gregoriano Etrusco - Vatican Museums Griekse pottenbakkers beschilderden hun vazen met zwarte figuren. Hiervoor gebruikten ze een ijzerhoudend slib van fijne klei. Zwart en rood werden verkregen door verschillende diktes van de slib aan te brengen en door oxiderend (zuurstofrijk) en reducerend (zuurstofarm) te bakken. De Atheners brachten het rond 700 v.Chr. in Korinthe uitgevonden schilderen met zwarte figuren op zijn hoogtepunt. Dit werd rond 530 gevolgd door het schilderen met rode figuren (rode uitgespaarde figuren in een zwarte achtergrond, met roodbrandende klei bij heroxidatie) en rond 480 door het schilderen op een witte ondergrond (gereduceerde koperrode beschildering op een witbrandende kaoliniethoudende klei waaraan potas was toegevoegd). Voor het eerst werd het aardewerk gesigneerd.

In de Griekse koloniën van Zuid-Italië en Etrurië werd op grote schaal fijn keramiek geproduceerd, dat technisch en iconografisch verwant is aan modellen uit Korinthe, Athene en Oost-Griekenland. De Gnathia-vazen gemaakt in Apulië (4e eeuw v.Chr.) vormen een laatste hoogtepunt.

Terra sigillata

Terra sigillata werd sinds ongeveer 30 v.Chr. vervaardigd, met als belangrijkste productielocatie Arretium in Italië, later ook in veel Romeinse provincies. In West-Klein-Azië bleef het in productie tot in de 7e eeuw. Het vaatwerk werd op de pottenbakkersschijf ingedraaid in een vorm, waarbij de in de vorm aangebrachte verdiepingen als verhogingen ontstonden. De aan de bovenkant uitstekende klei werd vrij gedraaid tot een gladde rand. Door de droogkrimp kwam het aardewerk los van de vorm. Na drogen tot leerhardheid werd er een fijn slib overheen gegoten, verkregen uit illitische klei gesuspendeerd in regenwater. Na bezinking bleef het fijnste slib als toplaag over. De goederen werden oxiderend gebakken bij ongeveer 950 °C in Korinthische ovens, waarbij de oven altijd zo werd geplaatst dat de westenwind in de ovenhals blies. Deze kachel met ovenrooster, uitgevonden in Korinthe, was wijdverbreid in heel Europa en werd pas tijdens de volksverhuizingen vervangen door de horizontale kachels die door de Slaven werden gebruikt. Bij een reducerende brand kon er ook de zwarte terra nigra in worden geproduceerd. De rode terra sigillata werd in grote hoeveelheden geproduceerd. De fabriek in Rheinzabern (Tabernae) bijvoorbeeld bezat in de 2e eeuw vijf ovens, 100 tot 150 werknemers en had een jaarlijkse productie van 35.000 tot 70.000 stuks.

Glazuren Egyptische faience

miniatuur|Egyptische faience-vaas