De Triumph T140 Bonneville 750-serie was een serie motorfietsen die het Britse merk Triumph produceerde van 1973 tot 1983. Daarna werd de productie overgenomen door Les Harris.

De Triumph T140 was de tweede generatie Bonneville's, ontwikkeld uit de 650cc-T120 Bonneville. Kenmerkend voor alle Bonneville's waren de twee carburateurs, terwijl andere Triumph-tweecilinders slechts een enkele carburateur haddenTwee carburateurs zorgden voor wat extra vermogen, maar in een tijd dat de meeste motorrijders het kleine onderhoud nog zelf deden, waren ze voor veel klanten moeilijk af te stellen. Daar bleven de machines met enkele carburateur populair.. De T140 Bonneville 750 werd in verschillende versies, soms limited editions, geproduceerd van 1973 tot aan het faillissement van Triumph in 1983. Daarna werd de naam verkocht aan John Bloor, die er voorlopig geen gebruik van maakte. Hij gaf Les Harris toestemming om onder de Triumph-merknaam de machines te blijven produceren van 1985 tot 1988. Ook voormalig racemanager Les Williams bouwde een klein aantal motorfietsen met T140-blok die hij als Triumph Buccaneer op de markt bracht.

Het 750cc-zustermodel van de T140 Bonneville met enkele carburateur was de Triumph TR7V Tiger. Voorgeschiedenis Toen Edward Turner in 1937 zijn Triumph Speed Twin presenteerde, was hij er al van overtuigd dat de motor niet geschikt was voor meer dan 500 cc. Pas in 1950 gaf hij toestemming voor de bouw van de 650cc-Triumph 6T Thunderbird, die werd gevolgd door de 650cc-Triumph Tiger T110 en de TR6 Trophy. Nog steeds hield Turner vol dat de krukas, die uit drie delen was opgebouwd, hogere vermogens of een grotere cilinderinhoud niet aan kon vanwege de trillingen. Triumph-ingenieurs ontwikkelden echter een krukas uit een stuk waardoor de snelle sportmotor T120 Bonneville 650 mogelijk werd. Triumph T120RT Bonneville De American Motorcyclist Association kende verschillende wedstrijdklassen, die aangeduid werden met A, B en C. De Class C stond open voor 750cc-zijklepmotoren en 500cc-kopklepmotoren. Daarmee werd Harley-Davidson in bescherming genomen, dat zowel in wegraces als dirttrackwedstrijden de Harley-Davidson XR 750-zijklepper inzette. In 1970 zocht de AMA aansluiting bij de Fédération Internationale de Motocyclisme, maar daarvoor moest ze wel een eerlijk reglement met cilinderinhoudklassen invoeren. Dat betekende dat ook 750cc-kopkleppers aan de start mochten komen. Triumph had geen interesse in een dergelijk project, want het was al druk bezig met de ontwikkeling van de driecilinder Triumph T150 Trident racer. De importeur voor de Amerikaanse Oostkust, Triumph Corporation (Tri-Cor) besloot daarop de Triumph T120R Bonneville 650 op te boren tot 750 cc. De ombouw werd ontwikkeld door de servicemanager van Tri-Cor, Rod Coates. Er moesten voor de homologatie minstens 200 exemplaren gebouwd en verkocht worden. Coates bouwde nieuwe gietijzeren cilinderblokken, zuigers en zuigerveren en sloeg de letter "T" achter de motornummers. De framenummers werden niet aangepast. Elke koper moest een disclaimer tekenen waarin hij aangaf de machine alleen voor racewedstrijden te gaan gebruiken. Peter Thornton, bezig met het samenvoegen van BSA en Triumph, kreeg lucht van het project en ontsloeg Rod Coates op staande voet. Er waren toen echter al 204 T120RT's verkocht, waardoor de homologatie een feit was. Coates had de boring vergroot van 71 naar 75 mm, waardoor de cilinderinhoud slechts 724,5 cc bedroeg. In 1971 besloot de BSA-Group om het 750cc-model in productie te nemen, maar Bert Hopwood, net opgenomen in de raad van bestuur, hield het project tegen omdat er nog geen enkele test was uitgevoerd. Hij liet prototypen maken die wel getest werden en binnen enkele weken ontdekte men grote problemen met brekende krukassen en lekkende koppakkingen en olielekkages. thumb|Johnny Allen's "Texas Ceegar" De naam "Bonneville" Op 6 september 1956 reed de Texaan Johnny Allen een sterk verbouwde Tiger 110 naar een nieuw snelheidsrecord op de Bonneville-zoutvlakte in Utah. Hij haalde met zijn Triumph Devil's Arrow (bijgenaam Texas Ceegar) een snelheid van 214,40 mijl per uur (345,04 kilometer per uur). In 1958 vierde Triumph het record met het uitbrengen van de Triumph T120 Bonneville. De naam "Bonneville" sloeg dus op de zoutvlakte. De toevoeging "T140" was feitelijk voortborduren op eerdere modelaanduidingen. In het verleden hadden die geduid op de topsnelheid zoals bij de 250cc-Triumph Tiger 70, de 350cc-Triumph Tiger 80, de 500cc-Triumph Tiger 90, de 350cc-Triumph Tiger 85, de 500cc-Triumph Tiger 100 en de 650cc-Triumph Tiger T110. Bij de T120 Bonneville was 120 mijl per uur slechts licht overdreven: de machine haalde ongeveer 185 km/uur in plaats van de beloofde 193, maar daarna werden de aanduidingen zo hoog, dat er geen enkele relatie met de topsnelheid meer was. De T140 zou 225 km/uur moeten halen, maar de werkelijke topsnelheid werd gemeten op 172 km/uur.

Triumph T140V Bonneville thumb|left|Triumph T140V Bonneville In 1973 werd de Triumph T140V Bonneville gepresenteerd, aanvankelijk nog met dezelfde boring/slagverhouding van het Amerikaanse Rod Coates-blok, 75 x 82 mm. De machine was ontwikkeld door Brian Jones. Al snel werd de motor 1 mm opgeboord om aan 744 cc te komen. De machine had het oliehoudende dubbel wiegframe dat al voor de T120 Bonneville was ontwikkeld. Het was toen al niet al te lovend ontvangen, want de dikke centrale bovenbuis die de motorolie bevatte beïnvloedde het ontwerp en de zithoogte was erg hoog. Het frame werd echter verlaagd. De "V" stond voor de vijfversnellingsbak. De eerste (724 cc)-versie had nog twee trommelremmen, maar in het voorwiel zat nu een schijfrem. De koplampbevestiging was nu verbeterd: de "draadjes" waarmee ze bij de T120 was opgehangen waren vervangen door normale "lamporen", de bevestiging van het voorspatbord was robuuster en het was - net als het achterspatbord - van roestvrij staal gemaakt. Vanaf het begin werd de T140V in twee versies geleverd: de UK/ROW (United Kingdom/Rest Of the World)-versie met laag stuur en 18,1 liter-tank en de USA-versie met hoog stuur en 12,7liter-tank.

In juli 1973 werd Triumph ingelijfd bij de Norton-Villiers-Triumph-groep van eigenaar Dennis Poore. Die dreigde de Triumph-fabriek in Meriden te sluiten. Daarop volgden stakingen en zelfs een sit-in, waardoor de productie vrijwel stil kwam te liggen. De werknemers vormden de Meriden Motorcycle Co-operative en zetten het merk Triumph op die manier voort. In april 1975 begon de productie opnieuw, met de werknemerscoöperatie als producent en NVT als opdrachtgever/afnemer. Motor

De motor was een dwarsgeplaatste, luchtgekoelde paralleltwin-kopklepmotor met twee kleppen per cilinder die werden bediend door stoterstangen en tuimelaars. Aanvankelijk werd de 650cc-motor van de T120 Bonneville opgeboord tot 724 cc, maar nog in 1973 werd de motor vergroot tot 744 cc. Om dat te realiseren konden de carters van de T120 niet meer worden gebruikt en moesten er aangepaste carters komen. Ook de bevestiging van de cilinderkop werd aangepast (van negen naar tien bouten). Door de grotere motor werden de hoofdlagers van de krukas te zwaar belast, wat werd opgelost door mildere nokkenassen in te bouwen en de compressieverhouding te verlagen tot 8,6:1. Dat verklaart waarom de T140 Bonneville minder fel was dan de kleinere T120. Het vermogen was ook niet veel hoger (54 t.o.v. 50 pk). De nokkenassen waren laag geplaatst, die voor de inlaatkleppen aan de achterkant van het cilinderblok, die van de uitlaatkleppen ervoor. De smering geschiedde door een dry-sumpsysteem waarbij de motorolie in de bovenste framebuis werd meegevoerd. De ontsteking was een accu-bobine-ontsteking van Lucas Industries, bij de eerste modellen nog met contactpuntjes. Er waren twee Amal 30mm-carburateurs voor de brandstofvoorziening.

Transmissie Op het linker uiteinde van de krukas zat de primaire transmissie, die via een triplexketting de meervoudige natte plaatkoppeling aandreef. De machine had een voetgeschakelde vijfversnellingsbak met het schakelpedaal rechts, waar aan de rechterkant ook de kickstarter op zat. Rijwielgedeelte De T140V had het in 1970 geïntroduceerde "oil-in-frame"-rijwielgedeelte, een dubbel wiegframe met een dikke bovenbuis waar de motorolie in bewaard werd. De eerste 724cc-versie had nog een trommelrem in het voorwiel, maar die werd al in 1973 vervangen door een Lockheed-schijfrem. Achter zat een trommelrem, die in 1975 werd vervangen door een schijfrem. Beide schijfremmen waren meer bedoeld om mee te doen met de Japanse "mode", want ze remden nauwelijks beter dan de oude trommelremmen. Daar kwam nog bij dat de achterste remklauw ondersteboven onder de achterbrug was gemonteerd, waardoor hij veel vuil verzamelde en waardoor de ontluchtingsnippel aan de onderkant zat waar de lucht er niet uit kon. Voor was een telescoopvork met gaiters gemonteerd, achter een swingarm met twee veer/demperelementen. Uitrusting De T140V had, behalve zijn vijfversnellingsbak, ook elektrische richtingaanwijzers, maar verder was de uitrusting karig. Zo ontbeerde de machine nog steeds een startmotor, die de Honda CB 750 al in 1969 had. Ook het schakelpedaal aan de rechterkant was voor veel rijders lastig, omdat bijna alle motorfietsen intussen links schakelden. In 1975, toen de productie na achttien maanden werd hervat door de Meridan Motorcycle Co-operative, werd dit aangepast en kwam het schakelpedaal aan de linkerkant en het rempedaal rechts, een wijziging die door de Amerikaanse wetgeving was afgedwongen. Triumph T140J Bonneville Silver Jubilee

De Triumph T140J Bonneville Silver Jubilee werd in 1977 in beperkte oplage uitgebracht ter gelegenheid van het Zilveren jubileum van koningin Elizabeth II. Het idee kwam van Lord Stokes, voorzitter van de raad van bestuur van British Leyland, maar ook adviseur bij The Meriden Motorcycle Co-operativeThe Meriden Motorcycle Co-operative was niet de enige motorfiets-gerelateerde organisatie die aandacht besteedde aan het jubileum van koningin Elizabeth. Tijdens de TT van Man van 1977 werd de Jubilee TT verreden, die de eerste van 26 overwinningen van Joey Dunlop opleverde.. In totaal werden 2.400 exemplaren gebouwd: 1.000 voor het Verenigd Koninkrijk, 1.000 voor de Verenigde Staten en 400 voor de overige landen van het Britse Gemenebest. Uiteindelijk gingen deze 400 machines naar Canada, Australië en Nieuw-Zeeland, maar ook naar Japan.

De T140J Bonneville Silver Jubilee was grotendeels uitgevoerd in zilverkleur, met blauwe tankflanken die met rode biezen waren afgezet. Bij de Amerikaanse versie was de tank boller en het blauwe deel bestond uit breed uitlopende biezen boven het Triumph-logo. Ze miste ook de knierubbers en de gaiters op de voorvork en deze machine was ook meer een cruiser, dankzij het in Amerika populaire hoge en brede stuur. Op alle zijdeksels stond de Union Jack, maar bij de Amerikaanse versies stond daaronder: "One of a thousand", bij de Britse versies: "Limited Edition" en bij de overige 400 machines "Limited International Edition". Het donkerblauwe duozadel was in principe vrij eenvoudig, maar het was slim afgezet met een rode bies, waardoor het aanmerkelijk mooier werd. Er was veel chroomHet gebruikte chroom was niet van de beste kwaliteit. Na verloop van tijd liet het vaak los. gebruikt en de verchroomde velgen waren in het midden blauw met daarnaast dunne witte en rode biesjes. Met uitzondering van de Gemenebest-uitvoering werd elke machine verkocht met een uniek eigendomscertificaat, waardoor de Silver Jubilee een gewild verzamelaarsobject zou worden, zeker op het Europese vasteland, waar ze niet verkocht werd. Een ontbrekend certificaat vermindert de waarde aanmerkelijk. De T140J Bonneville Silver Jubilee was 150 pond duurder dan de T140V Bonneville (1.149 pond t.o.v. 999 pond) maar werd goed verkocht. Triumph T140 Saint