miniatuur|Zalving van Jezus' voeten (schilderij van Dieric Bouts, ca. 1465)De Zalving van Jezus is een verhaal in het Nieuwe Testament van de Bijbel waarin een vrouw Jezus zalft. Het wordt in de vier canonieke evangeliën (Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes) op verschillende wijzen verteld; de versie van Lucas wijkt daarbij het meest af van de andere drie en ook Johannes wijkt significant af van Matteüs en Marcus.

Zoals geldt voor alle verhalen over Jezus wordt er een verschil gemaakt tussen de religieuze betekenis in het christendom en in historische zin. De eerste betekenis wordt vooral bepaald in de theologie. De tweede betekenis valt binnen de zoektocht naar de historische Jezus, door historici die gebruik maken van de historisch-kritische methode.

Samenvatting Zalving volgens Matteüs en Marcus Volgens Matteüs en Marcus was Jezus twee dagen voor Pesach aanwezig bij een feestmaal in Bethanië, een dorp in Judea. Matteüs en Marcus schrijven dat dit gebeurde in het huis van Simon, die door Jezus van huidvraat/lepra/melaatsheid was genezen (Matteüs 8:2–3; Marcus 1:40–42) en daarom ook wel bekendstaat als 'Simon de Melaatse'.Encarta-encyclopedie Winkler Prins (1993–2002) s.v. "Betanië". Microsoft Corporation/Het Spectrum. Tijdens de maaltijd goot een vrouw onaangekondigd dure (nardus)olie over zijn hoofd uit. De synoptische evangeliën noemen geen naam van de vrouw, ze lijkt een willekeurige onbekende te zijn. Sommige aanwezigen (volgens Matteüs de discipelen) vonden dit een verspilling en dat deze olie beter verkocht had kunnen worden (Marcus noemt een bedrag van 300 denarie, Matteüs specificeert de waarde niet) om het geld aan de armen te geven. Jezus zei echter dat de vrouw een goede daad had verricht omdat hij binnenkort zou sterven en worden begraven (en daarom diende deze zalving als balseming), terwijl er na zijn dood ook altijd nog wel armen zouden zijn aan wie de discipelen geld zouden kunnen geven.

Volgens Marcus en Matteüs motiveerde dit incident Judas om naar de hogepriesters te gaan en te beloven Jezus aan hen uit te leveren in ruil voor geld. De epilogen in Marcus en Matteüs sluiten aan bij hun prologen, waarin de hogepriesters en volksoudsten (Matteüs) of schriftgeleerden (Marcus) een manier zochten om Jezus gevangen te nemen en doden buiten het Pesachfeest om om een volksopstand te voorkomen; Judas bood zich aan om dat te doen, kennelijk naar aanleiding van de Zalving van Jezus.

Zalving volgens Lucas miniatuur|Zalving van Jezus' voeten (schilderij van Dieric Bouts, ca. 1465) In het Lucasevangelie vindt de Zalving van Jezus in hoofdstuk 7 in een andere context plaats en om een andere reden. Jezus was in Galilea aan het prediken in onder meer Kafarnaüm en Naïn toen hij werd uitgenodigd voor een feestmaal bij een farizeeër die Simon heette (ook wel bekend als 'Simon de Farizeeër'). Een vrouw die in zonde leefde zocht Jezus daar op en huilde aan zijn voeteneind zodat zijn voeten nat werden. Ze droogde die en zalfde Jezus' voeten met olie. Dit leidde tot een discussie tussen Simon en Jezus. Simon verweet Jezus dat, als hij een profeet was, zou moeten weten dat de vrouw die hem aanraakte zondig was; Jezus verweet Simon een slechte gastheer te zijn en beweerde aan de hand van een parabel dat de vrouw hem beter had behandeld dan Simon hem en dat zij vergeving meer verdiende. Vervolgens vergaf Jezus de zonden van de vrouw, hetgeen de aanwezigen deed afvragen of Jezus daartoe wel het gezag had.

Wel begint hoofdstuk 22 van het Lucasevangelie met een kort verhaal dat in feite de proloog en epiloog van Matteüs en Marcus samenvoegt, zij het in wat andere bewoordingen en geheel los van de Zalving van Jezus in Galilea.

Zalving volgens Johannes In het Johannes-evangelie is er niet twee, maar zes dagen vóór Pesach sprake van een feestmaal in Bethanië (niet Galilea zoals volgens Lucas), niet bij Simon de Melaatse of Simon de Farizeeër, maar bij Lazarus, die vier dagen dood was geweest maar door Jezus tot leven was gewekt (Johannes 11:1–44); een verhaal dat niet wordt verteld door de andere drie evangeliën.

De synoptici vertellen niets over de identiteit van de vrouw, maar volgens Johannes heette ze Maria (door geleerden Maria van Bethanië genoemd ter onderscheid van andere Maria's) en was zij een zus van Lazarus en Marta. Johannes 11:1–2 veronderstelt dat de lezer al eens van deze Marta en Maria en hun dorp heeft gehoord en ook van wat deze Maria heeft gedaan, ook al wist de lezer haar naam wellicht nog niet. De auteur van het Johannes-evangelie benadrukt dat het deze Maria was die de voeten van Jezus zalfde met nardusolie en afdroogde met haar haar (hij kondigt dit al aan in vers 11:2 en vertelt het uiteindelijk in vers 12:3). Deze vertelling komt aardig overeen met Lucas' versie (hoewel deze Maria blijkbaar niet zondig was en ook niet Jezus' voeten nat huilde), maar gaat in tegen het verhaal van Marcus en Matteüs, waarin de vrouw Jezus' hoofd zalfde (en geen gebruik maakte van haar haar). Volgens Johannes vond alleen Judas Iskariot dit een verspilling en dat deze olie beter verkocht had kunnen worden voor 300 denarie (hetzelfde bedrag als volgens Marcus) om het geld aan de armen te geven; de verteller beweert echter dat Judas dit niet uit altruïsme deed, maar uit eigenbelang, omdat hij als penningmeester uit de kas stal (noch Marcus, noch Matteüs, noch Lucas beweert dit over Judas). In verkorte versie zegt Jezus ook dat deze Maria juist iets goeds heeft gedaan, omdat hij binnenkort zal sterven, terwijl er altijd armen zullen zijn voor wie de discipelen kunnen zorgen (Johannes 12:7–8).

De proloog in Johannes is ook anders: de hogepriesters en farizeeën hadden publiekelijk opgeroepen om de locatie van Jezus door te geven teneinde hem te arresteren, terwijl volgens de synoptici de hogepriesters zo bang waren voor een volksopstand dat ze hem juist stiekem uit de weg probeerden te ruimen zonder dat iemand het zou merken.

In de Johannes-epiloog zochten de hogepriesters naar een manier om Jezus en ook Lazarus te doden omdat vanwege Lazarus veel Joden in Jezus zouden zijn gaan geloven. De drie synoptische evangeliën melden überhaupt niets over Lazarus, laat staan dat hij door Jezus weer tot leven zou zijn gewekt, laat staan dat daardoor veel Joden in Jezus zouden zijn gaan geloven, laat staan dat de hogepriesters daarom plannen smeedden om ook Lazarus te doden. Johannes onthult ook dat Judas later Jezus zou gaan uitleveren (vers 12:4), maar impliceert in zijn epiloog niet dat dit incident de aanleiding ervoor was (zoals Marcus en Matteüs doen). Pas in vers 13:2 beweert Johannes dat de duivel Judas motiveerde om Jezus te uit te leveren, in tegenstelling tot de epilogen van Marcus en met name Matteüs, waarin Judas door een financiële beloning lijkt te worden gemotiveerd. Lucas 22:3–6 mengt beide motieven: Satan (de duivel) nam bezit van Judas en vervolgens nam hij het aanbod van geld voor de uitlevering van Jezus aan.

Vergelijking De zalving van Jezus in Bethanië (inclusief proloog en epiloog) wordt verteld in Matteüs 26:1–16, Marcus 14:1–11 en Johannes 11:55–12:11. De zalving van Jezus in Galilea wordt verhaald in Lucas 7:36–50; los van deze zalving, veel later in het Evangelie volgens Lucas wanneer Jezus en de discipelen in Jeruzalem zijn, wordt in Lucas 22:1–6 ongeveer hetzelfde vermeld als in de proloog en epiloog van Marcus en Matteüs. Onderstaande vergelijking is gemaakt op basis van de Nieuwe Bijbelvertaling (2004).

Matteüs Marcus Lucas Johannes Proloog Matteüs 26:1–5 Twee dagen vóór Pesach zochten de hogepriesters en volksoudsten in Kajafas' paleis een manier om Jezus te laten executeren: 'Niet tijdens het feest, want dan komt het volk in opstand.' Marcus 14:1–2 Op de dag vóór de pesachlamslacht zochten de hogepriesters en schriftgeleerden een manier om Jezus te laten executeren: 'Niet tijdens het feest, want dan komt het volk in opstand.' Lucas 22:1–2 Kort vóór Pesach zochten de hogepriesters en schriftgeleerden een manier om Jezus uit de weg te ruimen, maar heimelijk omdat ze bang waren voor de reactie van het volk. Johannes 11:55–57 Kort vóór Pesach gaven de hogepriesters en farizeeën het volk opdracht om aan te geven waar Jezus was zodat ze hem konden arresteren. Veel mensen in de Tempel zagen uit naar Jezus, maar vroegen zich af of hij nog zou komen. Zalving Matteüs 26:6–13 Jezus was bij een feestmaal bij Simon de Melaatse in Bethanië. Een vrouw goot dure olie over Jezus' hoofd uit. Discipelen zeiden: 'Wat een verspilling! Beter hadden we dat verkocht en het geld aan de armen gegeven.' Jezus: 'Laat haar met rust, ze heeft iets goeds gedaan want ik ben er straks niet meer en word begraven, terwijl de armen altijd bij jullie zijn.' Marcus 14:3–9 Jezus was bij een feestmaal bij Simon de Melaatse in Bethanië. Een vrouw goot dure nardusolie over Jezus' hoofd uit. Sommigen zeiden: 'Waar is deze verkwisting goed voor? Beter hadden we dat verkocht voor 300 denarie om aan de armen te geven.' Jezus: 'Laat haar met rust, ze heeft iets goeds gedaan want ik ben er straks niet meer en word begraven, terwijl de armen altijd bij jullie zijn.' Lucas 7:36–50 Jezus werd uitgenodigd voor een feestmaal bij Simon de Farizeeër [in de buurt van Kafarnaüm en Naïn, 7:1,11]. Daar kwam een in zonde levende vrouw, die Jezus' voeten nat huilde, met haar haar droogde, kuste en met olie inwreef. Simon: 'Als Jezus een profeet was, zou hij weten dat de vrouw die hem aanraakt een zondares is.' Jezus: 'Simon, er was eens een geldschieter aan wie een schuldenaar 500 denarie en een andere 50 schuldig was. Hij schold beide schulden kwijt; wie zal hem de meeste liefde betonen?' Simon: 'Die van het grootste bedrag?' Jezus: 'Juist. Ik ben jouw gast, maar je hebt me geen voetenwater gegeven. Deze vrouw heeft met tranen mijn voeten natgemaakt en met haar haar afgedroogd. Jij hebt me niet begroet met een kus, maar zij heeft mijn voeten gekust. Jij hebt mijn hoofd niet met olie ingewreven, maar zij mijn voeten met olie ingewreven. Daarom zijn haar zonden haar vergeven omdat ze veel liefde heeft betoond; maar wie weinig wordt vergeven, betoont ook weinig liefde.' Jezus tegen vrouw: 'Uw zonden zijn u vergeven. Uw geloof heeft u gered, ga in vrede.' Tafelgenoten dachten: 'Wie is hij, dat hij zelfs zonden vergeeft?' Johannes 12:1–8 Jezus ging 6 dagen vóór Pesach naar een feestmaal ter ere van hem bij Lazarus in Bethanië. Maria van Bethanië zalfde Jezus' voeten met dure nardusolie en droogde ze af met haar haar. Judas, die hem zou uitleveren: 'Waarom is die olie niet voor 300 denarie verkocht om het geld aan de armen te geven?' Judas bekommerde zich echter niet om de armen – hij beheerde de kas en stal eruit. Jezus: 'Laat haar, ze doet dit voor de dag van mijn begrafenis; de armen zijn immers altijd bij jullie, maar ik niet.' Epiloog Matteüs 26:14–16 Judas ging naar de hogepriesters: 'Hoeveel krijg ik als ik Jezus uitlever?' Hogepriesters betaalden Judas 30 zilverstukken. Judas zocht een geschikt uitlevermoment. Marcus 14:10–11 Judas ging naar de hogepriesters om Jezus uit te leveren. De hogepriesters beloofden geld. Judas zocht een geschikt uitlevermoment. Lucas 22:3–6 Satan nam bezit van Judas. Judas ging naar hogepriesters en tempelwachters en besprak hoe hij Jezus aan hen zou uitleveren. Hogepriesters en tempelwachters beloofden geld, Judas nam het aanbod aan. Judas zocht een geschikt uitlevermoment zonder volksophef. Johannes 12:9–11 Intussen hadden de Joden gehoord dat Jezus in Bethanië was en gingen in groten getale erheen om hem en Lazarus te bewonderen. De hogepriesters zochten naar een manier om Jezus en Lazarus te doden, want vanwege Lazarus waren veel Joden in Jezus gaan geloven.

Interpretatie Settings, personages en motieven

thumb|Volgens Lucas 7 zalfde een zondige vrouw Jezus in Naïn in Galilea. De andere drie evangeliën vertellen dat een vrouw Jezus zalfde in Bethanië in Judea; alleen Johannes noemt deze vrouw 'Maria'.