De Vrijstaat Beieren (Duits: Freistaat Bayern, Beiers: Baian, Latijn: Bavaria) is qua oppervlakte de grootste deelstaat van de Bondsrepubliek Duitsland. De deelstaat ligt in het zuidoosten van het land. De hoofdstad is München. Het huidige Beieren is ontstaan uit het historische hertogdom Beieren, dat deel uitmaakte van de Beierse Kreits.

De deelstaat telt inwoners () op een oppervlakte van km². Op had van de inwoners een niet-Duits staatsburgerschap ( niet-Duitsers) en hadden inwoners het Nederlandse staatsburgerschap.

Geschiedenis Het eerste stamhertogdom Beieren ontstond toen een Germaanse stam, de Bajuwaren, in de 6e eeuw na Christus het gebied binnenviel en er een hertogdom stichtte onder de Agilolfingen. In naam waren de Beieren christen, maar pas na de komst van priesters uit het Iers-Hallische Westen ontstond er een geloofsleven. Bonifatius werd ondersteund door hertog Odilo (734-748) en reorganiseerde of stichtte de bisdommen Regensburg, Salzburg, Freising en Passau. Hertog Tassilo III (748-788) maakte zich los van het Frankische Rijk en onderwierp de Slavische stammen in het Alpengebied. In 788 werd hij door Karel de Grote afgezet en het stamhertogdom ingelijfd bij het Frankische Rijk. Bij de opdeling van het Frankische Rijk in 843 in het Verdrag van Verdun kwam Beieren ongedeeld bij het Oost-Frankische Rijk onder Lodewijk de Duitser. Binnen het Oost-Frankische Rijk was het het kernland van de koningen.

Het tweede stamhertogdom Beieren (907)

Onder de laatste Karolingen verzwakte het centrale gezag sterk, zodat de Beierse stam het heft weer in eigen handen nam. Markgraaf Luitpold van Karinthië verwierf veel invloed. Zijn zoon Arnulf (907-937) noemde zich hertog van de Beieren en de aangrenzende gebieden. In 920 is Arnulf zelfs tegenkoning van koning Hendrik I. Pas in 938 werd het Duitse gezag in Beieren hersteld. In 947 werd de dynastie van Luitpold op een zijspoor gezet en benoemde koning Otto I zijn broer Hendrik tot hertog. Hiermee was een zijtak van het Saksische keizershuis op de hertogelijke troon gekomen. Onder hertog Hendrik II ontstond er een strijd met keizer Otto II. Hierbij werd in 976 Karinthië van Beieren losgemaakt en tot een afzonderlijk hertogdom verheven. Hertog Hendrik IV werd in 1002 als Hendrik II keizer. Hiermee kwam een einde aan de zelfstandigheid van het hertogdom. Keizer Hendrik IV droeg het hertogdom Beieren in 1070 over aan de Zwabisch-Italiaanse dynastie der Welfen. Onder deze dynastie werd Beieren weer een belangrijke politieke macht. In 1137 verwierf hertog Hendrik X ook het hertogdom Saksen en verder uitgestrekte bezittingen in Toscane. Na de verkiezing van hertog Koenraad van Zwaben tot koning in 1138 brak de strijd tussen de twee machtige vorsten uit. In 1139 ontnam de koning Hendrik zijn Beierse hertogdom en verleende het aan zijn halfbroer Leopold van Babenberg, markgraaf van Oostenrijk. In 1156 krijgt de Welf Hendrik de Leeuw het hertogdom Beieren terug in een verkleinde vorm: het markgraafschap Oostenrijk werd tot een afzonderlijk hertogdom verheven.

Het hertogdom Beieren onder het huis Wittelsbach (1180)

In 1180 werd Hendrik de Leeuw, hertog van Beieren en Saksen, door de keizer afgezet en verbannen. Stiermarken werd vervolgens losgemaakt van Beieren en tot een afzonderlijk hertogdom verheven. Het verkleinde hertogdom Beieren werd overgedragen aan Otto van Wittelsbach. Zijn nakomelingen zouden tot 1918 aan de regering blijven. De hertogelijke macht is in Beieren na 1180 sterk geslonken: de graven en bisschoppen zijn vrijwel onafhankelijk geworden van de hertog. In 1214 werd door het huwelijk van hertog Otto II met Agnes van de Palts het paltsgraafschap aan de Rijn verworven. Dit gebied grensde niet aan Beieren en hield een afzonderlijke geschiedenis.

Het hertogdom Beieren na de deling van 1255 Na de dood van hertog Otto II in 1253 deelden zijn zonen in 1255 de bezittingen van het huis Wittelsbach, waarbij Lodewijk II Opper-Beieren en het paltsgraafschap aan de Rijn met de keurvorstelijke waardigheid verwierf, terwijl Hendrik XIII Neder-Beieren kreeg.

Na de dood van de laatste mannelijke telg uit het vorstengeslacht Hohenstaufen, Konradijn in 1268, erfden de hertogen van Beieren een groot deel van de landen van de Hohenstaufen, met onder andere het graafschap Dillingen en de stad Donauwörth. Na de dood van de beide broers volgt een verdere versplintering van het hertogdom.

Hertog Lodewijk van Opper-Beieren werd in 1294 opgevolgd door zijn zonen Rudolf I en Lodewijk IV.

Hertog Hendrik I van Neder-Beieren werd in 1290 opgevolgd door zijn zonen Otto III samen met Lodewijk III en Stefanus I.

Hertog Lodewijk IV had een grote invloed op de Beierse en de Duitse geschiedenis. In 1314 werd hij tot Duits koning gekozen, terwijl zijn broer Rudolf op de tegenpartij stemde. In 1317 werd Rudolf uit München verdreven en door de overwinning bij Mühldorf in 1322 werd de Duitse troonstrijd ten gunste van Lodewijk de Beier beslist. In 1329 werd het huisverdrag van Pavia gesloten. De zonen van de inmiddels overleden keurvorst Rudolf kregen het paltsgraafschap aan de Rijn en het grootste deel van de Beierse Noordgouw (Opper-Palts) toegewezen. De keurvorstelijke waardigheid ging wisselen tussen beide linies.

Nadat in 1340 de hertogen van Neder-Beieren waren uitgestorven werd hun land herenigd met Opper-Beieren in een onverdeeld hertogdom.

Ook buiten Beieren verwierf de dynastie onder keizer Lodewijk vorstendommen: in 1324 het markgraafschap Brandenburg en in 1342 het graafschap Tirol en in 1346 volgden de graafschappen Holland, Zeeland, Friesland en Henegouwen.

Het hertogdom Beieren na de deling van 1349 Na de dood van keizer Lodewijk de Beier in 1347 verdeelden zijn zoons in 1349 en 1353 hun bezittingen tijdens de tweede Beierse deling via het verdrag van Landsberg. Het gebied werd opgedeeld, waarbij Lodewijk V, keurvorst van Brandenburg (1324-1351), door zijn huwelijk met gravin Margaretha van Tirol, graaf van Tirol werd. Neder-Beieren, geregeerd door Stefanus II, en Beieren-Straubing, geregeerd door Willem I en Albrecht I. In december 1351 stond Lodewijk V het markgraafschap Brandenburg af aan zijn jongere broers Lodewijk VI en Otto, in ruil voor de alleenheerschappij in Opper-Beieren. Lodewijk V regeerde vanaf dan enkel over Opper-Beieren en Tirol en resideerde afwisselend in München en Meran.

Door de Gouden Bul van 1356 ging de keurvorstelijke waardigheid verloren die exclusief aan de oudere linie in de Palts kwam. In 1363 ging Tirol aan het huis Habsburg verloren en in 1373 Brandenburg aan het huis Luxemburg.

Na de dood van Otto V van Beieren in 1379 bleven er nog twee linies over: Albrecht, hertog van Beieren-Straubing en graaf van Holland, Zeeland en Henegouwen, en de zonen van Stefanus II, die de rest kregen van het voormalige hertogdom Beieren verdeeld in Opper- en Neder-Beieren.

Het hertogdom Beieren na de deling van 1392 In 1392 kwamen de drie zonen de derde Beierse deling overeen, waarbij Stefanus III Beieren-Ingolstadt, Frederik Beieren-Landshut kreeg en Johan Beieren-München kreeg.

Na het uitsterven van Beieren-Straubing in 1425 met de dood van Jan van Beieren, voormalig prins-bisschop van Luik, werd 4 jaar lang getwist over dit gebied. Met de Arbitrage van Bratislava (1429) besliste keizer Sigismund tot opsplitsing van Beieren-Straubing: Beieren-München kreeg de helft en Beieren-Ingolstadt en Beieren-Landshut kregen ieder een kwart. Na het uitsterven van Beieren-Ingolstadt in 1447 werd dit gebied verenigd met Beieren-Landshut.

De Landshuter Successieoorlog brak in 1503 uit, omdat de laatste hertog van Beieren-Landshut, zijn land in strijd met de huisverdragen niet had vermaakt aan de hertog van Beieren-München, doch aan zijn schoonzoon, paltsgraaf Ruprecht van de Palts. De oorlog werd omvangrijk omdat het koninkrijk Bohemen zich verbond met de Palts en Beieren-München met het Hertogdom Württemberg, het Ansbach en de Rijksstad Neurenberg.

In 1505 werd de oorlog beëindigd met zogenaamde de Kölner Schiedsspruch. Een deel van het voormalige Beieren-Landshut ging daarbij verloren, waarbij Oostenrijk het land bij de Mondsee met het graafschap rond Kitzbühel, Kufstein en Rattenberg kreeg, Württemberg de heerlijkheid Heidenheim, de rijksstad Neurenberg de ambten Altdorf, Hersbruck en Lauf en de zonen van paltsgraaf Ruprecht kregen Neuburg, Höchstädt, Monheim, Hilpoltstein, Burglengenfeld en Sulzbach. Deze gebieden vormden het nieuwe vorstendom Palts-Neuburg.

Tijdens de godsdienststrijd speelde Beieren een leidende rol aan de katholieke zijde. De bezetting van de evangelische rijksstad Donauwörth in 1607 was een van de opmaten voor de Dertigjarige Oorlog.

Keurvorstendom Beieren (1623)

Tijdens de Dertigjarige Oorlog leidde Beieren de Katholieke Liga. In de Boheemse opstand steunde het keizer Ferdinand II. Nadat de troepen van de keizer en de Liga in 1620 de keurvorst van de Palts hadden verdreven uit Bohemen en zijn stamlanden liet Beieren zich belonen voor de hulp. Op de Regensburgse deputatendag van 1620 kreeg de hertog voorlopig de keurvorstelijke waardigheid, die tot dan toe met het Paltsgraafschap aan de Rijn was verbonden. Verder werd het vorstendom Opper-Palts aan Beieren overgedragen als betaling voor de oorlogskosten. In 1628 werd de keurwaardigheid definitief. In de Westfaalse Vrede van 1648 bleven de Opper-Palts en de keurwaarde bij Beieren.

Na de dood van de Habsburgse Keizer Karel VI verbrak keurvorst Karel Albrecht zijn belofte aan de Pragmatieke Sanctie en liet zich in 1742 verkiezen als keizer Karel VII Albrecht. Oostenrijk bezette daarop München en het land ondervond slechts nadelen van de verkiezing tot keizer. In 1745 stierf de keizer en zijn zoon Maximiliaan III Jozef sloot direct met Oostenrijk de vrede van Füssen.

Beierse Successieoorlog Met de dood van Max III Jozef in 1777 stierf het Beierse hertogelijke Huis uit. Erfgenaam was de keurvorst van de Palts, Karel Theodoor. Hierdoor werden de beide keurvorstendommen verenigd. Op grond van de bepalingen in voornoemde Vrede van Westfalen werd nu de keurvorstelijke waardigheid van de Palts opgeheven. De Habsburgers vonden dat zij evenveel recht hadden op Beieren. Met de conventie van Wenen in 1778 stond Karel Theodoor Neder-Beieren en Opper-Palts af aan Oostenrijk in ruil voor Voor-Oostenrijk en een financiële compensatie. Verder werd de mogelijkheid open gehouden om de rest van Beieren tegen de Zuidelijke Nederlanden te ruilen. De verenigde landen werden aangeduid als het keurvorstendom Palts-Beieren. De nieuwe vorst verhuisde van Mannheim naar München. Pruisen, dat tegen elke prijs een uitbreiding van het Roomse Rijk wilde verhinderen, verklaarde Oostenrijk de oorlog: de Beierse Successieoorlog. Toen in 1779 Russische deelname aan de oorlog dreigde, gaf Oostenrijk toe. In de Vrede van Teschen van 1779 werd de conventie van Wenen geannuleerd. Alleen de Innviertel bleef overgedragen aan Oostenrijk. In 1785 richtte Frederik II van Pruisen de Vorstenbond op, als tegengewicht voor het Roomse Rijk.

Napoleontische tijd In 1797 en 1801 gingen alle bezittingen op de linker Rijnoever verloren aan Frankrijk en werden het departement Mont-Tonnerre. In 1799 stierf de dynastie opnieuw uit. Het keurvorstendom Palts-Beieren kwam aan de hertog van Palts-Zweibrücken, in de persoon van Maximiliaan I Jozef. Hij was tot nu toe een vorst zonder land, want Zweibrücken was in 1797 door Frankrijk ingelijfd.

Reichsdeputationshauptschluss in 1803