Brabant kende een vroege en sterke constitutionele traditie die de rechten van het land tegenover de hertogen op schrift stelde. Gebruikmakend van geldnood en momenten van dynastieke onzekerheid dwongen de Brabanders rechten af die grenzen stelden aan de vorstelijke macht en hen inspraak gaven in het beleid. De rechten werden vastgelegd in charters als de Keure van Kortenberg (1312) en de Blijde Inkomst (1356). Ze bekwamen medezeggenschap via een standenvertegenwoordiging en een weerstandsrecht om zich te verdedigen tegen schendingen van de als contractueel geconcipieerde verhouding met de landsheer. De oude constituties werden definitief afgeschaft in de Franse Tijd aan het einde van de 18e eeuw, toen de Belgische departementen onder de Franse grondwet en het Franse parlement kwamen.

Geschiedenis In Brabant was het centrale gezag aanvankelijk beperkt omdat de graaf van Leuven zijn positie en territorium slechts geleidelijk kon uitbreiden.Jelle Haemers en Bram Vannieuwenhuyze, "Het Charter van Kortenberg en de constitutionele geschiedenis van Brabant", in: Eigen schoon en De Brabander, 2013, nr. 1, p. 17 Zoals elders kenden de hertogen in de 12e en vooral de 13e eeuw stadsrechten toe (doorgaans 'vrijheden' genoemd) waardoor individuele steden verregaande bevoegdheden verwierven.Overzicht in Philippe Godding, "Le pouvoir urbain en Brabant au Moyen Age" in: Wavre, 1222-1972. 750e anniversaire des libertés communales, 1973, p. 95-122 Wanneer deze bevoegdheden niet werden gerespecteerd, kwamen de steden in het verweer door dienst te weigeren. Dit gebeurde bijvoorbeeld in 1194.Leuven, Brussel, Antwerpen, Tienen, Zoutleeuw, Nijvel, Gembloers en Geldenaken sloten zich toen aaneen om zich te verzetten als de hertog verdragen zou schenden. Zie: Jelle Haemers en Bram Vannieuwenhuyze, "Het Charter van Kortenberg en de constitutionele geschiedenis van Brabant", in: Eigen schoon en De Brabander, 2013, nr. 1, p. 17

Omdat hertog Hendrik II in 1248 een vroege dood voelde naderen en hij zich niet zeker wist dat de opvolging door zijn jonge zoon zou worden aanvaard, maakte hij een politiek testament waarin hij zijn onderdanen rechtszekerheid en billijke rechtspraak toezegde.G. Boland en E. Lousse, "Le testament d'Henri II, duc de Brabant", in: Revue historique du droit français et étranger, 1939, XVIII, p. 348-387 We mogen aannemen dat dit zaken waren waarover onvrede heerste en waarover de steden hem hadden benaderd.Wim Blockmans, Medezeggenschap. Politieke participatie in Europa vóór 1800, 2020, p. 107 Hij beloofde dat iedereen zou worden behandeld "volgens recht en vonnis" door de geëigende rechters, stelde fiscale verlichting in het vooruitzicht en beperkte de bevoegdheden van zijn ambtenaren. Hendrik III de Zachtmoedige, die daardoor vlot aan de macht kwam, volgde op dertigjarige leeftijd het voorbeeld van zijn vader toen ook hij de dood in zicht had.Mina Martens, A propos des testaments d'Henri II (22 janvier 1248) et d'Henri III (26 février 1261), ducs de Brabant, in: Revue belge de Philologie et d'Histoire, 1944, p. 289-294 Zijn testament van 1261 bevatte toezeggingen in de lijn van die van dertien jaar eerder.G. Boland, "Le testament d'Henri III, duc de Brabant", in: Revue d'Histoire Ecclésiastique, 1942, XXXVIII, p. 59-96 Geen beden zouden worden gevraagd tenzij in de vier klassieke gevallen. Toch was het lot van Brabant onzeker doordat de minderjarige troonopvolger Hendrik lichamelijk en geestelijk onbekwaam was. Onder impuls van Leuven en Brussel vormden de steden door bilaterale akkoorden een stedenbond om de territoriale integriteit van het hertogdom te verdedigen.G. Boland, Les deux versions du pacte d'alliance des villes brabançonnes de 1261-1262, in: Revue belge de Philologie et d'Histoire, 1944, p. 281-289Félicien Favresse, "Actes intéressant la ville de Bruxelles (1154-2 décembre 1302)", in: Bulletin de la Commission royale d'histoire, 1938, p. 423-425. In een vergadering van abten, edelen en steden erkenden ze hertogin Aleidis van Bourgondië als regentes, en enige tijd later zorgden ze ervoor dat de tweede zoon Jan in 1267 het hertogdom kon overnemen.

Een volgende stap vond plaats in de jaren 1290-1293. Onder meer door zijn expansiepolitiek, die succes had opgeleverd in de Slag bij Woeringen, kwam hertog Jan I van Brabant in geldnood. Buitenlandse schuldeisers begonnen hun vorderingen op de handelaars uit Brabant te verhalen en namen hun waar in beslag. Weer vormden de steden een bond om de hertog verenigd tegemoet te treden. In ruil voor het goedkeuren van uitzonderlijke beden waarmee hij zijn schulden kon aanzuiveren, verleende de hertog een hele reeks charters met uitgebreide rechten. Dit gebeurde voor iedere stad afzonderlijk,Er zijn oorkonden bewaard van 1291 tot 1293 voor een tiental steden. maar in teksten die telkens zeer gelijkluidend waren.Raymond van Uytven, Standenprivilegies en -beden in Brabant onder Jan I (1290-1293), in: Revue belge de Philologie et d'Histoire, 1966, nr. 2, p. 413-456 Ook de abdijen en kloosters droegen bij, in ruil waarvoor de geestelijkheid een algemeen privilege kreeg dat hen voor acht jaar vrijstelde van uitzonderlijke beden. De Brabantse adel stemde toe in een vermogensbelasting van 5%, te betalen door alle eigenaars van een heerlijkheid, behalve de ridders en schildknapen. In een charter van 24 maart 1293 garandeerde de hertog hen dat een dergelijke bede zich niet zou herhalen.Afgedrukt in H.P.H. Camps, Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312, vol. I, 1979, p. 594-597 Het slotartikel bepaalde dat zijn leenmannen bij niet-naleving hem of zijn opvolgers alle dienst mochten weigeren, zowel militaire bijstand als het spreken van recht. Deze passieve weerstand in de vorm van legitieme ongehoorzaamheid kaderde binnen het feodale recht en kreeg hier voor het eerst in Brabant schriftelijk vorm, wat toelaat een orale ontwikkeling voordien te veronderstellen.Robert Stein, "74 Woorden die het verschil maken. Over de ontwikkeling van het Brabantse recht van weerstand", in: Noordbrabants historisch jaarboek, 2012, p. 51 De clausule ging echter nog verder door ook de rechters en bestuurders van de steden te laten delen in de dienstweigering wanneer de hertogelijke eed tegenover de adel niet zou worden gerespecteerd.Dit richtte zich tot de rechters, gezworenen, schepenen, dekens, baljuws enz. van de "goede steden" Leuven, Brussel, Antwerpen, 's Hertogenbosch, Tienen, Nijvel, Zoutleeuw, Geldenaken "en alle andere". Dit fundamentele recht werd voor het eerst in de Europese geschiedenis zo breed toegekend,Wim Blockmans, Medezeggenschap. Politieke participatie in Europa vóór 1800, 2020, p. 108 maar de context bleef wel feodaal. Ook werden de standen nog gescheiden benaderd.

Opnieuw was het vrees voor dynastieke discontinuïteit die hertog Jan II er in 1312 toe bracht een grote stap te zetten in de Brabantse constitutie. Voor hij naar Parijs vertrok voor een niersteenoperatie, hechtte hij zijn zegel aan de Keure van Kortenberg. Na onderhandeling met de steden en in mindere mate de edelen, was een echt landcharter tot stand gekomen dat zich richtte tot de twee wereldlijke standen (de geestelijkheid genoot eigen privileges), met inbegrip van "onze goede lieden van de steden, kleine en grote". Elders gaat het over "onze lieden, rijke en arme". Dit charter, dat de bestaande rechten bevestigde en uitbreidde, was niet meer in het Latijn maar in het Nederlands gesteld. Op institutioneel vlak werd geïnnoveerd door de Raad van Kortenberg in te stellen, een veertienkoppig toezichtsorgaan dat zou oordelen over schendingen van het charter. De weerstandsclausule was ruimer dan in 1293 en stelde zonder omwegen dat geen dienst, hulp of onderdanigheid verschuldigd was tot een vastgestelde schending zou zijn hersteld. Daarmee werd dit fundamentele recht definitief uit de feodale context gelicht.

Deze toegevingen konden niet voorkomen dat Brabant in een precaire positie kwam toen de hertog aan de gevolgen van zijn operatie overleed. De buitenlandse schuldeisers roerden zich en de steden waren ontevreden over de adellijke regenten die het bestuur waarnamen voor de minderjarige Jan III. Een nieuw verbond van de zeven goede steden wist in ruil voor financiële toezeggingen het regentschap naar zich toe te trekken. Het bestuur van hun vertegenwoordigers, aangevuld met twee edellieden uit de hertogelijke raad, duurde van 1314 tot 1320. Bij hun aantreden in 1314 werden twee nieuwe regelingen getroffen: het Waals Charter bevatte tijdelijke maatregelen met het oog op schuldsanering, het Vlaams Charter voerde meer permanente vernieuwingen in, onder meer door de steden controle te geven over de muntslag. Ook mochten meiers en houtvesters niet meer voor het leven worden benoemd. Net als het Charter van Kortenberg richtten deze akten zich tot alle onderdanen, met uitzondering van de geestelijke stand.

Hoewel de Raad van Kortenberg nog een tweetal decennia dode letter bleef, ontplooiden de standen een grote activiteit. Informeel en binnen de Staten van Brabant kwamen ze geregeld bijeen over kwesties als monetair beleid, fiscaliteit, rechtszaken, enz. Vooral de vier hoofdsteden waren de motor achter dit overleg, dat in de regeerperiode van Jan III gemiddeld veertien keer per jaar plaatsvond. Ze waren dan ook klaar om te reageren toen de Honderdjarige Oorlog uitbrak tussen Engeland en Frankrijk. Onder impuls van de steden werden verdragen afgesloten met de naburige gewesten om de onderlinge vrede en de economische belangen te beschermen. Het Brabants-Vlaams verdrag van 1339 was een Engelsgezinde militair-economische unie die werd uitgevaardigd door de hertog en de graaf. Het had een constitutionele draagwijdte, zoals blijkt uit de weerstandsclausule en uit de bepaling die oorlogsverklaringen afhankelijk stelde van overleg met de steden. Het Brabants-Luiks verdrag van 1347 werd enkel gesloten tussen de vier grote steden. De Gouden Bul van 1349 verleende gerechtelijke immuniteit binnen het Heilig Roomse Rijk.

Een nieuwe stedenbond zag het licht in 1355: 44 steden uit Brabant, Limburg en de Landen van Overmaas wensten zich voor te bereiden op de opvolging van hun hertog Jan III, die drie dochters met ambitieuze echtgenoten naliet. De steden wensten het behoud van de territoriale integriteit en van hun rechten, zonder zich uit te spreken wie van de dochters ze als opvolger zagen. De Staten stelden een eisenbundel van 36 artikels op, die na zware onderhandelingen werd aanvaard door de oudste dochter Johanna van Brabant en haar echtgenoot Wenceslas van Luxemburg. Ze legden in 1356 de eed af op dit inhuldigingscharter, dat bekend raakte als de Blijde Inkomst. Onder meer de oorlogspolitiek werd onderworpen aan het consent van de Staten. Behalve misschien de Engelsen had geen enkel Europees volk zo'n verregaande constitutie op schrift weten te bekomen. Het landcharter richtte zich zonder onderscheid van stand tot onse goede liede van onsen lande van Brabant.

Deze verworvenheid werd nog hetzelfde jaar teniet gedaan door het militaire succes van de Vlaamse graaf Lodewijk van Male, die op grond van de aanspraken van zijn echtgenote Margaretha van Brabant – de zus van Johanna – het hertogdom binnenviel. Brussel en Leuven werden bezet en toonden zich bereid Lodewijk in te zweren als hertog. Johanna en Wenceslas wisten dit uiteindelijk toch te verhinderen. Door de Vrede van Aat verloor Brabant weliswaar het markgraafschap Antwerpen en de heerlijkheid Mechelen aan de Vlaamse graaf, maar ze behielden hun hertogdom. Door de eedbreuk van de steden verloor de Blijde Inkomst evenwel haar rechtsgeldigheid. De Brabanders vielen terug op de charters van 1312-1314. Ook na die tegenslag behielden de standen grote invloed tijdens het lange leven van hertogin Johanna, en na de dood van Wenceslas in 1383 werd hun macht nog directer.