De blauwvoetmycena (Mycena cyanorhiza) is een kleine paddenstoel uit de familie Mycenaceae. De soort is vooral herkenbaar aan de opvallend hemelsblauwe tot cyaanblauwe basis van de steel. Het is een saprotrofe soort die op dood hout groeit.
Kenmerken Uiterlijke kenmerken De hoed heeft een diameter van ongeveer 2–5 mm, soms tot 10 mm. Hij is aanvankelijk bolvormig en wordt later halfbolvormig, paraboolvormig tot gewelfd. Het centrum kan enigszins ingedeukt zijn of juist een kleine papil dragen. Het oppervlak is doorschijnend gestreept en fijn berijpt, maar wordt later vrijwel kaal. De hoed bezit een dunne, afscheurbare gelatineuze huid. De kleur varieert van bleekbruin tot bleekgrijs, meestal met een donkerder centrum, en wordt bij oudere vruchtlichamen vaak vrijwel wit.
De lamellen zijn witachtig tot bleekgrijs. Ongeveer 9–14 lamellen bereiken de steel. De lamelsnede is witachtig en vormt een taaie, elastische draad die van de lamel kan worden losgetrokken.
De steel is ongeveer 5–30 mm lang, bij uitzondering tot circa 70 mm, en 0,5–1 mm dik. Hij is dun, hol en vaak gebogen. De kleur is bleekgrijs tot vrijwel doorschijnend wit. De steelbasis is enigszins verdikt, behaard en karakteristiek hemelsblauw; ook het vlees in de basis kan blauw gekleurd zijn. Vanuit de basis lopen fijne witte vezels over het substraat.
De soort heeft geen opvallende geur. De sporenprint is wit.
Microscopische kenmerken De basidiosporen zijn glad, amyloïde, pitvormig tot enigszins langwerpig en meten ongeveer 6,5–9 × 4–5 µm. De basidia zijn viersporig en meten ongeveer 18–25 × 6,5–11 µm.
De cheilocystiden meten ongeveer 9–20 × 5,5–7 µm. Ze zijn knotsvormig tot omgekeerd peervormig, liggen ingebed in een gelatineuze laag en dragen enkele eenvoudige tot vertakte uitsteeksels. Pleurocystiden ontbreken. Gespen zijn in alle weefsels aanwezig.
Gelijkende soorten De blauwvoetmycena kan worden verward met de kleefsteelmycena (Mycena amicta), die eveneens een blauwachtige of blauwgroene steelbasis kan hebben. M. amicta is gewoonlijk groter en donkerder en heeft een opvallender wit behaarde steel. Ook verschillen beide soorten microscopisch in onder meer de vorm van de cheilocystiden. Bij de blauwvoetmycena vormt de lamelsnede bovendien een karakteristieke taaie, gelatineuze draad.
De blauwe kleur aan de steelbasis kan bij de blauwvoetmycena soms zwak ontwikkeld zijn of vrijwel ontbreken. In dergelijke gevallen zijn de overige macro- en microscopische kenmerken belangrijk voor de determinatie.
Ecologie De blauwvoetmycena leeft als saprotroof op dood hout. In Noord-Europa wordt de soort onder meer gevonden op schors en sterk vergaan hout van naaldbomen, vooral den (Pinus), en soms op kleine stukken schors die tussen gras verborgen liggen. Daar lijkt de soort een voorkeur te hebben voor kalkrijke of anderszins basische bodems. De vruchtlichamen verschijnen vooral van de late zomer tot in de herfst.
Voor Nederland vermeldt de NDFF Verspreidingsatlas vooral dood hout in voedselarme loofbossen op zandgrond en een associatie met loofbomen en struiken.
Taxonomie De soort werd in 1875 door de Franse mycoloog Lucien Quélet beschreven als Mycena cyanorhiza. In oudere literatuur wordt de naam ook gespeld als Mycena cyanorrhiza.
Op grond van moleculair-fylogenetisch onderzoek werd de soort in 2025 overgebracht naar het geslacht Basidopus, onder de naam Basidopus cyanorhizus. Species Fungorum accepteert Basidopus cyanorhizus als de geldige naam en beschouwt Mycena cyanorhiza als een synoniem. De Nederlandse Mycologische Vereniging gebruikt in de NDFF Verspreidingsatlas de naam Mycena cyanorhiza.
Verspreiding In Nederland is de blauwvoetmycena 'zeer zeldzaam'. De soort is op de Nederlandse Rode Lijst van paddenstoelen uit 2008 opgenomen in de categorie 'Gevoelig'. In het Overzicht van de Paddestoelen in Nederland uit 1995 werd slechts een vindplaats bij het Sprielderbos bij Putten uit 1974 genoemd.
Categorie:Mycenaceae Categorie:Schimmelsoort