De Stridsvagn 103 of Strv 103, ook wel de S-Tankfrom the procurement name, see history section. genoemd, is een naoorlogse Zweedse tank. De tank werd ontwikkeld in de jaren '50 en was de eerste gevechtstank ter wereld met een turbine en de enige tank sinds de Tweede Wereldoorlog zonder koepel. In tegenstelling tot gebruikelijke gevechtstanks had de Strv 103 geen koepel, maar was het kanon vast in de romp ingebouwd. Doordat het kanon niet kon bewegen was de S 103 zelfs ongebruikelijk in vergelijking met andere gevechtvoertuigen zonder koepel, zoals tankjagers zoals de Duitse Jagdpanzer IV uit de Tweede Wereldoorlog en de naoorlogse de Duitse Kanonenjagdpanzer en gemechaniseerd geschut zoals de Duitse Sturmgeschütz III en de Sovjet-Russische SU-122 uit de Tweede Wereldoorlog. Om het kanon te kunnen richten moet het gehele voertuig bewogen worden. Het was een zeer laag voertuig, met een groot overlevingsvermogen en uitstekende bescherming van de bemanning. De Strv 103 vormde een belangrijk deel van de Zweedse strijdkrachten van eind jaren '60 tot eind jaren '90, toen ze evenals de Zweedse Strv 101, Strv 102 en Strv 104 Centurions , werden vervangen door de Leopard 2 varianten Stridsvagn 121 en Stridsvagn 122.Strv 121 & strv122

Terwijl de meeste gepantserde gevechtsvoertuigen zonder koepel geclassificeerd worden als gemechaniseerd geschut of tankjagers, wordt de Strv 103 beschouwd als een tank, omdat hij is ontwikkeld voor dezelfde rol die ‘gewone’ tanks hebben.

Geschiedenis thumb|Strv 103 Halverwege de jaren '50 zocht de Kungliga Arméförvaltningen (KAF), de materieelafdeling van het Zweedse leger een moderne tank om de Zweedse Centurions te vervangen. Een Zweeds consortium bestaande uit Landsverk, Volvo en Bofors kwam met het voorstel voor de KRV (‘E-tank’), een aanpassing van een eerder ontwerp voor een zware tank met een 155 mm kanon met gladde loop in een oscillerende koepel. Dit ontwerp zou echter te duur worden vergeleken met de alternatieven: Alternativ A of A-tank (waarbij ‘A’ staat voor “Anglo-Amerikaans”), het aanschaffen van een Britse of Amerikaanse tank van ± 50 ton met goede bepantsering en redelijke mobiliteit, en Alternativ T of T-tank (waarbij ‘T’ staat voor “Tysk-Fransk” (Duits/Frans)), een Duitse of Franse tank van ± 30 ton met matige bepantsering en goede mobiliteit. In 1956, stelde het hoofd van de Grupp Pansarfordon (‘Groep Pantservoertuigen’) van het Kontrollbyrån at Tygavdelningen på Kungliga Arméförvaltningen (KAF T) (‘Bureau Inspectie van de materieelafdeling van het Zweedse leger‘) Sven Erik Berge (1919-2004) het Alternativ S of S-tank voor, een Zweedse optie ‘S’ staat voor “Svensk” (Zweeds).

Ontwikkeling thumb|Strv 103 prototype Studies van rapporten uit de Tweede Wereldoorlog en de Koreaanse oorlog wezen uit dat het risico voor een tank om geraakt te worden sterk gerelateerd was aan de hoogte, en dat meer dan de helft van de tankverliezen veroorzaakt werd doordat de koepel geraakt werd. Berge concludeerde daarom dat een nieuw ontwerp zo laag mogelijk moet zijn. Zijn radicale oplossing was het weglaten van de koepel, die immers ook een kwetsbaar punt zou vormen. Het weglaten zou de tank bovendien veel lichter maken. Het uiteindelijke ontwerp, de Strv 103, was met 2,14 m niet veel lager dan zijn meest waarschijnlijke tegenstander, de T-62 die inclusief koepel slechts 2,20 m hoog was. Aan de andere kant torenden de Zweedse Centurions met hun 2,94 m-3,01 m boven beide uit. De T-62 had door zijn lage profiel echter een extreem krap interieur en het kanon kon amper declineren. Tanks worden vaak ingezet in rompgedekte posities, bijvoorbeeld in een gegraven opstelling of achter natuurlijke terreinverhogingen, om een minder groot doel voor vijandelijk vuur te vormen. Hoe kleiner de afstand tussen de onderkant van de schietbuis tot de bovenkant van toren of voertuig en hoe groter de declinatiehoek, hoe beter.

Berge was bekend met zowel de precisie-transmissie van de Franse Char B1 als met het wendvermogen en de gevechtsprestaties van de Duitse Jagdpanzer- en Sturmgeschütz-series met korte loopwerken en deze inspireerden hem om het richtprobleem op te lossen door het gebruik van een volledig geautomatiseerd transmissie- en veersysteem, waarmee de schutter de tank nauwkeurig kon draaien en kantelen. Omdat het kanon vast aan de romp zou worden bevestigd was het onmogelijk om een gestabiliseerd kanon te gebruiken, en kon de tank niet tegelijkertijd nauwkeurig bewegen en vuren, maar de Zweedse ervaring met Centurions suggereerde dat, dat tanks om met een acceptabele precisie te kunnen vuren toch tot stilstand zouden moeten komen. Ze verwachtten – ten onrechte – dat er op korte termijn geen grote verbeteringen in stabilisatietechnologie te verwachten waren.

Andere kenmerken van de tank waren ook behoorlijk radicaal. Het getrokken kanon, een Bofors 105 mm L74 met een looplengte van 62 kalibers, zou uitgerust zijn met een automatische laadinrichting die een vuursnelheid van 20 schoten per minuut mogelijk maakt, en waardoor de bemanning ook tot twee kon worden gereduceerd; een schutter/chauffeur en de commandant (de meeste tanks in die periode hadden een bemanning van vier), waarbij beide bemanningsleden alle functies van de tank vanuit zijn positie kon bedienen dankzij dubbele bedieningselementen. Dit zou in principe alleen in noodsituaties nodig zijn, maar afgezien van het bieden van redundantie, stelde het de bemanning ook in staat om taken van elkaar over te nemen. Het concept was interessant genoeg en Bofors kreeg opdracht om een prototype te bouwen van de ophanging / aandrijflijn. Het prototype onderging praktische beproevingen, waaruit al snel bleek dat een tweekoppige bemanning niet in staat zou zijn alle taken die niet direct verband houden met het bedienen van de tank: met name het routineonderhoud, bivakkeren, wisselen van rupsbanden en munitie bunkeren te velde. Daarom werd besloten dat er een derde bemanningslid nodig was. Deze werd aangewezen als bestuurder voor het achteruit rijden en als radio operator. Zijn werkpositie was achterwaarts gericht en was uitgerust met alle apparatuur die nodig was om te rijden. Hierdoor kon de tank met dezelfde snelheid achteruit rijden, waarbij het sterke frontpantser naar de vijand bleef gericht. Ook werd de commandant ontlast van het bedienen van de radio. De commandant en de schutter/chauffeur hadden beide dezelfde vizieren en bedieningselementen om het kanon te bedienen en de tank te besturen. De commandant was in staat de schutter te overrulen en zelf een doel bestrijden. De commandant zat rechts van het kanon, de schutter/bestuurder en de radio-operator zaten links, rug-aan-rug.

Een ander uniek kenmerk van de tank was de aandrijving door twee verschillende soorten motoren, een 240 pk Rolls-Royce K60 tegenoverliggende-zuiger dieselmotor voor langzaam rijden en het manoeuvreren van de tank bij het richten, en een 300 pk Boeing 502 gasturbine voor extra vermogen bij veplaatsingen met hogere snelheid of in zwaar terrein. Dit type combi-aandrijving werd later in maritieme configuraties CODAG (COmbined Diesel And Gas) genoemd. De gasturbinemotor bleek al snel te weinig kracht te hebben en werd nadat er 70 tanks waren geproduceerd vervangen door een Caterpillar-gasturbine die 490 pk leverde. De tanks met Caterpillar motor werden Strv 103B genoemd. De reeds gebouwde voertuigen, die nu Strv 103A werden genoemd, werden gemodificeerd tot Strv 103B en kregen ook de nieuwe motor. Dit was het eerste gebruik van een turbinemotor in een productietank. Later zouden de Sovjet-Russisch T-80 en de Amerikaanse M1 Abrams worden gebouwd met gasturbinemotoren.

De Strv 103 was na voorbereidingen volledig amfibisch. Een flotatiescherm kon in ongeveer 20 minuten rond de bovenkant van de romp kunnen worden geplaatst en de rupsbanden stuwden de tank met ongeveer 6 km/h (3,24 kt) door water voort. Bij het varen stond de chauffeur linksachter op het voertuig zodat hij over het scherm heen kon kijken. Hij bestuurde de tank met een Afstandsbediening#Bedrijfsmatige toepassingen, de zogenaamde "simning grepp".

In ieder peloton was één tank uitgerust met een dozerblad dat onderaan de voorzijde van de romp bevestigd was. Het moest buiten tank handmatig worden neergelaten en in werkstand worden vergrendeld met pennen en steunpoten. Met het dozerblad kon het voertuig bijvoorbeeld vuuropstellingen graven voor het peloton, loopgraven vullen zodat ze gemakkelijker overschreden konden worden, etc. Daarna werd het blad handmatig teruggezet en vergrendeld in de positie onderaan de voorzijde van de romp. Bij de modificatie van de tanks tussen eind 1985 en eind 1989 tot Strv 103C werden alle tanks voorzien van een dozerblad, zowel om de werkzaamheden te versnellen als voor een betere bescherming van de onderromp.

Constructie De Strv 103 bestaat uit de gepantserde romp met daarin aan de voorzijde de motoren, daarachter de gevechtsruimte en achterin het automatische laadsysteem en de munitie. De dieselmotor is rechtsvoor in de romp geplaatst, de turbinemotor links. Achter op de tank waren twee opbergbakken bevestigd.

Twee mitrailleurs waren vast gemonteerd in een gepantserde doos links voor op het voertuig. Ze vuurden om-en-om. Ze hadden een voorraad van 500 kogels. Voor het bijvullen van munitie of het verhelpen van storingen moest een bemanningslid de tank verlaten.

Techniek De Stridsvagn 103 was wereldwijd de laatste tank in gebruik met een ‘kazematconstructie’. De tank werd ontworpen in 1956 door Sven Berge. Van 1966 t/m 1971 werden in totaal 290Military Vehicles Forecast Stridsvagn 103 - Archived 2/98 (bezocht: 8 mei 2020) stuks geproduceerd door Bofors, met een maximum van 7 per maand. Ze werden in het Zweedse leger gebruikt van 1967 tot 1997. De tanks werden vervangen door de Stridsvagn 122, een variant van de Leopard 2 A5. In de Strv 103 hadden zowel de commandant als de chauffeur de instrumenten om het voertuig te besturen en om het kanon te bedienen. Het derde bemanningslid was die radio-operator, die tevens dienstdeed als chauffeur bij het achteruitrijden.

Aandrijving thumb|Strv 103 zonder add-on pantser en pantserschorten De Stridsvagn 103 was uitgerust met een gecombineerd aandrijfsysteem bestaande uit een Rolls-Royce dieselmotor met 177 kW (240 pk) en een aanvullende Boeing gasturbine met 360 kW (490 pk).

Door deze hybride aandrijving werden enkele ontwikkelingsrisico's en nadelen van een destijds nog nieuwe gasturbineaandrijving voorkomen. De versnellingsbak is een Volvo DRH-1M-3-traps-automaat.

Het loopwerk is van het "Verbeterd Christiesysteem" met aan elke zijde vier loopwielen, twee top- of geleiderollers, een aandrijfwiel en een spanwiel. Het aandrijfsysteem en de versnellingsbak bevinden zich aan de voorkant, evenals het aandrijfwiel. De vering is hydropneumatisch. De Strv 103 kan zijn hoogte nog 13 cm verlagen door de vering aan te passen.

Doordat het kanon vast in romp gemonteerd was, kon het alleen gericht worden door het hele voertuig te bewegen. Een kort loopvlak van de rupsbanden was nodig om het kanon snel naar links of rechts te kunnen bewegen. (like the 75mm gun on the 1930s French Char B1) Door het korte loopvlak waren zeer brede rupsbanden nodig om nog een acceptabele bodemdruk te bereiken.

Pantser Het frontpantser was extreem schuin geplaatst. Voor op het voertuig kon een rooster geplaatst worden, dat ervoor zou zorgen dat HEAT granaten voortijdig zou exploderen. Het rooster droeg ook bij aan de camouflage. Aan de zijkant van het voertuig konden naast het loopwerk jerrycans worden bevestigd, die dan tevens dienden als pantserschorten.

Bewapening