thumb|Luitenant Rommel na de Slag bij Caporetto, met de onderscheiding Pour le Mérite, 1917 thumb|Aankomst van Erwin Rommel in Tripoli, februari 1941 thumb|Rommel in Noord-Afrika, 1942 thumb|Rommel en generaal-veldmaarschalk Gerd von Rundstedt, 1944 thumb|Rommels graf in Herrlingen Erwin Johannes Eugen Rommel (Heidenheim an der Brenz, 15 november 1891 - Herrlingen, 14 oktober 1944) was een Duitse generaal-veldmaarschalk. Hij speelde een belangrijke rol in de Tweede Wereldoorlog in Noord-Afrika. Zijn bijnaam was De Woestijnvos. Bij de Tweede Slag bij El Alamein was hij de tegenstander van Bernard Montgomery. Hij dwong zowel bij de Asmogendheden als de geallieerden veel respect af.
Vroege jaren Rommel werd als tweede van vier kinderen (hij had één zus en twee broers) geboren uit het huwelijk van de leraar Erwin Rommel en diens echtgenote Helene von Luz. Hij volgde het gymnasium en was van plan als ingenieur bij de zeppelinfabriek in Friedrichshafen te gaan werken, maar koos op advies van zijn vader in juli 1910 voor een militaire loopbaan. Hij voegde zich bij het lokale 6e Württembergisches Infanterie Regiment, dat in Weingarten was gestationeerd. Na 3 maanden werd hij tot korporaal bevorderd, en na 6 maanden tot sergeant. In maart 1911 ging hij naar de officiersopleiding in Danzig. Na deze als Leutnant (2e luitenant) te hebben voltooid, keerde hij in januari 1912 naar zijn regiment terug, en werd hij rekruteringshoofd in Weingarten tot aan het begin van de Eerste Wereldoorlog.
Eerste Wereldoorlog Frankrijk Rommel vocht in de Eerste Wereldoorlog aanvankelijk met zijn regiment bij de infanterie; hij werd ingezet aan de Maas, ten westen van Verdun, in de Argonne en de Vogezen. In september 1914 raakte hij zwaargewond aan het been door een bajonetaanval tegen drie Franse soldaten, nadat hij zonder munitie raakte. Voor deze actie kreeg Rommel het IJzeren Kruis 2e Klasse. In januari 1915 was hij volledig hersteld.
Alpenkorps In september 1915 werd Rommel aangeworven voor training bij de bergtroepen. In augustus 1916 kwam hij met het Württembergisches Gebirgs-Bataillon, een onderdeel van het toenmalige Deutsches Alpenkorps, eerst in Roemenië in actie. Na een korte tussenstop aan het westfront, werd het Alpenkorps in september 1917 aan het Italiaanse front ingezet, waar de eenheid bij wijze van Duitse steun aan de Oostenrijks-Hongaarse bondgenoot was uitgeleend. In het Alpengebied zou het bataljon zich de stoottroeptactiek volledig eigen maken. De Württembergers deden van zich spreken toen twee compagnieën van hun formatie, geleid door Oberleutnant (eerste luitenant) Erwin Rommel, in oktober 1917 bij de Slag bij Caporetto (de 12e slag aan de Isonzo) de Italiaanse frontlinie wisten te doorbreken en een artilleriestelling te overrompelen. Een Italiaans tegenoffensief werd afgeslagen en een compleet regiment Bersaglieri werd krijgsgevangen gemaakt. Met de aankomst van de rest van het bataljon leidde Rommel de formatie langs de achterzijde van de Monte Matajur (in het huidige Slovenië), die strategisch enorm belangrijk was, en kon men nog meer Italianen tot overgave dwingen. Na de verovering van deze bergtop werden na de slag in totaal 150 Italiaanse officieren en 9000 manschappen krijgsgevangen gemaakt en 81 stuks geschut werden door de Duitsers buitgemaakt; dit alles werd met amper 150 soldaten volbracht. Rommel werd tot Hauptmann (kapitein) bevorderd en kreeg op 10 december 1917 voor zijn aandeel in deze gewonnen slag de Pour le Mérite uitgereikt; Rommel was een van de jongste ontvangers van deze onderscheiding, die eigenlijk voor hogere officieren was bedoeld. Aan deze uitreiking ging echter heel wat controverse vooraf: eerst werd deze onderscheiding aan iemand anders toegekend. Oberleutnant Walther Schnieber veroverde op hetzelfde moment de Monte Colonna, die vlak bij de Monte Matajur lag. Men veranderde die verovering echter in de verovering van de Monte Matajur. Rommel kreeg de Pour le Mérite pas uitgereikt nadat hij een klacht had ingediend en nadat het bijna tot een schandaal uitgroeide. Mede door deze traumatische ervaring was zijn voorbehoud ten aanzien van het hoge officierskorps gestegen en zag hij af van een toekomstige opleiding tot stafofficier, voor velen een ongewone stap voor een begaafde soldaat. Deze beslissing zou ook meespelen tijdens zijn Noord-Afrikaanse Veldtocht in de volgende wereldoorlog.
Interbellum Na de oorlog voelde hij zich, net als veel van de andere Duitse soldaten, erg tekort gedaan door de gedwongen drastische reductie van het Duitse leger krachtens het Verdrag van Versailles, dat in de ogen van heel Duitsland en ook van anderen onrechtvaardig was. Er vielen talloze ontslagen, waarbij Rommel desondanks kon overgaan naar de Reichswehr van de Weimarrepubliek. In september 1929 werd hij docent krijgskunde in Dresden. In oktober 1933, een paar maanden na Adolf Hitlers machtsovername, werd hij overgeplaatst naar Goslar. Daar werd de intussen tot majoor bevorderde Rommel benoemd tot bevelhebber van de Goslarer Jäger. In maart 1935 werd hij tot luitenant-kolonel bevorderd. 7 maanden later werd hij opnieuw overgeplaatst, deze keer naar de militaire academie van Potsdam. Hij publiceerde in 1937 in zijn boek Infanterie greift an (Infanterie valt aan) zijn belevenissen tijdens de Eerste Wereldoorlog. Hij ontmoette Adolf Hitler na diens machtsovername, werd chef van de troepen die Hitler begeleidden, en werd op 1 augustus 1939, een maand voor het begin van de Tweede Wereldoorlog door Hitler tot generaal-majoor benoemd.
Tweede Wereldoorlog Begin Rommel vervulde zijn functie van chef van Hitlers begeleidingstroepen tevens tijdens de Poolse Veldtocht. Ruim 4 maanden na de overwinning in Polen werd hij bevelhebber van de 7e pantserdivisie. Tijdens de Blitzkrieg in België (Fall Gelb) en Frankrijk (Fall Rot) opereerde zijn divisie zo snel, dat deze van de Fransen de bijnaam la division fantôme (de spookdivisie) kreeg. Zelfs het Duitse opperbevel wist niet altijd waar de divisie zich bevond. Voor zijn huzarenrit door de Maginotlinie kreeg Rommel later het Ridderkruis.
Noord-Afrika In 1941 werd Rommel tot luitenant-generaal bevorderd. Hierna kreeg hij het opperbevel over het Afrikakorps, dat in de Italiaanse kolonie Libië voet aan wal zette. Tijdens de Noord-Afrikaanse Veldtocht gaven de Britten hem z'n beroemd geworden bijnaam De Woestijnvos, omdat hij telkens improviseerde en trucjes gebruikte om de vijand te slim af te zijn, als dat nodig was. Zo liet hij bijvoorbeeld bij een militaire parade in Tripoli in maart 1941 zijn tanks een blokje omrijden, om zo weer achteraan in de rij te kunnen aansluiten en zo zijn aantal tanks groter te doen lijken om de Britse inlichtingendiensten te misleiden. Met hetzelfde doel liet hij namaaktanks van karton maken en liet hij auto's takkenbossen en tentdoek achter zich aan slepen om zo veel stof te doen opwaaien, dat het leek alsof er hele pantserdivisies aan het oprukken waren.
In totaal plande Rommel in Noord-Afrika in het algemeen twee grote offensieven. Het eerste offensief startte op 31 maart en omvatte een opmars naar Egypte en de verovering van Tobroek door de resterende troepen. Tobroek was strategisch belangrijk, vanwege zijn zeehaven. Aan dit offensief kwam in december een einde, na de mislukte belegering van Tobroek, die 6 maanden duurde. Na een rustpauze en herbevoorrading lanceerde Rommel in januari 1942 zijn tweede grote offensief. Dit resulteerde onder meer in de slag bij Gazala en de daaruit volgende verovering van Tobroek op 21 juni. De dag daarop werd hij vanwege dit succes tot veldmaarschalk bevorderd. Zijn troepen rukten op tot El Alamein in Egypte, maar als gevolg van onvoldoende voorraden en materieel werd het Afrikakorps in juli tot staan gebracht (Eerste Slag bij El Alamein) en vanaf oktober teruggedrongen (Tweede Slag bij El Alamein) door geallieerde troepen onder Bernard Montgomery. Rommel slaagde er echter wel in om de terugtocht naar Tunesië geordend te laten verlopen, wat een heuse krachttoer was, gezien de toen geallieerde suprematie in de lucht, de afstand van 3000 kilometer en de landing van de geallieerden in Marokko en Algerije (Operatie Torch). Hitler weigerde echter voortdurend om in te gaan op zijn verzoeken om z'n soldaten naar Sicilië te evacueren. De slag om de Kasserinepas in Tunesië in februari 1943 was zijn laatste succes in Afrika. Op 9 maart keerde Rommel naar Duitsland terug in een zoveelste poging Hitler te overreden om de ernst van de situatie in te zien. Ook toen weigerde Hitler dit te doen en hield hem in Duitsland, om te voorkomen dat hij de nederlaag zou moeten meemaken. Op 13 mei van hetzelfde jaar capituleerde het Afrikakorps in Tunesië.
Normandië Na een korte tijd in Noord-Italië gediend te hebben werd Rommel op 5 november door Hitler benoemd tot inspecteur van de Atlantikwall. Hij moest het gedeelte van deze verdedigingswerken, dat van de Noordzee tot de Golf van Biskaje liep, inspecteren en vervolgens rapporteren. Dit alles had als uiteindelijke doel de verwachte geallieerde invasie tegen te houden. Op aanraden van veldmaarschalk Gerd von Rundstedt, destijds opperbevelhebber van alle Duitse troepen aan het westfront, werd hij op 15 januari 1944 benoemd tot opperbevelhebber van Heeresgruppe B. Deze legergroep omvatte het Duitse 7e en 15e leger, in een sector die zich uitstrekte van Nederland tot het zuiden van Bretagne in Frankrijk. Over de strategie van de verdediging verschilde hij van mening met Von Rundstedt: Von Rundstedt wilde de pantserdivisies meer landinwaarts opstellen, buiten het bereik van de geallieerde marine, terwijl Rommel ze langs de kust wilde positioneren. Hij was er immers van overtuigd dat als ze landinwaarts stonden opgesteld, ze dan spitsroeden moesten lopen door de geallieerde luchtmacht vooraleer ze het front zouden kunnen bereiken. Hij baseerde deze stelling op wat hij meemaakte bij El Alamein: daar was de Britse luchtmacht zodanig in overmacht, dat zijn tanks amper bewegingsvrijheid hadden. Rommel liet in zijn sector van de Atlantikwall tal van verbeteringen aanbrengen. Volgens hem zouden de eerste 24 uur van de invasie de belangrijkste zijn en moest de aanvaller zo snel mogelijk worden teruggedreven, vooraleer er een bruggenhoofd kon worden gevestigd. Die invasie kwam er op 6 juni, in Normandië, in Rommels sector. Daarna verslechterde de Duitse situatie aan het westfront steeds verder, mede door het enorme zee- en luchtoverwicht.
Samenzwering tegen Hitler