Deinonychus is een geslacht van uitgestorven vleesetende theropode dinosauriërs, behorend tot de Eumaniraptora, dat tijdens het Vroeg-Krijt leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika.

De eerste fossielen van Deinonychus werden in 1931 ontdekt door Barnum Brown maar zijn daarna weer snel vergeten. Pas na nieuwe vondsten uit 1964 door John Ostrom kreeg het dier zijn naam, die 'verschrikkelijke klauw' betekent, toen de typesoort Deinonychus antirrhopus door hem in 1969 benoemd werd. Van Deinonychus zijn veel losse botten gevonden maar nooit bijna volledige skeletten. Daardoor ontstonden er in het begin veel misverstanden over zijn bouw. Later zouden de meeste daarvan opgehelderd worden maar nog steeds zijn bepaalde details onduidelijk.

Deinonychus behoort tot de groep van de Dromaeosauridae die nauw verwant is aan de vogels. Deinonychus zelf had veel van een vogel weg. Hij liep op zijn achterpoten, was warmbloedig en had een verenkleed. Aan zijn lange armen zaten lange veren zodat een soort vleugels gevormd werden. Omdat hij ruim drie meter lang was en zestig kilogram zwaar, kon een volwassen deinonychus daarmee niet vliegen maar misschien klommen de jonge dieren in bomen om daaruit in een glijvlucht naar beneden te zeilen. Hun armen waren in staat vleugelslagen te maken. Deinonychus is berucht om zijn sikkelklauwen. De tweede teen van de voet werd steeds opgetrokken gehouden en droeg een kromme scherpe klauw die veel groter was dan die van de andere tenen. Ostrom dacht dat Deinonychus in groepen joeg die grote plantenetende dinosauriërs besprongen om met de sikkelklauwen hun buiken open te scheuren. Tegenwoordig geloven de wetenschappers dat Deinonychus zijn voedsel alleen zocht en de sikkelklauw gebruikte om er een kleinere prooi mee neer te steken. Een door werveluitsteeksels verstijfde staart hielp daarbij het evenwicht te bewaren. Zijn handklauwen en van kleine tanden voorziene kaken werden ook als wapen gebruikt.

Toen Deinonychus in 1969 beschreven werd, dachten bijna alle geleerden nog dat dinosauriërs koudbloedige logge reptielen waren. De bouw van dit duidelijk actieve dier dwong ze hun standpunt te herzien. Deinonychus veroorzaakte zo een grote omslag in het denken over dinosauriërs, de zogenaamde 'dinosauriërrenaissance'. Ook begreep men in 1969 niet dat vogels dinosauriërs waren. Toen hij in 1970 te Haarlem een exemplaar van de Oervogel Archaeopteryx vond, viel Ostrom de overeenkomst met Deinonychus op en zo ontdekte hij de ware oorsprong van de vogels. Vanwege zijn belangrijke rol in deze ontdekkingen is Deinonychus ook bij een wat groter publiek een bekende dinosauriër geworden. De velociraptors in de film Jurassic Park moeten in feite Deinonychus voorstellen.

Vondst en naamgeving Eerste ontdekkingen door Brown thumb|Barnum Brown op expeditie In juli 1931 voerde de fossielenjager Barnum Brown in opdracht van het American Museum of Natural History bij Billings in Big Horn County in Montana een serie opgravingen uit. Hij was met zijn team bezig met het blootleggen van een skelet van Tenontosaurus op het terrein van de Cashen Ranch dat in de Crow Indian Reservation lag, iets ten zuiden van de Buster Creek, toen hij persoonlijk op de resten stuitte van een kleinere theropode. Het ging om een gedeeltelijk skelet zonder schedel van een volwassen dier, specimen AMNH 3015. Bij het skelet werd ook een theropode ei gevonden. In 1932 werd door Brown achthonderd meter verderop een hand samen met een voet opgegraven, specimen AMNH 3037. Beide vondsten kwamen uit de Moberly's Little Sheep Mudstone-afzetting van de Cloverlyformatie. Brown had het plan de vondsten te benoemen als "Daptosaurus agilis", 'beweeglijke verscheurende sauriër', maar zag daar uiteindelijk van af, hoewel hij wel al tekeningen had laten maken en een museumopstelling voorbereid had. Verschillende tanden tijdens de opgraving gevonden, specimen AMNH 3041, wees hij per abuis toe aan de veel kleinere Microvenator die hij dan ook wilde benoemen als "Megadontosaurus": 'groottandsauriër' maar ook hier zou uiteindelijk niets van komen. Het materiaal, niet volledig uitgeprepareerd, werd ook niet beschreven en de vondst raakte in vergetelheid. Pas in 1995 zou het alsnog geprepareerde fossiel in het AMNH opgesteld worden, als enige authentieke Deinonychus-skelet dat ter wereld tentoongesteld wordt; andere skeletten zijn afgietsels of modellen.

De herontdekking door Ostrom In augustus 1964 zagen paleontoloog John Ostrom en zijn assistent Grant Meyer van het Yale Peabody Museum al verkennend in Carbon County, Montana, aan de voet van een butte aan het oppervlak handklauwen liggen. Deze locatie bij Edwards Ranch, zo'n vijfendertig kilometer van Browns vindplaatsen verwijderd, werd hierop systematisch uitgegraven. Daarbij vonden ze talrijke fragmenten, ruim een duizendtal, van minstens drie individuen van een kleine theropode die ze dat jaar en de volgende twee veldseizoenen borgen. In februari 1969 beschreef en benoemde Ostrom op basis hiervan de typesoort Deinonychus antirrhopus. De geslachtsnaam is afgeleid van het Klassiek Griekse δεινός, deinos, 'angstaanjagend' of 'geducht', en ὄνυξ, onyx, 'klauw', een verwijzing naar de sikkelklauw van de voet. De soortaanduiding komt van het Griekse ἀντίρροπος, antirrhopos, "balancerend", een verwijzing naar de functie van de staart als stabilisator. left|thumb|Het aangevulde specimen AMNH 3015 Het holotype YPM 5205 is gevonden in lagen van de Himesafzetting van de Cloverlyformatie die dateert uit het Albien, ongeveer 110 miljoen jaar oud. Het bestaat uit een voet. De paratypen waren drie staarten, specimina YPM 5201, 5202 en 5203. Aan de soort werden toegewezen: YPM 5204, een nek; YPM 5206, een linker- en rechterhand; YPM 5210, een gedeeltelijk skelet met schedel, onderkaken, halswervels, ruggenwervels en een staartwervel; YPM 5232, een rechterschedelhelft en verder de losse elementen en tanden YPM 5207-5209, 5211-5231 en 5233-5265. Ostrom wees in 1969 ook de skeletvondsten van Brown aan de soort toe. In juli 1969 publiceerde hij een tweede, veel vollediger beschrijving. In een opvolgende publicatie uit 1970 werden ook de tanden van AMNH 3041 toegewezen, samen met een andere partij tanden door Brown gevonden, AMNH 3034, en nog eens twee tanden door hemzelf gevonden, YPM 4886 en 4887. In 1974 publiceerde Ostrom een aantal correcties. Hij moest voornamelijk zijn interpretatie van het bekken herzien: hij had een stuk ravenbeksbeen voor het schaambeen aangezien.

Deinonychus, de Dinosauriërrenaissance en de Oorsprong der Vogels Eind jaren zestig was er sprake van een sterk herlevende belangstelling voor dinosauriërs nadat het onderzoek naar die groep sinds de jaren dertig zowat stil had gelegen. Dat Deinonychus beschreven werd, voornamelijk op basis van belangrijk materiaal dat een generatie lang geen aandacht gekregen had, en niet alleen in het korte benoemende artikel maar in juli 1969 ook door middel van een monografie van bijna tweehonderd pagina's, was daar op zich een symptoom van. Deinonychus zou echter zelf weer een cruciale rol spelen in het versterken van dat proces, de reden waarom de publicatie later door Kevin Padian omschreven zou worden als 'revolutionair'. Ostroms geschrift zou een radicale omwenteling teweegbrengen in het beeld dat de wetenschappers van de dinosauriërs hadden. De aanleiding daarvoor waren de spectaculaire eigenschappen die het dier toonde, die niet te verenigen waren met het toen gangbare model van dinosauriërs als slome, koudbloedige reptielen.

Al begin jaren twintig waren de eerste verwanten van Deinonychus ontdekt: Velociraptor en Dromaeosaurus, maar hun resten, voornamelijk bestaande uit schedelmateriaal, waren te onvolledig geweest om een goede indruk te krijgen van de eigenaardigheden van hun bouw. Ostrom echter viel op dat zowel bij zijn eigen vondsten als die van Brown het theropode materiaal gemengd was met de botten van de veel grotere planteneter Tenontosaurus. Dat bracht hem op het idee dat die de prooi van het roofdier zou kunnen zijn geweest. In dat geval moest er een verklaring gezocht worden hoe een dergelijk kleine roofsauriër een dier dat vijftien maal zwaarder was, kon bedwingen. De oplossing vond hij door bestudering van het door Brown gevonden skelet dat een enorme sikkelvormige teenklauw omvatte. Een nauwkeurige beschrijving van de osteologie van de voet, in het bijzonder de teenkootjes van de tweede teen, bracht Ostrom tot de conclusie dat de klauw in opgetrokken stand door de tweede teen gedragen werd, zowel om zijn scherpte te bewaren als om steeds paraat te zijn voor de aanval. Deinonychus, de Terrible Claw, zou zijn prooi besprongen hebben om balancerend op één voet met de sikkelklauw van de andere poot de darmen uit de buikholte van zijn slachtoffer te rukken. De staart die door verlengde werveluitsteeksels eigenaardig verstijfd was, zou het dier als een balanceerstok in staat gesteld hebben het evenwicht te bewaren terwijl het op één poot hinkend zijn moordwerk volbracht. Brown had al begrepen dat zijn vondst een beweeglijk dier betrof; de mate van activiteit die Ostrom nu veronderstelde, was niet meer in overeenstemming te brengen met een lage stofwisseling. Hij trok dan ook de onontkoombare conclusie dat Deinonychus warmbloedig geweest was.

thumb|300px|Bob Bakker tijdens een presentatie De schokgolven die Ostroms publicatie in de paleontologische wereld teweegbracht, zouden niet langzaam wegebben maar eerder een lawine aan nieuwe denkbeelden op gang brengen. Deze revolutie, of paradigmawisseling, in de theorievorming over dinosauriërs zou voor een belangrijk deel het werk zijn van een leerling van Ostrom: Robert Thomas Bakker. Bakker studeerde onder Ostrom ten tijde van diens beschrijving van Deinonychus. Een niet-onverdienstelijk tekenaar, mocht hij de afbeelding van een skeletrestauratie in de monografie verzorgen. Daar voegde hij een illustratie van het levende dier aan toe die Deinonychus toonde in een rennende houding, met de romp horizontaal en de staart recht naar achteren stekend. Ostrom had in de publicatie de toen meer gangbare opgerichte 'kangoeroehouding' voor theropoden afgewezen. Bakkers tekening zou een grote invloed hebben. Zij werd gevolgd door een vloed aan artikelen en lezingen waarin hij de leer van de warmbloedigheid van alle dinosauriërs verkondigde, niet alleen aan zijn vaak sceptische collegae maar vooral ook aan een groter publiek. Uiteindelijk zou dit de dominante opvatting worden.

Ostroms studie van Deinonychus zou een nog veel onverwachter gevolg hebben: zij zou binnen het vraagstuk naar de oorsprong van de vogels het bewijs leveren dat vogels dinosauriërs zijn. Ostrom werd gefascineerd door de bijzondere verstijfde staart van de soort. Dergelijke staarten waren ook bekend van basale Pterosauria en in 1970 maakte hij een reis langs verschillende Europese musea om daarvan specimina te bekijken. Hij wist dat Peter Wellnhofer in 1966 een fossiel in het Teylers Museum te Haarlem als een exemplaar van Scaphognathus geïdentificeerd had. Tijdens een inspectie van het stuk op 8 september 1970 ontdekte hij echter dat het in feite een vierde exemplaar van de Oervogel Archaeopteryx betrof. Ostrom had de eer de nieuwe vondst te beschrijven. Daarbij werd hem duidelijk dat er toch een verband bestond met Deinonychus: diens hand, met name het polsgewricht, was vrijwel identiek aan die van Archaeopteryx. Binnen enkele jaren werkte Ostrom dit uit tot een algemene hypothese dat de Deinonychosauria de nauwste verwanten zijn van de vogels en die laatste dus dinosauriërs, iets wat nu algemeen aanvaard wordt.

Latere vondsten en hernoemingen In juli 1974 ontdekte Steven Orzack niet ver van de groeve van Brown nog een skelet, specimen MCZ 4371, dat opgegraven werd door Farish Jenkins en door Ostrom beschreven in 1976.