rechts|thumb|220px|Wijngaarden in Etrurië (nu Noord-Toscane) thumb|Etruskische vrouw. Deksel van een terracotta sarcofaag, 150-120 v.Chr. uit Chiusi, Badisches Landesmuseum Karlsruhe. thumb|Sarcofaag met het echtpaar uit Cerveteri. Aardewerk. 6e eeuw v.Chr. Rome, Villa Giulia. Dit object beeldt een echtpaar af dat aanligt bij een symposium. De voorstelling is tekenend voor de rol van de vrouw in de Etruskische samenleving. Vrouwen werden in de Griekse en Romeinse cultuur niet geacht bij symposia aanwezig te zijn. thumb| Beeldje van een jonge jongen met watervogel (detail) uit Montecchio. Brons. Ca. 100 v.Chr. Leiden, RMO.

De Etrusken (Gr. /Tyrsênoi of /Tyrrhênoi; Lat. Tusci of Etrusci; Etr. Rasenna of RasnaRasenna treffen we aan bij Dionysius van Halicarnassus (I 30.3.). Rasna is de gesyncopiseerde vorm van Rasenna (, The Etruscan Language: an Introduction, Manchester - New York, 20022, p. 81.). Vanaf ca. 490 v.Chr. verdwijnen namelijk in Etruskische woorden de klinkers in de tweede lettergreep. We treffen ook de vorm Raśna (uitgesproken als: Rashna) op de cippus van Cortona.) vormden een bevolkingsgroep met een eigen taal, het Etruskisch, en een eigen religie en cultuur. Hun gebied had de Apuaanse Alpen, die evenwijdig lopen met het dal van de Arno, de Tiber en de Tyrreense Zee als grenzen en ligt in het huidige Toscane, een deel van Umbrië en Latium op het Apennijns Schiereiland. Dit gebied noemt men in dit kader Etrurië.

De Etruskische cultuur is de eerste grote beschaving op het Italiaanse schiereiland. In hun bloeitijd (7e – 6e eeuw v.Chr.) vormden de Etrusken een van de hoogst ontwikkelde volken van de oudheid. De Etrusken vormden een betrekkelijk klein volk, zeker in vergelijking met de Grieken uit de klassieke oudheid, maar waren toch de eersten die een poging deden om het Italiaanse schiereiland te verenigen.

Het toenmalige Romeinse koninkrijk in en rond Rome werd gedurende de laatste 100 jaar van zijn bestaan door Etruskische koningen geregeerd. De Romeinen, die zich voor een deel vermengden met de Etrusken, hadden zodoende hun schrift, cultuur en godsdienst ook voor een groot deel te danken aan de Etrusken. In 280 v.Chr. versloegen de Romeinen de Etruskische steden definitief, maar de culturele invloed bleef doorwerken. Veel belangrijke Romeinse geslachten waren van oorsprong Etruskisch. Een bekende Etrusk die zeer goed geïntegreerd was in de Romeinse politieke elite en in Rome woonde was Maecenas (hij schreef weliswaar in het Latijn, maar beschouwde zichzelf als Etrusk) en ook de beroemde dichter Vergilius had Etruskische voorouders. De bekende Romeinse keizer Trajanus was eveneens afkomstig uit een Etruskisch geslacht, de Ulpii.Althans volgens het laat-antieke werk Vita Noricensis 49: genere Tusco. Op munten van de vrouw van de Romeinse keizer Trajanus Decius (die regeerde van 249 tot 251) is haar naam Herennia Etruscilla vermeld. Hun zoon heette Herennius Etruscus, wat in beide gevallen wijst op afstamming van een Etruskische familie.

Eigen identiteit Ondanks de sterke beïnvloeding door de Griekse cultuur en de culturen van het Oosten (die vooral na 700 v.Chr. waarneembaar werd) had de Etruskische cultuur steeds een eigen identiteit. Zo hadden de Etrusken, met uitzondering van enkele leenwoorden, een eigen taal, die noch een Indo-Europese taal, noch een Semitische taal was. Daarnaast waren bepaalde gebruiken niet in overeenstemming met de Italiaanse tradities. Zo was de rol van de vrouw in de Etruskische samenleving uniek. Er was volledige gelijkheid tussen man en vrouw. De Etrusken kenden net als de Grieken het gebruik om de wil van de goden in de ingewanden van offerdieren te lezen, wat echter niet op een oosterse afkomst hoeft te wijzen. De culturele verschillen met de omringende Italiaanse volkeren waren zo groot, ook in de ogen van de toenmalige waarnemers, dat in de oudheid al vanaf Herodotos werd gespeculeerd over de herkomst van de Etrusken.

Economie De economische basis van Etrurië was agrarisch. Volgens Plinius de Oudere was de tarwe van Clusium uitstekend en de beste wijngaarden van Italië bevonden zich net als vandaag in Toscane. In de bossen werd op everzwijnen en herten gejaagd. De Etrusken fokten ook paarden, runderen en varkens. De dalen van de Arno, Tiber, Ombrone en kleinere riviertjes vormden de belangrijkste routes waarlangs men zich verplaatste. Het reliëf en de wouden maakten reizen in Etrurië niet gemakkelijk voordat de Romeinen er wegen aanlegden. Muilezels werden gebruikt als lastdier.

IJzererts werd ontgonnen in de mijnen van het eiland Elba en er ter plaatse bewerkt tot ijzer. Het werd ook verscheept naar de Etruskische steden en verkocht aan de Grieken in Groot-Griekenland. Kopermijnen waren aanwezig in het dal van de rivier Cecina. Door de zeer succesvolle handel in ijzer (destijds een nieuw en kostbaar product), het contact met Gallië, Noord-Europa, Carthago, Egypte, Syrië, Griekenland (o.a. Athene en Korinthe) en de Griekse kolonisten op het Italiaanse schiereiland heeft de Etruskische cultuur zich kunnen ontwikkelen tot een van de meest hoogstaande van Europa. Van de Griekse kolonie Cumae in Italië namen de Etrusken het schrift en de techniek over om aardewerk met het pottenbakkerswiel te maken.

Het Etruskisch aardewerk en bronzen spiegels werden in de Keltische en Germaanse wereld over de Alpen en aan de kusten van de Zwarte Zee door henzelf of door tussenpersonen verkocht. In een Keltisch graf te Eigenbilzen (België) werd een bronzen Etruskische snavelkan gevonden. Zelfs in Denemarken groeven archeologen producten uit hun regio op. Tevens werd hun wijn in deze gebieden gewaardeerd. Het waren Etrusken die de eerste wijngaarden in het zuiden van Gallië aanlegden en zo de pioniers waren van de huidige Franse wijncultuur.

Etruscologie Klassieke oudheid De Etrusken hebben een zeer rijke materiële cultuur nagelaten, maar van hun literatuur is vrijwel niets overgeleverd. Hoewel zij religieuze boeken hadden, zoals de beroemde liber linteus Zagrabiensis (waarvan een deel met ca. 1300 woorden is overgeleverd), zijn er weinig aanwijzingen dat ook andere literaire genres (dichtkunst, wetenschappelijke verhandelingen enz.) werden beoefend.

Wel vinden we talloze vermeldingen bij Griekse auteurs, zoals Herodotos, Dionysios, Ploutarchos en Polybios, en bij Romeinse auteurs, zoals Livius, Plinius de Oudere, Cicero en Seneca minor, en anderen, maar hun beschrijvingen zijn kort of bevooroordeeld. Opmerkelijk is de grote interesse van de Romeinse keizer Claudius (10 v. Chr.–54n.Chr.) voor de Etruskische cultuur. Hij was zo gefascineerd door de Etrusken dat hij zelf Etruskisch leerde lezen van de weinigen die er toen nog kennis van hadden. Hij schreef in het Grieks een 20 delen tellende - niet overgeleverde - geschiedenis van de Etrusken, de Tyrrhenica.Suetonius, Divus Claudius 42.2.

Ontstaan van de etruscologie als wetenschap thumb|De beroemde Chimaera van Arezzo, gevonden in 1553. Brons. 4e eeuw v.Chr. Florence, Nationaal Archeologisch Museum De Etrusken stonden vanaf de renaissance weer in de belangstelling: de inwoners en heersers van Toscane en Umbrië keken met trots terug op een glorieus verleden.De meeste inwoners van Toscane waren overigens geen afstammelingen van de Etrusken. In de 18e eeuw is er zelfs sprake van een ware etruscheria ('etruscomanie'), aangewakkerd door het populaire De Etruria regali libri septem ('Zeven boeken over het Etrurië der Koningen', 1723) van de in Italië werkende Schotse geleerde Thomas Dempster (1579–1625), en de vondst van vele topstukken. In Parijs ontstond een rijke verzameling van Etruskische voorwerpen in de oudheidkundige collectie van Philippe de Caylus, een kunstliefhebber en geleerde.

Vooral in de 19e eeuw, maar zeker tot in de 21e eeuw werden te Vulci en andere plaatsen uit winstbejag opgravingen gedaan, die de wetenschappelijke studie van dit volk veel schade berokkend hebben. Reeds in 1830 bood een Toscaanse familie in Londen antieke Etruskische vondsten te koop aan, zonder duidelijke informatie over de vindplaats. Etruskische necropoleis werden geplunderd in de zoektocht naar juwelen en andere kunstvoorwerpen. Alles wat niet mooi genoeg werd gevonden of geen handelswaarde had, werd weggegooid of vernield. Zo kwam het voor dat bij ontdekte grafinboedels met veel dezelfde vazen het leeuwendeel werd kapotgeslagen om de exclusiviteit en marktwaarde van de collecties te waarborgen en te bevorderen. Grote verzamelaars waren onder meer Lucien Bonaparte, broer van Napoleon en organisator van dergelijke opgravingen, en niet in de laatste plaats het Vaticaan (waaronder paus Pius VII en Gregorius XVI), dat in de loop van de tijd een grote collectie heeft verworven. Veel particuliere verzamelingen vormden later de kern van belangrijke museale collecties (Museo Gregoriano Etrusco, Villa Giulia, Musée du Louvre, British Museum (met de collectie Castellani), Rijksmuseum van Oudheden enz.).

Een belangrijke ontdekking in de 19de eeuw was die van het Graf van François (tomba François) (1857) in de Ponte Rotto necropolois van Vulci. Dit graf van de familie Saties werd snel beroemd omwille van zijn architectuur en bijzondere fresco's.

In de jaren zestig van de 20e eeuw werd het aantal Etruskische graven (de grens met de Villa-Nova periode is niet altijd duidelijk) geschat op meer dan 6.000, maar volgens de Italiaanse auteur Stefano Russo (auteur ivm kunst en architectuur) werden er tussen Vulci en Cerveteri meer dan een half miljoen gevonden, waarvan 90% reeds geplunderd werd, eerst in de Oudheid en nadien opnieuw door meerdere generaties clandestiene grafrovers.

De wetenschap die zich vandaag de dag met de studie naar alle facetten van de Etruskische cultuur bezighoudt is de etruscologie. Als grondlegger van de moderne etruscologie wordt de Italiaanse hoogleraar klassieke archeologie Massimo Pallottino (1909–1995) beschouwd. Zijn Etruscologia (1942) geldt als een belangrijk standaardwerk. Bij de reconstructie van de Etruskische cultuur is men vooral aangewezen op archeologisch onderzoek. Een bekend hedendaags Etruscoloog is Giuseppe Sassatelli, professor etruscologie en Italische archeologie van de universiteit van Bologna.

Het toonaangevende tijdschrift voor Etruskische studies, Studi Etruschi, werd in 1927 in Italië gesticht.

Taal

Teksten thumb|250px|Liber linteus Zagrebiensis of Zagrebse linnen boek bevat de langste bekende tekst in het Etruskisch (3de eeuw v.Chr.)

De Etruskische lettertekens zijn verwant aan die van de Grieken. Er zijn zo'n 12000 Etruskische inscripties bewaard. Het Etruskisch is relatief makkelijk te lezen omdat zij het Grieks alfabet hanteerden, weliswaar geschreven van rechts naar links. Er zijn echter geen inhoudelijk diepgaande teksten in deze taal overgeleverd. De meeste Etruskische teksten zijn korte grafinscripties, votiefteksten of korte verklarende teksten op vazen, beeldjes, spiegels, munten en grenspalen. De langste tot nu toe gevonden tekst is een linnen boek (Liber linteus Zagrabiensis), overgeleverd als mummiewindsel, dat omstreeks 1300 woorden bevat; het betreft hier een rituele kalender. Deze rituele kalender telde tien maanden. Oktober werd de achtste maand genoemd. Octo-ber, achtste in het Latijn komt van deze jaarindeling.