Allosaurus is een geslacht van uitgestorven grote vleesetende theropode dinosauriërs, behorend tot de groep van de Carnosauria, dat tijdens het Laat-Jura, 150 miljoen jaar geleden, leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika en Portugal.
Allosaurus werd in het midden van de negentiende eeuw in de Verenigde Staten ontdekt. Hij kreeg in 1877 van de Amerikaanse paleontoloog Othniel Charles Marsh zijn naam, die zoiets als 'afwijkende sauriër' betekent. De eerstbenoemde typesoort is Allosaurus fragilis. Later werden er nog vijftien andere soorten van Allosaurus benoemd. Tegenwoordig denken de onderzoekers dat het bij de meeste daarvan toch om A. fragilis gaat of om heel andere dinosauriërs. Sommige wetenschappers geloven zelfs dat A. fragilis de enige echte soort is. Er zijn vele honderden fossielen van Allosaurus ontdekt, ook een aantal bijna complete skeletten. Hierdoor weten we goed hoe het dier eruitzag.
Allosaurus was een groot roofdier dat wel dertien meter lang werd en vier ton zwaar. Toch was hij niet héél zwaargebouwd en hij kon vermoedelijk hard rennen. Hij was warmbloedig en had erg goede longen die hem een groot uithoudingsvermogen gaven. Het kan zijn dat de jongen door een primitief verenkleed warm gehouden werden, maar de volwassen dieren hadden in ieder geval een geschubde huid. Allosaurus liep op zijn achterpoten. Het lichaam werd in evenwicht gehouden door een lange staart. De voorpoten waren kort, maar droegen wel krachtige klauwen aan hun drie vingers. Hij had een beweeglijke nek met een vrij kleine langwerpige kop die lichtgebouwd, maar toch stevig was. Daarin stonden lange rijen kleine gekromde tanden, waarmee hij prooidieren kon verwonden. Allosaurus joeg op grote planteneters zoals Camptosaurus en Stegosaurus. Misschien viel hij in groepen ook reusachtige langnekkige dinosauriërs aan, sauropoden als Diplodocus, Apatosaurus en Brachiosaurus. De geleerden zijn het er niet over eens of Allosaurus intelligent genoeg was om zo samen te werken. In zijn leefgebied kwamen ook andere roofsauriërs voor, maar Allosaurus was onder deze theropoden het talrijkst.
Allosaurus is het grootste bekende landroofdier uit het Jura en daarom een van de bekendste dinosauriërs, die vaak in boeken en films voorkomt. Vroeger werd hij daarin fout afgebeeld met een opgerichte houding en een over de grond slepende staart. In het echt werden rug en staart horizontaal gehouden.
Naamgeving en vondsten Een veelheid aan geslachten thumb|Marsh benoemde voor het allosauride materiaal drie geslachten en vier allosaurussoorten De eerste fossielen van Allosaurus werden vermoedelijk in de jaren zestig van de negentiende eeuw ontdekt bij Middle Park in Colorado in lagen van de Morrisonformatie uit het Tithonien-Kimmeridgien, ongeveer 150 miljoen jaar oud; ze werden door de plaatselijke bevolking aangeduid als 'versteende paardenhoeven'. In 1869 kocht de verzamelaar Ferdinand Vandiveer Hayden daar een van die hij opstuurde naar Joseph Leidy. Leidy determineerde het 125 millimeter lange specimen, USNM 218, als de helft van een staartwervel, die hij in 1870 voorlopig toewees aan het in Europa ontdekte geslacht Poekilopleuron als een Poicilopleuron valens, waarbij hij dus bij vergissing de oorspronkelijke naam iets wijzigde. Hij gaf echter ook aan dat als de soort te afwijkend van dit geslacht mocht blijken er een eigen geslacht aan toegekend kon worden: Antrodemus. In 1873 besprak hij Poicilopleuron opnieuw, maar gaf de naam Antrodemus bij een afbeelding van het fossiel; meestal wordt aangenomen dat de naamgeving daarmee een feit was. Deze naam verwierf echter geen algemene bekendheid.
In 1877 benoemde professor Othniel Charles Marsh, een fossiel, holotype YPM 1930, tot de soort Allosaurus fragilis. De geslachtsnaam betekent 'andere sauriër', vanuit het Klassiek Griekse ἄλλος (allos), 'ander' of 'verschillend' en σαῦρος (sauros), 'hagedis', vermoedelijk — Marsh gaf geen etymologie — een verwijzing naar het feit dat de wervels afweken van die van andere toen bekende sauriërs. De soortaanduiding betekent 'breekbaar' in het Latijn, een verwijzing naar de lichte bouw van de wervels. Het holotype was door Benjamin Franklin Mudge bij Garden Park in Colorado gevonden in Felch Quarry 1 en bestond uit drie wervels, een stuk rib, een tand, een teen, en de schacht van het rechteropperarmbeen. thumb|left|AMNH 5735 thumb|left|"Allosaurus" door Charles Knight Marsh had een rivaal, Edward Drinker Cope. Beide geleerden probeerden in hun beruchte Bone Wars elkaar de loef af te steken in het benoemen van zo veel mogelijk soorten. Ook bij Allosaurus leidde dit ertoe dat licht verschillende fragmentarische fossielen een eigen soort of geslacht kregen toebedeeld. Zo benoemde Marsh in 1878 Allosaurus lucaris (YPM 1931) en Creosaurus atrox (YPM 1890); in 1884 Labrosaurus ferox (op grond van USNM 2315, een misvormde onderkaak zonder voorste tanden) — in 1896 zou hij een ander fossiel Allosaurus ferox noemen. Cope maakte in 1877 een vondst van acht tanden (AMNH FRC 5780) een soort van Laelaps, L. trihedron; in 1878 een groot specimen, AMNH 5767 bestaande uit drie wervels, een ravenbeksbeen en een middenvoetsbeen, tot Epanterias amplexus. Die geslachten werden soms weer door andere geleerden gebruikt om nieuwe soorten aan toe te wijzen, meestal op basis van slecht materiaal. Zo werd Megalosaurus meriani, een tand gevonden in Zwitserland, in 1926 door toedoen van Friedrich von Huene een Labrosaurus meriani en in 1991 door George Olshevsky een Allosaurus meriani. In 1920 benoemde Werner Janensch een Labrosaurus stechowi. In beide gevallen gaat het vermoedelijk om tanden van Ceratosaurus. In 1911 benoemde Richard Swann Lull een wervel van Dryptosaurus, USNM 3049, als Creosaurus potens; in 1914 Anatoli Nikolajewitsj Rjabinin een middenvoetsbeen van Chilantaisaurus uit Siberië als Allosaurus sibiricus. Ook kwam het voor dat Marsh zelf resten van een ander geslacht voor die van Allosaurus of Labrosaurus aanzag; in 1888 schiep hij een Allosaurus medius op grond van een tand van wellicht Dryptosaurus, in 1896 een Labrosaurus sulcatus op basis van een tand van Ceratosaurus. Omgekeerd gebeurde het ook dat Marsh resten van Allosaurus interpreteerde als die van een heel ander geslacht. Zo benoemde hij in 1879 voor het geslacht Camptonotus mede een Camptonotus amplus, een vermeende planteneter, op grond van een voet van Allosaurus. Toen de geslachtsnaam Camptonotus al bezet bleek, werd dit in 1885 herbenoemd tot Camptosaurus amplus.
Betere vondsten Op den duur kwamen ook meer complete fossielen boven water die een veel beter beeld van het dier gaven. In 1883 vond Marshall P. Felch voor Marsh bij Garden Park een bijna volledig skelet dat de basis kon vormen voor een veel nauwkeuriger beschrijving. Cope had in dit opzicht minder geluk: een van zijn verzamelaars, H.F. Hubbell, vond in 1879 een zeer gaaf specimen bij Como Bluff in Wyoming, maar Cope prepareerde de vondst nooit. Pas na zijn dood werd in 1903 het belang van het exemplaar, tegenwoordig AMNH 5735, onderkend en het werd in 1908 tentoongesteld in het American Museum of Natural History, in een pose alsof het op het punt staat zich tegoed te doen aan het karkas van Apatosaurus. De beroemde paleontologisch illustrator Charles Knight verwerkte het tafereel in een van zijn schilderijen. Het skelet was het eerste van een grote uitgestorven theropode — de huidige vogels zijn ook Theropoda — dat in zijn geheel opgesteld werd; het is, mede daardoor, echter nooit wetenschappelijk beschreven.
Al snel begon het andere onderzoekers duidelijk te worden dat er een overdaad aan taxa benoemd was. Samuel Wendell Williston beweerde dat al in 1878 en stelde in 1901 dat Creosaurus een jonger synoniem was van Allosaurus omdat het er niet van te onderscheiden viel. In 1920 begreep Charles Whitney Gilmore in het kader van een veel gedetailleerdere herbeschrijving dat de naam Antrodemus in principe prioriteit had boven Allosaurus. Buiten de technische literatuur werd de naam Antrodemus echter zelden gebruikt, daarbinnen echter de meeste soorten tot dat geslacht herbenoemd; ook Labrosaurus werd niet meer gebruikt. In 1976 liet James Henry Madsen in de meest grondige beschrijving van het geslacht tot nu toe de officiële naam weer met de populaire naam samenvallen door te stellen dat Antrodemus door de slechte kwaliteit van het fossiel een nomen dubium was, zodat het geen prioriteit ten opzichte van Allosaurus kon hebben aangezien niet vastgesteld zou kunnen worden welke andere fossielen tot hetzelfde taxon behoren.
In de jaren zestig nam het aantal bekende Allosaurus-fossielen explosief toe door het uitgraven van de Cleveland-Lloyd Dinosaur Quarry in Utah, van welke staat Allosaurus in 1988 het officiële staatsfossiel werd. Een enorme hoeveelheid losse dinosauriërbeenderen was hier opeengehoopt; meer dan tienduizend zijn er geborgen. De meeste behoorden aan Allosaurus fragilis waarvan minstens zesenveertig individuen aanwezig waren, van jong tot oud. Hele skeletten of schedels ontbraken maar doordat het dier al van andere vondsten bekend was, bleek het niet moeilijk die weer bij elkaar te voegen. Het uit elkaar vallen van de schedel maakte het eenvoudiger de delen daarvan apart te bestuderen. Het is tot nu toe onmogelijk gebleken een sluitende verklaring te vinden voor de tafonomie, de fossiliseringsomstandigheden die zulk een opmerkelijke opeenhoping van botten veroorzaakt zouden kunnen hebben, maar ze maken Allosaurus met een totaal van zo'n zestigtal ontdekte exemplaren in ieder geval tot de best bekende niet-vliegende uitgestorven theropode op Coelophysis na. thumb|Big Al 2 In de jaren negentig werden er opnieuw wegens hun volledigheid belangrijke exemplaren van Allosaurus gevonden. De bekendste daarvan is MOR 693 ofwel Big Al, in 1991 door Kirby Siber gevonden in Wyoming. Nog completer is Big Al 2, waarvan ruim vijfennegentig procent van het skelet bekend is.
Is A. fragilis de enige valide naam? Eind jaren negentig begon men ook de traditionele soorten samen te voegen met als gevolg dat volgens sommige geleerden alleen de oorspronkelijke typesoort Allosaurus fragilis overbleef. Een lang vermoed onderscheid met A. atrox, die een langere snuit zou hebben, bleek bij nader onderzoek niet te bestaan: de snuit van A. fragilis was door Gilmore te kort gereconstrueerd en andere detailverschillen waren een geval van individuele variatie. Ook de hypothese van Donald Henderson uit 1998 dat vormen met langere snuiten relatief veel langere tanden zouden hebben, kon niet worden bevestigd. De situatie wordt echter sterk gecompliceerd door een aantal omstreden en nieuwe taxa. Dit betreft allereerst het bestaan van mogelijke andere geldige soorten in Allosaurus. In 1925 benoemde Janensch een stuk scheenbeen van een ongeveer tien meter lange theropode, gevonden in Duits-Oost-Afrika, HM 67, als Allosaurus tendagurensis. Hoewel het hier vermoedelijk geen exemplaar van Allosaurus betreft, is er nooit een vervangend geslacht benoemd. Sommigen behandelen het taxon als een nomen dubium, andere als een valide soort. left|thumb|HM 67