Het Maria-enkolpion, ook wel enkolpion van de Hagiosoritissa of Byzantijns reliekendoosje van de Onze-Lieve-Vrouwebasiliek, is een Byzantijns enkolpion (reliekenhangertje) in de Schatkamer van de Onze-Lieve-Vrouwebasiliek in Maastricht. Het enkolpion uit de late elfde of vroege twaalfde eeuw werd waarschijnlijk na de plundering van Constantinopel in 1204 door een kruisvaarder meegenomen en kort daarna aan de Maastrichtse Mariakerk geschonken. De zilveren en gouden reliekhouder, bedoeld om als halssieraad om de nek gedragen te worden, toont aan de ene kant een voorstelling van Maria in email cloisonné en aan de andere kant een reliëf van de Annunciatie. Vooral de geëmailleerde afbeelding van Maria als Hagiosoritissa is van een hoge zeldzaamheid en wordt beschouwd als een van de topstukken op dit gebied.De Kreek (1994), pp. 208-217.

Geschiedenis Ontstaansgeschiedenis Over het ontstaan van het Maria-enkolpion is weinig met zekerheid te zeggen. Wel is duidelijk dat het hier gaat om een voorwerp dat omstreeks 1100 in het Byzantijnse Rijk, waarschijnlijk in Constantinopel, is ontstaan. Het randschrift (zie beschrijving hieronder) maakt tevens duidelijk dat het voorwerp gemaakt werd voor Irene Synadene, een tot nog toe ongeïdentificeerd lid van een van de leidende adellijke families in het Byzantijnse Rijk. De (vrouwelijke vorm: Synadene) bekleedden hoge militaire en politieke posities en waren nauw gelieerd aan de Byzantijnse keizers. Een lid van deze familie, vanwege de ontbrekende voornaam aangeduid als Synadene van Byzantium, was van circa 1070 tot 1077 gehuwd met koning Géza I van Hongarije. Diens koningskroon, de Stefanskroon, vertoont grote gelijkenis met het Maastrichtse enkolpion (zie paragraaf Kunsthistorische vergelijking). Een mannelijk lid van de familie, Theodolos Synadenos, huwde omstreeks dezelfde tijd een zus van de Byzantijnse keizer Nikephoros III Botaneiates. Hoe Irene Synadene in deze familie paste, is vooralsnog onduidelijk. Volgens sommige bronnen zou zij de tweede vrouw zijn geweest van , zoon van keizer Johannes II Komnenos. In dat geval zou zij tevens de moeder zijn van Theodora Komnene.'Irene Synadene' op myheritage.nl. Gearchiveerd op 10 september 2023. Enkele zegels en een grafschrift uit het begin van de twaalfde eeuw zouden betrekking hebben op een andere Irene Synadene, een achternicht van keizer Alexios I Komnenos en tevens echtgenote van de Manuel Botaneiates.'Irene Synadene, sebaste (twelfth century, first half)' op doaks.org. Gearchiveerd op 19 juni 2023. Of een van deze machtige vrouwen de eigenaresse was van het Maastrichtse Maria-enkolpion, is niet zeker. Wel lijkt de laatstgenoemde Irene een sterkere kandidaat, vooral vanwege het voorkomen van een Maria met Kind op haar zegel en de vermelding van haar Maria-devotie in het grafschrift.De Kreek (1994), p. 212.Vryonis e.a. (1997), pp. 165-166.

Van Constantinopel naar Maastricht De meeste (kunst)historici gaan ervan uit dat het Maastrichtse enkolpion, mogelijk met enkele andere reliekhouders, tijdens de Vierde Kruistocht is buitgemaakt of op een andere manier tijdens deze verwarrende periode is verdwenen uit Constantinopel. In april 1204 werd de christelijke hoofdstad van het Byzantijnse of Oost-Romeinse Rijk door de kruisvaarders ingenomen. Tijdens de drie dagen durende plundering werden vele gouden en zilveren reliekhouders en andere kostbaarheden als oorlogsbuit geroofd. Wellicht werden sommige voorwerpen, al dan niet onder dwang, aan kruisvaarders verkocht. In het geval van het enkolpion werd dit al vrij snel na de terugkeer van de kruisvaarders aan de Onze-Lieve-Vrouwekerk geschonken of verkocht. Een bevestiging van deze veronderstelling is een aantekening van de Luikse kroniekschrijver Reinerus Monachus (ook wel Reinier van Sint-Jacob), die verbonden was aan de Sint-Jacobsabdij in die stad. Deze vermeldde in zijn kroniek bij het jaar 1206 dat een Maastrichts geestelijke ("clericus Traiectensis") toen na een verblijf van zeven jaar terugkeerde uit Constantinopel met onder andere een grote kruisreliek ("portionemque magnam vivifice Crucis"). Deze en andere kostbare relieken zou hij vervolgens aan de Maastrichtse Mariakerk hebben geschonken. Dit wordt weer bevestigd door een aantekening in een veertiende-eeuws calendarium van de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Bij het feest van de Kruisverheffing staat de vermelding dat "het Heilig Kruis met andere relieken door de parochiaan Wilhelmus werd overgebracht". Dit "heilig kruis" is zonder twijfel het Byzantijns patriarchaalkruis, dat bijna zes eeuwen in bezit bleef van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel. Onder de "andere relieken" bevonden zich waarschijnlijk het zogenaamde borstkruis van Constantijn de Grote (een triptiekvormig enkolpion met een kruisreliek), het Maria-enkolpion en mogelijk ook de gordel van Maria. Van deze Byzantijnse relieken zijn alleen de laatste twee nog aanwezig in de schatkamer van de Onze-Lieve-Vrouwebasiliek.De Kreek (1994), pp. 116-127, 167-174, 208-217.

thumb|Toningsformulier uit ca. 1607 met patriarchaalkruis (midden), Maria-enkolpion (2e van linksonder), enkolpion met kruisreliek (2e van rechtsonder) en relieken van Maria Magdalena (midden, 2e van rechts) De oudste vermelding van het Byzantijns reliekenkruis in Maastricht dateert van 1286, toen de inkomsten en verplichtingen van de schatbewaarder (custos) van de Onze-Lieve-Vrouwekerk in een document werden vastgelegd. De drie Byzantijnse reliekhouders werden gezamenlijk bewaard in een aparte kast in de schatkamer, die zich in de Sint-Barbaratoren, de zuidelijke koortoren, bevond.De Kreek (1994), p. 24. Waarschijnlijk is het enkolpion in de zestiende of zeventiende eeuw grondig gerestaureerd, waarbij onder andere de huidige zijkanten ter versteviging werden aangebracht, en een afsluitend glasplaatje aan het inwendige werd toegevoegd. Mogelijk dateren ook de tussenschotjes in het inwendige uit die periode. Een vroeg-zeventiende-eeuws toningsformulier van de Onze-Lieve-Vrouwekerk, dat bedoeld was om als souvenir aan pelgrims mee te geven, bevat een vertekende weergave van het enkolpion. Waarschijnlijk werd de drukplaat voor deze prenten in een atelier elders vervaardigd, gebaseerd op onnauwkeurige schetsen en aantekeningen. Wel vermeldt het formulier de inhoud van het reliekendoosje vrij gedetailleerd: delen van de purperen mantel van Jezus (die hem ter bespotting was omgehangen), delen van de spons (waarmee hij aan het kruis gelaafd werd), en mirre (door de wijzen uit het oosten aan het kindje Jezus geschonken). Op het toningsformulier is ook het andere enkolpion, het 'kruisje van Constantijn' te zien, alsmede een zilveren beeld met relieken (o.a. haren) van Maria Magdalena, die mogelijk eerder in het Maria-enkolpion waren geborgen (zie hieronder). De beschrijvingen van het enkolpion op oude inventarislijsten is altijd summier en vooral gericht op de (variërende) inhoud: de "capsula argentea" bevattende de "spongue Domini nostri Jesu Christi" (1580) en "myrrha et thuri oblatis a tribus magis" (1793).De Kreek (1994), pp. 215-217.

Na de opheffing van het kapittel thumb|Tekeningen Ph. van Gulpen, ca. 1840, met voor-, achter- en binnenkant (met relieken) Maastricht werd zes maanden na de inname van de stad door generaal Kléber (november 1794) ingelijfd bij de Eerste Franse Republiek. De opheffing van de kloosters en kapittels in 1797 werd voorafgegaan door een periode van zware oorlogsbelastingen, waardoor ook het Onze-Lieve-Vrouwekapittel zich genoodzaakt zag een groot deel van de goud- en zilverschat om te laten smelten. Het merendeel van de relieken (ontdaan van hun kostbare behuizing), werd door de kanunniken in veiligheid gebracht. Ook slaagde men erin enkele topstukken, waaronder het patriarchaalkruis, het 'kruisje van Constantijn' en het Maria-enkolpion, achter te houden. Deze werden, verpakt in een grote ijzeren kist, in bewaring gegeven aan kanunnik Albertus Thomassen, een voormalig antoniet, die na de opheffing van het Maastrichtse Antonietenklooster in 1784 was opgenomen in het Onze-Lieve-Vrouwekapittel.De Kreek (1994), p. 285, noot 111. Thomassen ontvluchtte in 1797 de stad en overleed eind 1800 te Bree, nadat hij de ijzeren kist met inhoud had toevertrouwd aan ene N. Fransen, mogelijk zijn neef.De Kreek (1994), p. 107.

In 1806 stelden de nog in leven zijnde ex-kanunniken een onderzoek in naar de kerkschat. Van deze inventarisatie is een verslag bewaard gebleven van oud-kanunnik Guillielmus van Gulpen. Deze schreef dat de ijzeren kist van Thomassen was opengebroken en dat het patriarchaalkruis en het kruisje van Constantijn ontbraken. Hoewel niet expliciet genoemd, doet dit vermoeden dat het Maria-enkolpion zich toen nog in de kist bevond. In 1817, toen duidelijk was dat het kapittel niet meer zou worden heropgericht, werden de overgebleven kerkschatten overgedragen aan de Sint-Nicolaasparochie. Na de sluiting van de Sint-Nicolaaskerk in 1837 werd de reliekenschat overgebracht naar de toen weer in gebruik genomen Onze-Lieve-Vrouwekerk. In hetzelfde jaar 1837 doken het patriarchaalkruis en het kruisje van Constantijn onverwacht weer op; ze bleken in bezit te zijn van de enige nog in leven zijnde oud-kanunnik, die ze daarop aan de paus schonk. Ze bevinden zich sedertdien in de schatkamer van de Sint-Pietersbasiliek in Vaticaanstad. Van de drie Byzantijnse reliekhouders van de Onze-Lieve-Vrouwekerk is het Maria-enkolpion dus de enige die te Maastricht bewaard bleef.De Kreek (1994), pp. 44-45, 107.

Pronkstuk van de schatkamer thumb|Houtsnedes in Bock & Willemsen, 1872 De Akense kanunnik en kunsthistoricus Franz Bock en de Maastrichtse kapelaan en schatbewaarder Michaël Willemsen publiceerden in 1872 een uitgebreide catalogus van de Maastrichtse kerkschatten: Die mittelalterlichen Kunst- und Reliquienschätze zu Maestricht, aufbewahrt in den ehemaligen Stiftskirchen des h. Servatius und Unserer Lieben Frau daselbst, enz, in 1873 gevolgd door een Franstalige versie en een jaar later door een Nederlandstalige samenvatting. De publicatie leidde tot een herwaardering van het Maastrichtse religieus erfgoed. In de catalogus wordt het enkolpion omschreven als "Griekse reliekencapsule van zilver met gedreven en geëmailleerde afbeeldingen". Het wordt als eerste van zeven kunstvoorwerpen uit de schatkamer van de Onze-Lieve-Vrouwekerk beschreven en krijgt ook meer aandacht dan de andere schatten: vier pagina's in de Duitstalige, drie in de Franstalige editie. De beschrijving gaat vergezeld van twee gedetailleerde houtsnedes.Bock/Willemsen (1872/1873), pp. 149-152 (Duitstalige editie); pp. 229-231 (Franstalige editie).

Na Bock en Willemsen kreeg het Maastrichtse enkolpion vermelding in tientallen kunsthistorische werken in binnen- en buitenland. In 1984 wijdde de Duitse kunsthistorica haar promotieonderzoek aan het Maria-enkolpion, door haar "Goldemail-Reliquiar mit der Darstellung der Hagiosoritissa" genoemd. De Nederlandse kunsthistorica Mieke de Kreek promoveerde in 1994 op een studie over de complete kerkschat van de Onze-Lieve-Vrouwebasiliek, waarbij ze ruim aandacht gaf aan het enkolpion en de andere Byzantijnse kunstschatten uit het voormalige kapittelbezit.De Kreek (1994), pp. 208-209. Uit kunsthistorisch oogpunt kan het enkolpion gezien worden als het voornaamste voorwerp in de Schatkamer van de Onze-Lieve-Vrouwebasiliek, hoewel het in de collectieopstelling geen opvallende plaats inneemt. Het voorwerp werd diverse malen uitgeleend aan exposities in onder andere Parijs (1931), Edinburgh (1958), Athene (1964), Brussel (1982) en Keulen (1985).

Beschrijving