De Fransensingel is een straat of singel aan de rand van het centrum van de Nederlandse stad Maastricht. De verkeersluwe singel maakt verkeerstechnisch geen onderdeel uit van de Maastrichtse singelring, hoewel dat qua ontstaansgeschiedenis wel het geval is. Van de ongeveer 375 meter lange straat is slechts 150 m openbaar toegankelijk; het overige deel ligt op het terrein van de papierfabriek Sappi.
Naamgeving, ligging en verkeer De Fransensingel is genoemd naar de Franse bewindvoerders over de stad Maastricht in de periodes 1673-78, 1748-49 en 1794-1814. Dit naar analogie van diverse andere singels in Maastricht (Statensingel, Hertogsingel, Prins Bisschopsingel).
De straat ligt in het noordwestelijk deel van het Maastrichtse stadscentrum in de buurt Boschstraatkwartier. Afwijkend van de andere Maastrichtse singels op de westelijke Maasoever, vormt de Fransensingel niet de begrenzing van het centrum; de grens met de buurt Boschpoort ligt hier enkele honderden meters noordelijk.Zie kaart buurtindeling Maastricht voor gedetailleerde grenzen. De straat loopt min of meer van west naar oost tussen de Frontensingel en de rivier de Maas. Aan de westzijde ligt het beginpunt bij de kruising met de Boschstraat, de Frontensingel en de Bosscherweg. Daartussen ligt één zijstraat, de Commandeurslaan, die slechts voor voetgangers en fietsers toegankelijk is.
De weg bestaat uit twee rijbanen. Bij de brug over de Zuid-Willemsvaart zijn de rijbanen gescheiden. Ter hoogte van de kruising met de Bosscherweg zijn voorsorteerstroken aanwezig. Er zijn geen parkeerstroken of fietspaden; slechts bij een enkel huis aan de zuidzijde is een voetpad aanwezig. Op het fabrieksterrein van Sappi staat een portiersloge midden op de weg.
Geschiedenis De geschiedenis van het gebied rond de Fransensingel loopt tot eind negentiende eeuw parallel met die van de vesting Maastricht. Na de sloop van de vestingwerken werd de straat aangelegd als onderdeel van een rustige singelweg, die door de industriële expansie geleidelijk zijn openbare karakter kwijt raakte.
Vestinggordel (tot 1867)
Eind 13e eeuw bleek de eerste middeleeuwse stadsmuur te krap. Door de bouw van een tweede enceinte werden de langs de uitvalswegen ontstane voorsteden binnen de ommuurde stad gebracht. Volgens sommige auteurs was het aanvankelijk de bedoeling dat de muur het tracé van de Maastrichter Grachtstraat zou volgen, waardoor de Sint-Matthijsparochie binnen de stad zou komen te liggen. Uiteindelijk werd gekozen voor een noordelijker tracé, waardoor ook het Antonietenklooster en de Commanderij Nieuwen Biesen van de Duitse ridders binnen de ommuring kwamen te liggen.Panhuysen/Dingemans/Minis/Sprenger (2013), p. 59: 'Maastrichter Grachtstraat'. De muur was pas omstreeks 1500 voltooid. De muur had op de linker Maasoever een hoogte variërend van 6 tot 9 m en een lengte van 4,4 km (inclusief ca. 850 m bestaande muur, voornamelijk langs de Maasoever).'Tweede stadsommuring op de linker Maasoever' op zichtopmaastricht.nl. Er kwam een nieuwe stadspoort in het noordelijk stadsdeel: de Boschpoort. De muur tussen de Boschpoort en de Maas telde vijf waltorens. De noordoostelijke hoektoren heette Mariatoren.Morreau (1979), p. 55. In de raadsverdragen van 1399-1400 wordt de omgeving aangeduid als "te Biesen an den thoren".Morreau (1979), p. 37. Ter plekke bevonden zich tevens enkele poternes (kleine poorten die bij belegeringen dichtgemetseld werden). Aan de veldzijde lag een gracht, die min of meer het tracé van de Fransensingel volgde. Door het wisselende waterpeil in de Maas viel de gracht regelmatig droog. In 1525 werd met de verkoop van de goederen van het opgeheven ambacht der "Scoense Verderen" (Ommelandvaarders) een nieuwe verdedigingstoren opgericht, iets ten noorden van de Mariatoren. Een halve eeuw later werd de toren opgenomen in het Biesenbastion, dat als een pijlpunt uit de walmuur stak.Morreau (1979), p. 60. In de loop van de zestiende eeuw werden ook de muurtorens aangepast door ze te verlagen en vol te storten met aarde, zodat er zwaar geschut kon worden opgesteld.Morreau (1979), pp. 50-51. Vlak bij de Boschpoort lag een kruithuis en tussen 1673 en 1722 was er ook een kazerne.Kruisinga/Langeweg/Minis/Mes (2000), p. 19.
thumb|left|230px|Fort Willem I en de Nieuwe Bossche Fronten (situatie ca. 1825-1867) Het eerste buitenwerk dat in dit gebied tot stand kwam was waarschijnlijk de ravelijn bij de Boschpoort uit ca. 1616, in 1677 vernieuwd (B op de kaart hiernaast). Na de verovering van Maastricht door Frederik Hendrik werden daaraan toegevoegd: het ravelijn achter de Biesen (A) en het hoornwerk achter de Biesen (C).Van der Heijden/Notermans (1987), p. 13. Dat deze buitenwerken bij lange na niet voldeden, bleek enkele tientallen jaren later bij het beleg van 1673, toen de stad in minder dan twee weken door Lodewijk XIV van Frankrijk werd ingenomen. De Franse vestingbouwer Vauban stelde diverse verbeteringen voor. Toegevoegd werden het ravelijn buiten de Boschpoort (E) en het lunet Le Roy (D). Een belangrijke verbetering was de aanleg van het 1100 meter lange Jekerkanaal (1673-78), waardoor het mogelijk werd om water uit het riviertje de Jeker vanuit het zuiden van de stad over te hevelen naar de Bossche Fronten. In de loop van de achttiende eeuw werden diverse verbeteringen en uitbreidingen uitgevoerd, maar door het ontbreken van een totaalplan bleef de verdediging hier gebrekkig. In de Hoge Fronten kwam tussen 1772 en 1776 volgens een integraal plan de Linie van Du Moulin tot stand, die als ondoordringbaar gold. Het was dan ook niet verwonderlijk dat de Fransen bij het beleg van 1793 en dat van 1794 hun aanval inzetten op de Lage Fronten.Morreau (1979), pp. 151-154, 157, 166, 186-187.
Bij de belegeringen van 1793 en 1794 was gebleken dat vooral de Bossche Fronten dringend modernisering behoefden. Na het vertrek van de Fransen werd in 1815 begonnen met de bouw van het Fort Willem I (1; zie kaart hiernaast) op de oostflank van de Caberg, een jaar later gevolgd door de vrijwel complete vernieuwing van de Bossche Fronten. De bouw van de Nieuwe Bossche Fronten vond in fasen plaats tussen 1816 en 1821. De kosten bedroegen bijna 2,5 miljoen gulden, een enorme investering in die tijd.Morreau (1979), pp. 220-223. De Nieuwe Bossche Fronten bestonden uit vier bastions en drie ravelijnen. De bastions werden van west naar oost aangeduid als A, B, C en D; de ravelijnen als a, b en c. Zes van de zeven vestingwerken werden voorzien van kazematten: ondergrondse, bomvrije ruimten van waaruit de omliggende grachten konden worden beschoten. Het ravelijn voor de Boschpoort en het lunet Le Roy (4 en 5) werden geïntegreerd in de nieuwe werken, die geheel omgracht waren. De grachten waren droog, maar konden met behulp van het Jekerkanaal worden geïnundeerd.Morreau (1979), p. 226. De nieuwe vestingwerken zijn nooit aan een oorlogssituatie blootgesteld.
Singelweg en fabrieksterrein (na 1867)
Na de opheffing van de vestingstatus in 1867 werd de vesting Maastricht in opdracht van het Ministerie van Oorlog ontmanteld, waarna de gronden werden overgedragen aan de Dienst der Registratie en Domeinen voor verdere sloop en herbestemming. De stadspoorten vielen onder de zeggenschap van het gemeentebestuur.Evers (2004), 'Ontmanteling en slechting'. Grote delen van de middeleeuwse stadsmuur, inclusief de Boschpoort, werden afgebroken, even als de buitenwerken. Nog in hetzelfde jaar 1867 kwam de ontmantelingscommissie met een eerste schets voor de uitleg van de stad. De gemeente Maastricht volgde in hetzelfde jaar met een "Project van percees en boulevards". Beide gingen uit van een singel- of boulevardstructuur rondom de ontmantelde stad, zoals dat door de rijksingenieur F.W. van Gendt voor de meeste voormalige vestingsteden werd voorgesteld. Van Maastrichtse zijde waren achtereenvolgens de stadsarchitecten A. Cuypers, J.H. Nivel en vanaf 1873 W.J. Brender à Brandis verantwoordelijk voor de uitwerking van de plannen. Pas met laatstgenoemde kwam er schot in de plannen.De trage uitvoering van de plannen kan worden toegeschreven aan de hoge kosten die met het bouwrijp maken van de vestingterreinen gemoeid waren en de moeizame verhouding met het Departement van Oorlog, dat grote delen van de vestingwerken in reserve hield. Ook de krapte van de gemeentegrenzen vormde een belemmering. Daarnaast was Maastricht in de negentiende eeuw een relatief arme stad en viel de verkoop van kavels in de Stationsbuurt en het Villapark, waarmee de gemeente hoopte de kosten te dekken, tegen. Martin (2000), pp. 213-214, 238. Begonnen werd met het noordwestelijk deel, aangezien daar de belangrijkste industrieën gevestigd waren, die in die tijd in Maastricht het primaat hadden.Al in 1867 en 1868 deden de drie grootste bedrijven een aanvraag tot uitbreiding van hun fabrieksterreinen op de voormalige vestinggronden. Tot 1881 zou alleen verkoop van gronden aan bedrijven plaatsvinden. Martin (2000), pp. 208-209. Tussen 1874 en 1876 kwamen de huidige Statensingel, Frontensingel en Fransensingel tot stand. Van het zuidelijk deel van de 'boulevard' werd aanvankelijk slechts een klein deel in het Villapark aangelegd; de aanleg van de Hertogsingel moest tot 1891-93 wachten en het westelijk deel van de Prins Bisschopsingel tot 1920.Martin (2000), pp. 201-209, 211-216.Jenniskens (1995), p. 104.
De Boschpoort en het aansluitende deel van de walmuur werden tussen 1867 en 1874 afgebroken. Met het puin werd de stadsgracht opgevuld. Het lunet Le Roy werd in 1868 gesloopt, het Bastion D tussen 1868 en 1873. Bastion C en de courtine tussen de bastions B en C werden eveneens afgebroken ten behoeve van infrastructuur en industrie, voor de Maastrichtenaren van die tijd een illustratie van de transformatie van militaire naar modern industriële stad. Van het Biesenbastion werd de linkerface omstreeks 1870 deels afgebroken. Van de rechterface werden delen gesloopt in 1926 en 1955. De dieperliggende delen werden onaangeroerd gelaten. In de kademuur aan de Biesenwal is een deel van de courtinemuur van het bastion te herkennen.Beschrijving gemeentelijke monumenten GM-1120 en GM-1121, op flexinext.maastricht.nl (gearchiveerde links). Verder bleef de kazemat van ravelijn c behouden. Deze was jarenlang in gebruik door de indertijd bekende schroothandelaar Dotremont.Morreau (1979), pp. 97-98.
Een deel van de terreinen aan de Fransensingel bleef in handen van het Ministerie van Oorlog. De rest werd verdeeld tussen de aardewerkfabrikant Regout (later Sphinx) en de papierfabrikanten Lhoëst & Lammens (KNP). Regout bouwde tussen de Fransensingel en het Bassin een groot magazijncomplex en een houtzagerij, de latere Timmerfabriek. Op een terrein aan de Maas, aan de noordzijde van de Fransensingel, verrees in 1881 een complex van 59 arbeidershuisjes, het Quartier Amélie, in de volksmond 'Krejjedörp', naar de uit de fabrieksovens afkomstige sintels waarmee de wegen verhard waren. Het wijkje met 59 huisjes werd bij een geallieerd bombardement in 1944 grotendeels verwoest. Het Gemeentelijk Slachthuis vestigde zich in 1901 aan de Fransensingel op de hoek van de Commandeurslaan. Het behoorde tot de eerste openbare slachthuizen in Nederland. Het gebouwencomplex in chaletstijl werd in 1990 afgebroken, waarna KNP hier verder uitbreidde.Ubachs/Evers (2005), p. 428: 'Quartier Amélie'; p. 486: 'slachthuis'. De uitbreiding van de papierfabriek KNP, sinds 1997 Sappi, in noordelijke en westelijke richting voltrok zich in de loop van anderhalve eeuw geleidelijk.