Bleak House is de negende roman van de Engelse schrijver Charles Dickens. Het boek werd voor het eerst gepubliceerd in maandelijkse afleveringen in de periode maart 1852-september 1853 en in 1853 in één deel van 624 pagina's bij de uitgeverij Bradbury & Evans. De eerste editie was geïllustreerd door Phiz (het pseudoniem van Hablot Knight Browne).
Edities Van de maandelijkse afleveringen werden er in totaal bijna 700.000 verkochtSarah Winter, The Pleasures of Memory: Learning to Read with Charles Dickens, Fordham University Press, New York, 2011, blz. 97. tegen de prijs van 1 shilling per stuk. Tijdens Dickens' leven werd het boek driemaal herdrukt: in 1858, 1868 en 1869.Janice M. Allan (ed.), Charles Dickens's Bleak House: A Sourcebook, Routledge, London/New York, 2004, blz. 2 en 3.
Bleak House bleef steeds een van de populairste romans van Dickens en werd sinds 1853 uitgegeven in tal van edities. Het boek werd onder andere vertaald in het Chinees, Duits, Frans, Italiaans, Russisch, Spaans, Tsjechisch en Zweeds.
Een Nederlandse vertaling onder de titel 't Verlaten huis van de hand van C.M. Mensing verscheen al in 1853 bij W.H. van Heijningen in Utrecht. Twee jaar later werd de uitgave overgenomen door collega-uitgever Kruseman in Haarlem. Deze vertaling beleefde onder de titel Het verlaten huis een aantal herdrukken bij verschillende uitgevers. Een nieuwe vertaling door Karel Luberti onder de titel Het grauwe huis kwam uit in de Prisma-pocketreeks met de verzamelde werken van Dickens die Uitgeverij Het Spectrum in het begin van de jaren vijftig van de 20e eeuw op de markt bracht.
Het Kruidvat bracht tien delen uit deze reeks, waaronder Het grauwe huis, in 2004 opnieuw uit in een cassette onder de naam ‘Grootste Werken’. De cassette was alleen in de Kruidvat-winkels te krijgen.
Achtergrond De roman hekelt de trage procedures van het Court of Chancery. Dat was een speciaal gerechtshof voor Engeland en Wales, dat geschillen over het bezit van land, curatelekwesties, erfenissen en voogdij over kinderen behandelde. De Lord Chancellor gaf leiding aan het hof, dat bestond vanaf het midden van de 14e eeuw tot in 1875, toen het hof werd samengevoegd met een aantal andere hoven tot het High Court of Justice.
In Bleak House speelt de zaak ‘Jarndyce and Jarndyce’, een erfeniskwestie die door diverse belanghebbenden en hun advocaten wordt uitgevochten bij het Court of Chancery, een centrale rol. De zaak sleept al generaties lang:
Jarndyce and Jarndyce drones on. This scarecrow of a suit has, over the course of time, become so complicated, that no man alive knows what it means. The parties to it understand it least; but it has been observed that no two Chancery lawyers can talk about it for five minutes without coming to a total disagreement as to all the premises. Innumerable children have been born into the cause; innumerable young people have married into it; innumerable old people have died out of it. (Jarndyce en Jarndyce blijft maar aanslepen. Deze rechtszaak als een vogelverschrikker is in de loop der tijden zo gecompliceerd geworden dat geen levend mens begrijpt waar ze voor staat. De procespartijen begrijpen er het minst van, maar men heeft opgemerkt dat twee Chancery-advocaten nog geen vijf minuten samen over de zaak kunnen praten zonder het totaal oneens te zijn over de uitgangspunten. Talloze kinderen zijn erin geboren, talloze jonge mensen zijn erin getrouwd, talloze ouderen zijn eruit overleden.)
In zijn voorwoord tot het boek gaf Dickens twee voorbeelden van uitzichtloze zaken die nog liepen op het moment dat hij Bleak House schreef. Eén ervan liep al bijna twintig jaar en had intussen al £ 70.000 uit het betwiste bedrag gekost. De andere had al het dubbele gekost.
Beide zaken konden worden geïdentificeerd. De eerste betreft het testament van Charles Day. Deze zaak liep van 1836 tot in 1854. De tweede was de zaak ‘Jennens v(ersus). Jennens’, die liep van 1798 tot in 1915 (117 jaar dus) en eindigde pas toen al het vermogen waarover werd geprocedeerd was opgegaan aan proceskosten.Pamela Anne Stern, Uncertainty of Function? Dickens, Society and the Law, zie voetnoot 179 op blz. 88.
‘Jarndyce and Jarndyce’ eindigt net als ‘Jennens v. Jennens’ en werd in het Engels spreekwoordelijk voor een uitzichtsloze rechtszaak.‘Widower who "torched" wife's money now being sued by her lover’. Gearchiveerd op 6 juli 2022.‘Jarndyce and Jarndyce in Ulster’. Gearchiveerd op 9 mei 2019.
Samenvatting thumb|260px|Esther Summerson, getekend door Phiz
Het verhaal wordt verteld door een anonieme verteller en Esther Summerson, de hoofdpersoon van de roman. Om de beurt nemen ze een paar hoofdstukken voor hun rekening. Esther schrijft in de verleden tijd, de verteller in de tegenwoordige tijd.
Esther wordt opgevoed door Miss Barbary, een strenge, diepreligieuze vrouw, die haar nooit heeft verteld wie haar ouders zijn. Pas als haar pleegmoeder overleden is (Esther is dan bijna veertien), hoort ze van de advocaat Kenge (van de firma Kenge and Carboy) dat Miss Barbary haar tante was. Kenge, die in opdracht handelt van John Jarndyce, een rijk man die zich haar lot heeft aangetrokken, brengt haar onder in Greenleaf, een kostschool, waar ze wordt opgeleid tot gouvernante.
Zes jaar later haalt John Jarndyce Esther naar zijn huis, Bleak House in Hertfordshire. Ze krijgt daar de functie van huismeester. Tegelijkertijd haalt hij ook een verre neef, Richard Carstone, en een verre nicht van hem, Ada Clare, naar Bleak House. Hij heeft de voogdij over hen gekregen, maar Ada en Esther ontmoeten hem nu voor het eerst en Richard voor de tweede keer. John, Ada en Richard zijn erfgenamen van een zekere Jarndyce, over wiens testament voor het Court of Chancery een lang slepende rechtszaak wordt gevoerd, de zaak ‘Jarndyce and Jarndyce’, maar John heeft besloten zich daar zo veel mogelijk buiten te houden.
Een andere erfgenaam is Lady Honoria Dedlock, de echtgenote van baronet Sir Leicester Dedlock, woonachtig in het landhuis Chesney Wold in Lincolnshire. Als Tulkinghorn, de familie-advocaat, haar een stapel papieren laat zien die betrekking hebben op ‘Jarndyce and Jarndyce’, merkt hij dat ze bijna flauwvalt als ze het handschrift van een van de stukken herkent. Tulkinghorn besluit op zoek te gaan naar de kopiist die het stuk heeft overgeschreven. De zoektocht brengt hem naar een morsig kamertje in Londen boven een uitdragerij die wordt gedreven door een zekere Krook. Als hij de kamer binnengaat, blijkt de huurder, die zich ‘Nemo’ (Latijn voor ‘niemand’) noemde, net overleden te zijn aan een overdosis opium. Niemand blijkt iets van de overledene te weten, zelfs zijn enige vriend Jo, een zwerfjongen die een karig loon verdient als straatveger, weet verder niets van hem. Nemo wordt begraven op een armenkerkhof in een sloppenbuurt van Londen.
Onafhankelijk van Tulkinghorn gaat nog iemand op zoek naar het verleden van Lady Dedlock: William Guppy, een klerk bij Kenge and Carboy. Hij heeft een portret van de Lady gezien en gemerkt dat ze wel heel erg lijkt op Esther Summerson. Hij heeft een speciale reden voor zijn nieuwsgierigheid: hij is verliefd op Esther. Hij heeft haar een aanzoek gedaan, dat ze heeft afgewezen, maar heeft de hoop op haar nog niet opgegeven.
thumb|260px|Jo en Lady Dedlock bij het graf van kapitein James Hawdon, getekend door Phiz Lady Dedlock zoekt in kleren die ze heeft ‘geleend’ van haar meid, de Française Hortense, en een sluier voor haar gezicht Jo op om haar tegen beloning het graf van Nemo te laten zien. Tulkinghorn krijgt lucht van deze excursie en huurt een detective, Inspector Bucket, in om Jo te vinden. Hij confronteert Jo met de inmiddels ontslagen Hortense en die herkent haar, alleen haar stem is anders en ze heeft minder ringen aan haar vingers.
Ook Esther ontmoet Jo, die op dat moment ernstig ziek is, en laat hem een nacht slapen in het Londense huis van John Jarndyce. Het gevolg is dat eerst haar dienstmeisje Charley Neckett ziek wordt en door Esther moet worden verpleegd, en daarna Esther ziek wordt en door Charley moet worden verpleegd. Ze genezen allebei. De ziekte laat littekens achter op Esthers gezicht en het waren dus waarschijnlijk de pokken, hoewel Dickens deze niet noemt. Jo overlijdt niet lang daarna en wordt begraven op hetzelfde kerkhof als Nemo.
Zowel Tulkinghorn als Guppy komt intussen geleidelijk achter het geheim van Lady Dedlock. Voor ze met Sir Leicester trouwde had ze een relatie met kapitein James Hawdon. Uit die relatie werd een kind geboren. Lady Dedlock denkt dat het kind dood is, maar het was meegenomen door haar zuster, die alle contacten met haar verbrak en het kind opvoedde. Dat kind is Esther Summerson. Kapitein Hawdon nam later ontslag uit de dienst en hield zich in leven met het kopiëren van gerechtelijke documenten. Hij noemde zich toen Nemo. Dat haar kind leeft hoort Lady Dedlock van Guppy, die haar belooft de correspondentie tussen haar en Hawdon te leveren, die in het bezit is van Krook. Op de avond dat Krook de papieren zal leveren, komt hij echter om het leven door spontane menselijke zelfontbranding.In het voorwoord bij het boek vertelt Dickens dat hij over deze passage een briefwisseling heeft gehad met George Henry Lewes, die pertinent ontkende dat dit mogelijk was. Dickens geeft echter een paar voorbeelden die in zijn ogen aantonen dat het echt kan gebeuren. Lady Dedlock zoekt haar dochter één keer op en vraagt haar verder te zwijgen uit angst dat Sir Leicester achter haar verleden komt. Esther op haar beurt vraagt Guppy niet verder in haar verleden te graven, iets dat hij aarzelend belooft.
Richard Carstone en Ada Clare zijn inmiddels verliefd op elkaar geworden en willen trouwen. Dat maakt het urgent dat Richard een betrekking zoekt, zodat hij haar kan onderhouden. Dat blijkt nog niet zo gemakkelijk. Richard gaat eerst in opleiding bij een arts, maar komt tot de conclusie dat het medische beroep hem niet ligt. Dan treedt hij in dienst bij Kenge and Carboy als advocaat in opleiding, maar ook voor de advocatuur kan hij weinig belangstelling opbrengen. Wel gaat hij zich intensief verdiepen in het dossier van ‘Jarndyce and Jarndyce’ ondanks de waarschuwing van John Jarndyce dat hij zich beter verre kan houden van de ‘vloek van de familie’. Ten slotte gaat hij in het leger, maar hij geeft zijn militaire carrière op om zich volledig te wijden aan ‘Jarndyce and Jarndyce’, met hulp van de advocaat Vholes, die hem voorhoudt dat hij een aardige kans maakt op de erfenis. Hij wordt een trouw bezoeker van het Court of Chancery op de dagen dat de zaak wordt behandeld, breekt met John Jarndyce, die in zijn ogen conflicterende belangen heeft in de zaak, en huurt een kamer boven het kantoor van Vholes. Korte tijd later trouwt hij in het geheim met Ada, die bij hem intrekt. Bij gebrek aan inkomsten steekt hij zich steeds dieper in de schulden.
thumb|260px|De zoektocht naar Lady Dedlock, getekend door Phiz Tulkinghorn bezoekt Lady Dedlock in het Londense huis van Sir Leicester en kondigt aan dat hij haar geheim zal vertellen aan haar echtgenoot. Als hij daarna thuiskomt, wordt hij doodgeschoten. Sir Leicester schakelt Inspector Bucket in om de moordenaar te vinden. Prompt ontvangt Bucket een reeks anonieme brieven, die Lady Dedlock aanwijzen als de moordenaar. Ook Mrs. Rouncewell, de huishoudster van de familie Dedlock, ontvangt zo'n brief en laat die aan Lady Dedlock zien. Lady Dedlock verlaat het huis en keert niet meer terug.