De Verenigde Nederlandse Staten (Frans: États-belgiques-unis, als gallicisme:Verenigde Belgische Staten) waren een confederale republiek van de Zuidelijke Nederlanden, die heeft bestaan van januari tot december 1790. De acht stichtende leden van deze statenbond waren Brabant, Henegouwen, Vlaanderen, West-Vlaanderen, Namen, Mechelen, Gelre en Doornik. Bij Brabant hoorden ook de drie landen van Overmaas; sommige kaarten tonen dus elf landen. De republiek ontstond tijdens de Brabantse Omwenteling, een opstand tegen de Rooms-Duitse (Oostenrijkse) keizer Jozef II, en verdween weer na het Verdrag van Reichenbach en de Conventie van Den Haag (1790), tussen de toenmalige Europese grootmachten Oostenrijk, rivaal Pruisen met diens bondgenoot de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, en het koninkrijk Groot-Brittannië.

Het gebied viel tussen 1789 en 1795 samen met ongeveer het westelijke en centrale deel van het huidige België. Daaraan voorafgaand kwam het overeen met het grootste gedeelte van de Oostenrijkse Nederlanden (Latijn: Belgium Austriacum), dat wil zeggen door de Oostenrijkse Habsburgers beheerste gewesten binnen het Heilige Roomse Rijk.

Het kwam eind 1790 officieel opnieuw onder keizerlijk Oostenrijks gezag, zij het dat inmiddels door Wenen was toegegeven aan alle eerder gestelde condities.

Vanaf 1795 werd het door de Franse Republiek geannexeerd en eindigde de autonomie van de verschillende gewesten.

thumb|Staatkundige toestand in het jaar 1790

Voorgeschiedenis Mede onder invloed van het algemene klimaat in Europa verenigden zich in de Nederlanden zowel conservatieven onder leiding van advocaat Hendrik van der Noot als progressieven geleid door Jan Frans Vonck in een gewapende oppositie tegen de keizer en versloegen het Oostenrijks leger bij Turnhout en vervolgens te Gent.

thumb|none|170px|Driekleur van de Verenigde Nederlandse Staten miniatuur|De slag bij Turnhout

Voor de Brabantse opstandelingen was dit niet alleen een militaire, maar vooral ook een morele overwinning. Het gezag van de regimenten die tweemaal voor vrijwilligers hadden moeten wijken was nu tot nul herleid. De revolutionaire geest verspreidde zich daarop razendsnel over het hele land. Ook Henegouwen, het Naamse en Limburg, kwamen in opstand. Overal werden de kokardes weer op de hoeden gestoken, met de rood-geel-zwart Brabantse driekleur die in de hete zomer van 1787 reeds tot nationaal symbool was verheven. Op 17 november 1789 namen de landvoogden de wijk uit Brussel en dadelijk daarna begon de vlucht van de overheden, de ambtenaren, de uitwijking van nog sporadische aanhangers van het jozefisme. Onder de troepen vermeerderde dag aan dag de desertie. Nadat bevelhebber Richard d'Alton op 21 november het Oostenrijks-Nederlands garnizoen van Bergen op Namen deed terugtrekken, sloeg heel Henegouwen aan het muiten. Ondertussen drong het opstandelingenleger onder Jan Andries vander Mersch voor de tweede keer de Kempen binnen, terwijl zijn voorposten tot Tienen doordrongen. Teneinde het uitroepen van de autonomie af te wenden was de verantwoordelijke minister Trautmansdorff op 20 november begonnen met allerlei toegevingen te doen, terwijl hij vergeefs het toezenden van extra Oostenrijkse regeringstroepen afwachtte. Op 2 december bedong de als parlementair gezonden kolonel de Brou een wapenstilstand van twee maanden.

Maar op 10 december werden, bij wijze van startsignaal, tijdens een dienst in de Brusselse Sint-Goedelekerk vanaf het koor door 'heren' duizenden kokardes in de Brabantse driekleur naar beneden gestrooid. Dadelijk werden ze overal door de stad gedragen. Honderdvijftig grenadiers verlieten daarop de kazerne om zich onder gejuich bij de patriotten aan te sluiten. Ze overtuigden de schildwachten hun wapens aan de burgers af te geven. De wachten in de binnenstad werden de volgende dag beschoten en trokken zich terug bij het gros van de in de Warande verzamelde troepen. Tegen de avond was het gevecht algemeen onder het gelui van de alarmklokken in de kerken en het gebulder van kanonnen. De ochtend van 12 december beval een radeloze d'Alton de aftocht. De overijling en paniek waren zo groot dat Trautmansdorff niet eens afscheid kon nemen van de vreemde gezanten. Artillerie, legertros, munitie, tot de schatkist toe, alles werd achtergelaten. Hele compagnieën deserteerden, enkele vermoordden zelfs hun officieren. Het overschot van de regimenten hield ten slotte halt achter de muren van de vesting Luxemburg. Ook op de Citadel van Antwerpen wapperde nog een keizerlijke vlag, tot ook daar op 29 maart 1790 het garnizoen zich overgaf. Op 18 december 1789 deed het Comiteit van Breda onder algemeen gejuich zijn intrede in het met de driekleur bevlagde Brussel. Hiermee eindigde in de Lage Landen voor even het Oostenrijks stelsel dat vierenzeventig jaar had geduurd.Henri Pirenne, Geschiedenis van België, deel 5, hoofdstuk II, De Brabantsche omwenteling I, p. 473.

Aanleiding

Bij de (militaire) instorting van het Oostenrijks gezag stuurde de voorman van de opstand Hendrik van der Noot op 14 december 1789 ‘in naam van de Staten van Brabant en Verenigde Staten’ boodschappers naar Brussel, Leuven en Antwerpen, om daar het Manifest van het Brabantse Volk uit te plakken. De Staten van Brabant namen op 27 december achter gesloten deuren de soevereiniteit in handen. In het kielzog van Brabant verklaarden ook andere gewesten zich onafhankelijk. De Staten van het belangrijke graafschap Vlaanderen vaardigden op 4 januari 1790 hun Manifest van de Provincie Vlaanderen uit. Alleen de Staten van het hertogdom Luxemburg hielden zich afzijdig.

Deze onafhankelijkheidsverklaringen kwamen voort uit de onvrede van de Oostenrijkse Nederlanden over de vernieuwingspolitiek van keizer Jozef II (ook wel de keizer-koster genoemd), die zijn Habsburgse rijk efficiënter en moderner wilde organiseren. Het kwam daarbij tot een open conflict, en uiteindelijk breuk, met de vertegenwoordigers van vooral de Staten van Brabant en Henegouwen, die vasthielden aan hun vrijheden. De keizer was ervan overtuigd dat welvaart en welzijn de kracht van de staat vormden; de zuidelijke Nederlanden moesten daaraan bijdragen - zoals alle Habsburgse bezittingen.

Zijn regering had er een paar jaar naar gestreefd aan de hand van tellingen, statistieken en rapporten zicht te krijgen op de situatie.

De katholieke geestelijkheid in de Oostenrijkse Nederlanden had zich aanvankelijk terughoudend opgesteld en probeerden zijn moderniserende maatregelen in de Kerk in de luwte tegen te werken. Maar de bisschoppen en kardinaal Franckenberg, de aartsbisschop van Mechelen, traden de protesterende Staten openlijk bij toen keizer Jozef II ook de bestuurlijke en rechterlijke instellingen ging aanpakken.

Oorzaken De maatschappij in de Oostenrijkse Nederlanden werd nog steeds beheerst door de traditionele en schijnbaar stevig gevestigde machten van adel, geestelijkheid en gilden. De economische en sociale kracht van de adel was vooral overheersend in Brabant en Henegouwen; de adel beschikte daar over meer kapitaal dan elke andere klasse. Door stijging van de landbouwopbrengsten nam het fortuin nog toe. In het graafschap Vlaanderen was het kleingrondbezit van onafhankelijke boeren typerend voor het economische en sociale leven, maar ook daar domineerde de adel en streefde de opkomende klasse van de industriële burgerij naar toelating tot de oude aristocratische kring.

De geestelijkheid was eveneens invloedrijk in economisch, sociaal en cultureel opzicht. Van de geschatte 2,2 miljoen inwoners van de Oostenrijkse Nederlanden waren ruim 17.000 mannen en vrouwen, in een of andere vorm, lid van de geestelijkheid. Volgens tijdgenoten zou de geestelijkheid meer dan de helft van het totale grondbezit hebben. Door het heffen van lage pachten door de kloosterorden ontstond welstand op het platteland en trouw vanwege de economisch sterkste groepen binnen de plattelandsbevolking.

De Derde Stand was georganiseerd in een ingewikkeld gildesysteem dat in de loop der eeuwen vanuit de steden was uitgegroeid en opgeld ging doen in de industrie. Deze gilden werden nu beheerst door de patroons en vormden een belemmering voor de groei van de economie. Zij bestreden elkaar omwille van competenties in eindeloze processen, waar kapitaal en energie in ging zitten. Mede daardoor waren ze impopulair bij de overheid en de publieke opinie, die hun opheffing en sanering verlangden.

De Zuid-Nederlandse economie ontwikkelde zich zoals die in Frankrijk: binnen de eeuwenoude, traditionele kaders. Door nieuwe ontginningen, betere methoden en bemesting, bereikte de agrarische productie een opmerkelijk peil. De bevolkingsgroei was ook het sterkst op het platteland, en was, zoals elders in Europa, beduidend groter dan in de steden. Er was tevens een groei van het aantal armlastige burgers, die niet kon worden opgevangen door de agrarische maatschappij waar gebrek was aan werkgelegenheid, onvoldoende scholing en een gebrekkige armenzorg.

De op zich opvallende economische groei van industrie en handel bleef nog erg beperkt, omringd door protectionistische buurlanden en met een gebrek aan ervaring in scheepvaart en overzeese handel. De afhankelijkheid van het verzwakte handelsimperium, de Republiek der Verenigde Nederlanden, werd verminderd door vernieuwingen in de textielindustrie, die de eenzijdigheid enigszins brak, en de ontwikkeling van Oostende als haven, die geen belemmering ondervond van de 'sluiting' van de Schelde.

Daar stond tegenover dat de ontwikkeling van industriële bedrijven werd gehinderd door gebrek aan kapitaal, onwil van de adel en de geestelijkheid om erin te investeren en gebrek aan een ontwikkeld bank- en kredietwezen. Toch ontstond in sommige steden een groep van gegoede ondernemers, die belangstelling had voor technische ontwikkelingen, die niet in het gildesysteem was opgenomen en de mogelijkheid schiep om in het Zuiden een industriële revolutie door te voeren.

Opgelegde hervormingen Vanaf 1784 achtte de ongeduldige keizer-koster het ogenblik gekomen voor radicale hervormingen in de Oostenrijkse Nederlanden. Er lagen reeds geruime tijd plannen voor kerkelijke hervormingen klaar: kloosterorden reorganiseren om ze los te maken van hun oversten in het buitenland (lees: in Rome), uitvaardigen van beperkende verordeningen op kerkelijke feesten en broederschappen, ultramontaanse invloeden weren uit het theologisch onderwijs, kermissen in het hele land op dezelfde dag organiseren, begraafplaatsen buiten de bebouwde kom aanleggen. Buiten de Oostenrijkse Nederlanden waren in zijn gehele rijk door Jozef II de contemplatieve kloosterordes opgeheven. Bovendien werd een groot deel van het gemeenschappelijk en kerkelijk bezit geconfisqueerd.

Reeds in 1781 had de keizer persoonlijk toegezien op de invoering van de burgerlijke tolerantie, die protestanten en even later ook joden de volledige burgerrechten en een - weliswaar nog beperkte - godsdienstvrijheid toestond. Dit zette de toon. Tijdens zijn incognito bezoek dat jaar aan de Oostenrijkse Nederlanden wekte de keizer onrust bij de lokale gezagsdragers in de Oostenrijkse Nederlanden. Ook kardinaal Franckenberg legde aan de keizer zijn bezwaren voor, maar die zag niet in waarom hij voor zijn Nederlandse onderdanen uitzonderingen zou maken voor maatregelen die elders in zijn Rijk, Oostenrijk en Noord-Italië, met succes doorgezet werden.