Autisme (Grieks: αὐτός, autós, zelf) is de verzamelnaam voor gedragskenmerken die duiden op een kwetsbaarheid op het gebied van sociale interactie, communicatie, flexibiliteit in denken, bewegen en handelen, in de zintuiglijke prikkelverwerking en op het gebied van filteren en integreren van informatie. Daarnaast ervaren mensen met autisme ook vaak problemen met uitvoerend handelen, met name op het gebied van plannen en organiseren.
Autisme wordt gediagnosticeerd aan de hand van de internationale classificatiesystemen DSM en ICD. Sinds de invoering van de DSM-5 (2013) en de ICD-11 (2022) vallen de voormalige afzonderlijke autismediagnoses, waaronder het syndroom van Asperger, onder de verzamelterm autismespectrumstoornis (ASS).
Sinds de jaren 1990 is het aantal autismediagnoses geleidelijk toegenomen. Dit komt vooral door ruimere diagnostische criteria, meer kennis over autisme en een toegankelijkere geestelijke gezondheidszorg. De Wereldgezondheidsorganisatie schat dat tussen 2012 en 2021 ongeveer 1 op de 100 kinderen de diagnose autisme kreeg. Autisme is grotendeels erfelijk en wordt beïnvloed door veel verschillende genen. De invloed van omgevingsfactoren is waarschijnlijk beperkt.
Autisme hangt samen met onder meer ADHD, angstklachten, verstandelijke ontwikkelingsstoornis en een verhoogde kans op depressie. Er bestaat geen genezing voor autisme. Begeleiding en therapieën zijn gericht op het versterken van zelfredzaamheid, communicatie en sociale vaardigheden. Aanpassingen in de (sociale) omgeving kan mensen met autisme helpen beter deel te nemen aan onderwijs, werk en de samenleving.
Autisme wordt in toenemende mate benaderd vanuit het perspectief van neurodiversiteit. Volgens deze benadering zijn autistische kenmerken een natuurlijke en gezonde variatie binnen het spectrum van het menselijk neurologisch functioneren. Deze visie, die wordt uitgedragen door de autismebeweging, heeft meer aandacht gekregen in wetenschappelijk onderzoek, maar blijft onderwerp van discussie onder mensen met autisme, deskundigen, belangenorganisaties en zorgverleners.
Historisch overzicht Halverwege de 19e eeuw werd in Engeland al over autisme geschreven. Daarvoor werden mensen met autisme eenzelvig of psychotisch genoemd. De Amerikaanse kinderpsychiater Leo Kanner beschreef in 1943 als eerste het infantiel of vroegkinderlijk autisme. Hij nam het woord over van de Zwitserse psychiater Eugen Bleuler (1857-1939). Deze gebruikte de term echter voor schizofrene patiënten die moeite hadden met andere mensen in contact te treden. Pas in 1989, met het succes van de film Rain Man, kwam er meer aandacht voor de diagnose en erkenning van normaal begaafde volwassenen met autisme. Voorheen kregen vooral kinderen met een verstandelijke handicap de diagnose.
Het besef dat autisme grotendeels genetisch bepaald is (genetisering van autisme) heeft de diagnose belangrijk veranderd en is aanmerkelijk breder dan het klassieke Kanner-autisme. De diagnostische criteria vereisen dat bepaalde symptomen al voor het derde levensjaar duidelijk worden. Hoewel de diagnose doorgaans vroeg gesteld wordt, komt het ook vaak voor dat autisme pas op latere leeftijd duidelijk wordt, bijvoorbeeld wanneer er sprake is van een normale of bovengemiddelde intelligentie.
Medisch en sociaal model Autisme is lange tijd bekeken vanuit het medische model, waarin autisme gezien werd als een ziekte of stoornis, als 'iets dat niet zo hoort te zijn'.
Daartegenover staat het sociale model, waarin een handicap niet wordt gezien als een eigenschap van een persoon, maar als het resultaat van het verschil tussen de manier waarop de maatschappij is ingericht en een eigenschap van een persoon. Niet kunnen zien is bijvoorbeeld op zichzelf geen handicap, maar wordt dat wanneer de maatschappij is ingericht alsof iedereen kan zien. Het sociale model van autisme wordt gerepresenteerd door het idee van neurodiversiteit. Neurodiversiteit staat voor het idee dat hersenen zich op verschillende manieren kunnen ontwikkelen, en dat er geen 'beste' manier is.
Definitie en beschrijving Autisme wordt bestudeerd door verscheidene takken van de wetenschap. Naargelang het vakgebied kan de omschrijving van autisme behoorlijk verschillen. In de psychologie dient (observeerbaar) gedrag als basis voor de diagnose van autisme. In de neurowetenschap zijn dat vooral de hersenfuncties. Kenmerkend voor autisme zijn afwijkingen in de trias: communicatie verbeelding sociale interactie
Communicatie De tekortkomingen in de communicatie komen al vroeg in de ontwikkeling tot uiting. Communicatie is gebaseerd op betekenisverlening. Waar taal meestal geen probleem vormt voor mensen met autisme en een normale begaafdheid, is het toekennen van betekenis aan woorden dat vaak wel.
Bij zowel expressieve communicatie (het uiten) als receptieve communicatie (het begrijpen) geldt dat voor mensen met autisme de techniek van de taal – onder andere zinsbouw en woordenschat – begrijpelijk is, maar dat de sociale aspecten van communicatie de moeilijkheid vormen. Hieraan ligt ten grondslag de problematiek van samenhang aanbrengen binnen de taal en het beperkte inlevings- en verplaatsingsvermogen.
In de praktijk betekent dit dat mensen met autisme goed kunnen omgaan met alles wat letterlijk en concreet is. Problemen doen zich voor als de andere partij bijvoorbeeld woordgrapjes of sarcastische, spreekwoordelijke of emotioneel gekleurde begrippen gebruikt. Verwijzende woorden, waarbij de betekenis varieert in tijd, ruimte of persoon (zoals morgen, onder, ik) zijn vaak problematisch. Hoe abstracter de begrippen, hoe moeilijker het wordt voor mensen met autisme.
Het om de beurt wat zeggen in een gesprek (een dialoog voeren) is ook soms een probleem. Mensen met autisme kunnen blijven hangen in hun eigen interesse(s). Hun verhaal kan onverwachte wendingen nemen en is vaak associatief en fragmentarisch.
Echolalie (het herhalen van woorden of zinnen van anderen) komt vaak voor, vooral bij jongere kinderen met autisme, maar is ook merkbaar bij ouderen met autisme, vooral in situaties met stress.
Bij een persoon met autisme kan er sprake zijn van een vertraagde ontwikkeling van gezamenlijke aandacht (joint attention). Het kan zijn dat dit gedrag niet of slechts beperkt ontwikkeld wordt. Een kind dat een normale ontwikkeling doormaakt zal rond het eerste levensjaar gezamenlijk met anderen de aandacht ergens op kunnen richten. Het kind vraagt hierbij de aandacht van een ander door te wijzen naar een bepaalde gebeurtenis of voorwerp. Ook het kijken in dezelfde richting als een ander, als deze het hoofd draait om naar iets te kijken, gaze-following, is een vorm van gezamenlijke aandacht.
Als er ook sprake is van een verstandelijke beperking komt dit alles vaak nog duidelijker naar voren. Voor non-verbale communicatie gelden vergelijkbare problemen.
Verbeelding Lorna Wing verving in 1996 in de trias het begrip stereotiep gedrag door het begrip verbeelding. Stereotiep gedrag of herhaling van handelingen, ritueel of dwangmatig gedrag komt veel voor, vooral gedurende de kindertijd tot de leeftijd van drie jaar, zoals hoofdwiegen, fladderen met de handen, speelgoedauto's op een rij zetten enzovoort. Vooral mensen met autisme en een verstandelijke handicap kunnen erg dwangmatig vasthouden aan bepaalde gewoontes. In het hoofd van een persoon met autisme is het vaak een chaos. Drukte, onregelmatigheid en onvoorspelbare en plotselinge veranderingen zijn voor mensen met autisme een zware belasting. Velen hebben voortdurend structuur nodig. Omdat het moeilijk is die zelf aan te brengen, moet deze vaak door de omgeving worden aangereikt. Afwijkingen in de verbeelding uiten zich al vroeg in de spelontwikkeling; er zit weinig variatie in en zich iets uit het niets voorstellen lukt nauwelijks. Mensen met autisme komen vaak niet verder dan het kopiëren van andermans gedrag. Verbeelding is wat mensen gebruiken om een betekenis toe te kennen aan een bepaald symbool. Mensen zonder autisme kunnen symbolen op velerlei wijzen toepassen en vanuit deze basis die toepassingen ook weer in nieuwe situaties gebruiken, zonder alles opnieuw te moeten leren. Voor mensen met autisme geldt dit soms niet. Het gebruik van de betekenis van een symbool in situatie A helpt hen niet voor het gebruik van hetzelfde symbool in situatie B. Bij kinderen kan dit bijvoorbeeld betekenen dat zij in de badkamer hun tanden poetsen, omdat het gebruik van de tandenborstel gekoppeld is aan de badkamer. Als het kind de tanden in de keuken moet poetsen, dan zal het kind opnieuw betekenis aan de tandenborstel moeten toekennen. De tandenborstel had namelijk enkel een betekenis (tanden poetsen) in combinatie met de badkamer en niet met de keuken. Dit gaat echter doorgaans niet op voor autistische kinderen met een normale tot hoge intelligentie. Doordat mensen met autisme fragmentarisch denken is het voor hen moeilijk, of vrijwel onmogelijk, om het grote geheel te zien. Als een beeld dat ze kennen is veranderd zullen ze meestal beginnen met het opnieuw waarnemen van alle individuele kenmerken ervan om die vervolgens zo goed als mogelijk samen te brengen tot een aangepast, nieuw beeld. Aan de andere kant vallen autisten vaak details op die anderen niet zo snel zien en zijn ze dikwijls zeer nauwkeurig en analytisch.
Sociale interactie De stoornis binnen de sociale interactie is vaak het opvallendste kenmerk van autisme. Mensen verwachten van elkaar een bepaalde vorm van socialiteit, zeker als het gaat om de opbouw van een relatie, waarin ook wederkerigheid wordt verwacht.
Voor mensen met autisme zijn deze zaken meestal heel erg moeilijk, omdat er voor sociale interacties geen duidelijke en vaste regels zijn en zij dus weinig houvast hebben. Vaak worden problemen met empathie vermeld, waardoor het voor autisten ook erg moeilijk is om zich in de gevoelens en gedachtegang van de ander te verplaatsen. Onderzoek wijst uit dat het empathische vermogen van mensen met autisme in een rustige omgeving zonder veel afleiding nauwelijks afwijkt van dat van andere mensen.De autismeparadox: wel gevoelig maar niet empathisch Mensen met autisme zijn echter niet goed in het uitdrukken van hun gevoelens (alexithymie). Zij missen een coherent zelfbeeld waardoor zij hun emoties ten opzichte van anderen niet duidelijk kunnen definiëren. Een mogelijke oorzaak van het onduidelijk zelfbeeld is het onduidelijk ik-bewustzijn. Uit de zinnelijke gewaarwordingen van hun eigen lichaam kunnen mensen met autisme geen coherent ik-bewustzijn synthetiseren. Hun vermogen om sociale emoties te kunnen herkennen en benoemen staat in een rechtstreekse verhouding tot hun veelal beperkte abstractievermogen.
Aantallen thumb|300px|Stijging in de diagnose autisme (rode lijn) ten opzichte van alle psychiatrische ziekten tussen 1993 en 2003 (NCHS). In de tijd dat alleen het klassiek autisme gediagnosticeerd werd, werd aangenomen dat autisme bij 1 op 2200 mensen voorkwam. Het Steunpunt Expertisenetwerken Vlaanderen spreekt nu al van 1 op 165. Als daarvan 1 op de 4 vrouw is, wil dat zeggen; 1 op de 110 mannen zou autist zijn en 1 op de 330 vrouwen. De uitbreiding van de definitie (met het syndroom van Asperger, PDD-NOS, enzovoort) en de verbetering van de diagnose zouden de belangrijkste redenen zijn dat dit aantal zo spectaculair is gestegen.